Part 4
FALSTAFF. Stil, goede pintkan! stil, vrouw Spraakwater!--Hendrik, mij verbaast niet alleen, waar gij uw tijd doorbrengt, maar ook met wie gij omgaat; want ofschoon de kamille, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit, is toch de jeugd, hoe meer men ze verspilt, des te sneller versleten. Dat gij mijn zoon zijt, daarvoor heb ik deels de verzekering van uw moeder, deels mijn eigen meening, maar voornamelijk een schurkachtigen trek in uw oog, en een onnoozel hangen van uw onderlip als borg er voor. Als gij dus mijn zoon zijt,--nu kom ik tot mijn doel,--waarom wordt gij, als gij mijn zoon zijt, het doelwit van ieders vinger? Moet de roemrijke zon des hemels een struikdief worden en bramen eten? Een vraag, die niet gedaan mag worden. Moet de zoon van Engeland een nachtdief worden en beurzen snijden? Een vraag, die wel gedaan moet worden. Er is één ding, Hendrik, waar gij meermalen van gehoord hebt, en het is aan velen in ons land bekend onder den naam van pik; dit pik pleegt, zooals oude schrijvers berichten, te besmetten; zoo doet ook het gezelschap, waar gij meê verkeert; want, Hendrik, nu spreek ik tot u, niet in mijn dronk, maar in tranen, niet in vermaak, maar in droefenis, niet enkel in woorden, maar ook in zorgen.--En toch is er een deugdzaam man, dien ik meermalen in uw gezelschap heb opgemerkt, maar ik weet zijn naam niet.
PRINS HENDRIK. Wat voor een soort van man, als het uwe majesteit belieft?
FALSTAFF. Een welgemaakt, deftig man, dat moet ik zeggen, en wat zwaarlijvig; met een opgeruimden blik, een innemend oog en een zeer waardige houding; en, naar ik vermoed, in de vijftig, of, als God wil, bij de zestig; en,--nu valt mij in,--zijn naam is Falstaff. Als die man tot uitspattingen kan overhellen, dan bedriegt hij mij; want, Hendrik, ik lees deugd in zijn oogopslag. Wanneer dus de boom aan zijn vruchten te kennen is, zoowel als de vrucht aan den boom, dan zeg ik bepaald en stellig: er is deugd in dien Falstaff; houd u aan hem en verban de anderen. En zeg mij nu, gij nietswaardige deugniet, zeg mij, waar hebt gij de geheele maand gezeten?
PRINS HENDRIK. Spreekt gij als een koning? Ga gij voor mij staan, en ik zal mijn vader spelen.
FALSTAFF. Mij afzetten? Als gij het half zoo statig, zoo majestueus doet, zoo in woord als daad, hang mij dan bij de hielen op, als een zuigkonijntje of een gevilde haas.
PRINS HENDRIK. Goed, hier zit ik.
FALSTAFF. En hier sta ik.--Oordeelt nu, mannen.
PRINS HENDRIK. Zoo, Hendrik, van waar komt ge?
FALSTAFF. Mijn hooge vader, van Eastcheap.
PRINS HENDRIK. De klachten, die ik over u hoor, zijn grievend.
FALSTAFF. Alle duivels, mylord, ze zijn valsch.--O, ik zal u een lief, jong prinsje laten zien, waarachtig!
PRINS HENDRIK. Vloekt gij, goddelooze knaap? kom mij voortaan nimmer meer onder de oogen. Gij laat u met geweld wegsleuren van de genade; er is een duivel, die om u waart in de gedaante van een vetten, ouden man; een ton van een man is uw kameraad. Waarom verkeert gij met die kist vol grillen, dien builtrog van dierlijkheid, die opgeblazen baal waterzucht, dien grooten wijnzak met sek, dat volgepropte darmenvalies, dien gebraden kermisos met den podding in 't lijf, die eerwaardige ondeugd, die grijze verdorvenheid, dien vader losbol, die ijdelheid op jaren? Waarin is hij goed, dan in het sek proeven en drinken? waarin net en keurig, dan in het kapuinen voorsnijden en eten? waarin knap, dan in list en bedrog? waarin listig, dan in schurkerij? waarin schurkachtig, dan in alles? waarin achtenswaardig, dan in niets?
FALSTAFF. Ik wenschte, dat uw genade mij op de hoogte bracht. Wien meent uwe genade?
PRINS HENDRIK. Dien schurkachtigen verfoeilijken verleider der jeugd, Falstaff, dien ouden, witbaardigen satan.
FALSTAFF. Mylord, dien man ken ik.
PRINS HENDRIK. Ik weet, dat gij hem kent.
FALSTAFF. Maar als ik zeide, dat ik meer kwaad van hem weet, dan van mijzelf, zou ik meer zeggen, dan ik weet. Dat hij oud is, God zij het geklaagd, zijn witte haren getuigen het; maar dat hij, met verlof van uwe genade, een hoerenjager zou wezen, dit ontken ik ten sterkste. Als sek met suiker boos is, dan sta God de zondaars bij! Als oud en vroolijk zijn zonde is, dan is menig oude waard, dien ik ken, verdoemd; als vet te zijn hatenswaardig is, dan zijn Pharao's magere koeien beminnelijk. Neen, mijn beste heer, verban Peto, verban Bardolf, verban Poins; maar dien lieven Hans Falstaff, dien goeden Hans Falstaff, dien trouwen Hans Falstaff, dien dapperen Hans Falstaff,--en daarom te dapperder, omdat hij de oude Hans Falstaff is, zooals hij is,--verban dien niet uit het gezelschap van uw Hendrik; verban dien dikken Hans, en gij verbant de geheele wereld.
(Er wordt geklopt; de Waardin, Frans en Bardolf af.)
(Bardolf komt weder binnenstormen.)
BARDOLF. O mylord, mylord! de sheriff, met een allervervaarlijkste wacht, staat voor de deur.
FALSTAFF. Weg, gij schelm!--Speel het spel ten einde, ik heb nog veel te zeggen ten gunste van dien Falstaff.
(De Waardin komt terug.)
WAARDIN. O Jezus! Mylord, mylord!--
PRINS HENDRIK. Ho, ho! de duivel rijdt op een strijkstok. Wat is er aan de hand?
WAARDIN. De sheriff en zijn geheele wacht staan voor de deur; zij komen hier huiszoeking doen; moet ik ze binnenlaten?
(De Prins schijnt te willen toestemmen.)
FALSTAFF. Hoor eens, Hein! Noem een echt goudstuk nooit een valsche munt; gij zijt in waarheid dol, al schijnt gij het niet.
PRINS HENDRIK. En gij een geboren lafaard, zonder instinct.
FALSTAFF. Uw gevolg wijs ik af; wilt gij dien man met gevolg afwijzen, goed; zoo niet, laat hem binnenkomen. Als ik op de kar niet een even goed figuur maak als eenig ander, dan hale de duivel mijn opleiding! Ik hoop, dat een strop het even kort met mij maakt als met eenig ander.
PRINS HENDRIK. Ga, verberg u achter het wandtapijt; de anderen moeten naar boven gaan. Nu, mannen, een eerlijk gezicht en een goed geweten!
FALSTAFF. Die heb ik alle twee eens gehad; maar hun tijd is er geweest, en daarom wil ik mij versteken.
(Allen af, behalve de Prins en Poins.)
PRINS HENDRIK. Roep den sheriff binnen.
(De Sheriff en een Voerman komen op.)
Nu, meester Sheriff, wat is uw verlangen?
SHERIFF. Vooreerst verschooning, eed'le prins. Een oploop Heeft enkle lieden tot dit huis vervolgd.
PRINS HENDRIK. Wie zijn die lieden?
SHERIFF. Één hunner is genoeg bekend, mijn prins; Een zware, vette man.
VOERMAN. Zoo vet als boter.
PRINS HENDRIK. Die man, kan ik verzeek'ren, is hier niet, Daar ik juist zelf hem in mijn dienst gebruik. Doch, sheriff, ik verpand mijn woord aan u, Dat ik hem morgen middag tot u zend, Om u, of wien ook, rekenschap te geven Van alles, wat men hem ten laste legt; Dus vraag ik u, dat gij dit huis verlaat.
SHERIFF. Terstond, mylord. Bij dezen straatroof hebben Twee heeren ruim driehonderd mark verloren.
PRINS HENDRIK. Dat moog' zoo zijn. Als hij dien roof bedreef, Het worde op hem verhaald;--en nu vaarwel!
SHERIFF. Genadig heer, een goede nacht!
PRINS HENDRIK. 't Mag wel reeds "goeden morgen" zijn, niet waar?
SHERIFF. Ja, juist, mylord, 't is over tweeën, meen ik.
(De Sheriff en de Voerman af.)
PRINS HENDRIK. Die schelmachtige olieton is zoo bekend als de Paulskerk.--Ga, roep hem voor den dag.
POINS. Falstaff!--Vast in slaap achter het tapijt, en snorkend als een paard.
PRINS HENDRIK. Ja, hoor, hoe zwaar hij ademhaalt. Doorsnuffel zijn zakken eens. (Poins doet het.)--Wat hebt gij gevonden?
POINS. Niets dan papieren, mylord.
PRINS HENDRIK. Laat zien, wat het is; lees ze voor.
POINS (leest).
Item, een kapoen 2 schelling 2 stuivers. Item, saus 4 stuivers. Item, sek, twee stoop 5 schelling 8 stuivers. Item, ansjovis, en sek na 't avondeten 2 schelling 6 stuivers. Item, brood 1/2 stuiver.
PRINS HENDRIK. Wel ontzettend! voor slechts een halven stuiver brood bij deze verschrikkelijke massa sek!--Wat daar verder nog is, steek het bij u; wij zullen dat bij gelegenheid wel eens lezen. Laat hem daar slapen tot het dag is. Ik wil morgen vroeg naar het hof; wij moeten allen in den oorlog, en gij zult een eervolle plaats krijgen. Ik zal dien vetten schelm een commando te voet verschaffen; en ik weet, dat een marsch van een paar honderd pas zijn dood zal zijn. Het geld zal met een goeden bijslag terugbetaald worden. Kom morgen bijtijds bij mij; en nu, goeden morgen, Poins!
POINS. Goeden morgen, beste Heer!
(Beiden af.)
DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Bangor. Een vertrek in het huis van den Aartsdeken.
Heetspoor, Worcester, Mortimer en Glendower komen op.
MORTIMER. 't Verbond is zeker, de beloften schoon, En heel ons voorspel vol van blijde hoop.
HEETSPOOR. Lord Mortimer en neef Glendower, ik bid u, Neemt plaats!-- Ook gij, oom Worcester!--Wat! de duivel haal' mij! Ik heb de kaart vergeten.
GLENDOWER. Neen, hier is zij. Neem plaats, neef Percy; zet u, beste Heetspoor; Wel best! want telkenmaal, dat Lancaster Met dezen naam u noemt, Verbleekt zijn wang, en met een diepen zucht Wenscht hij u in den hemel.
HEETSPOOR. U in de hel, zoo dikwijls Owen Glendower Genoemd wordt in zijn bijzijn.
GLENDOWER. En wel te recht. Des hemels aanschijn was In mijn geboortenacht vol vuurgestalten En laaie toortsen; mijn verschijnen deed Der aarde bouw en zwaren grondslag rillen Gelijk een lafaard.
HEETSPOOR. Wel, dat zou op dien zelfden tijd ook gebeurd zijn, als uw moeders kat jongen geworpen had, al waart gijzelf nooit geboren.
GLENDOWER. Ik zeg, dat de aard bij mijn geboorte rilde.
HEETSPOOR. En ik zeg, de aard had niets van mijn natuur, Als gij gelooft, dat zij, u vreezend, trilde.
GLENDOWER. De hemel stond in vlammen, de aarde beefde.
HEETSPOOR. Dan rilde de aarde, wijl zij heel den hemel In vuur zag, niet uit vrees om uw geboorte. Niet zelden breekt een ziekte der natuur In dolle krampen uit; de zwangere aard Wordt vaak, als door koliek gekweld, genepen; Lucht, damp, die woelt en werkt, is in haar schoot Alsdan bekneld, en schokt, bevrijding zoekend, Oudmoeder aarde, en stort aloude burgen En torens neêr in puin. Bij uw geboorte Werd onze bestemoêr door zulk een aanval Van pijn geschokt.
GLENDOWER. Van vele mannen, neef, Zou ik dien spot niet dulden. Sta mij toe, Nog eens te zeggen, dat bij mijn geboorte Het hemelwelf vol vuurgestalten was; De geiten holden van 't gebergt', de kudden Verschrikten door haar vreemde kreten 't veld. Die teekens stemp'len mij als ongemeen, En heel de loop mijns levens toont, dat ik Niet op de rol sta der gewone menschen. Waar leeft de man,--omsloten door de zee, Die Englands, Wales' en Schotlands kusten beukt,-- Die iets mij leerde, mij zijn kweek'ling noemt? Stel hèm voor mij, die, slechts een vrouwe-zoon, Mij op de zware baan der kunst kan volgen, Zich met mij meet in diepe wetenschap.
HEETSPOOR. Dat niemand beter Welsch spreekt, neem ik aan. Ik ga aan tafel.
MORTIMER. Stil toch, neef Percy, zóó maakt gij hem dol.
GLENDOWER. Ik roep uit woeste diepten geesten op.
HEETSPOOR. Welnu, dat kan ik ook, dat kan een ieder; Maar komen ze inderdaad, als gij hen roept?
GLENDOWER. Nu, 'k leer u, neef, den duivel te bezweren.
HEETSPOOR. En ik u, neef, den duivel weg te bannen Door waarheid; roep hem waarheid toe, hij vlucht.-- Vermoogt gij hem te roepen, breng hem hier, Ik zweer, ik overmag hem, spot hem weg. 't Gaat door; zeg hem de waarheid, en hij vlucht!
MORTIMER. Kom, kom; Staakt dit gepraat, dat ons niet verder brengt.
GLENDOWER. Driemaal heeft Hendrik Bolingbroke den strijd Met mijne macht gewaagd, en driemaal zond ik Hem van de Wye en 't zandig bed des Severns, Bij storm, de kousen op den kop, naar huis.
HEETSPOOR. Wat! ongeschoeid! en dat bij storm en onweer! Hoe blijft hij vrij van koorts, in 's duivels naam?
GLENDOWER. Komt, neemt de kaart nu. Willen we ons gebied Alsnu naar ons verdrag in drieën deelen?
MORTIMER. De aartsdeken heeft voor ons het land alreeds Gedeeld in drie geheel gelijke stukken. England, van Trent en Severn tot hiertoe, Naar 't zuiden en naar 't oosten, is voor mij; Het westen, Wales, aan gene zij der Severns, En al het vruchtbre land, aldus begrensd, Aan Owen Glendower;--aan u, mijn waarde neef, Al 't oov'rige, ten noorden van de Trent. Drievoudig zijn de stukken opgemaakt; En hebben wij die wederzijds bezegeld,-- Wat heden avond nog gebeuren kan,-- Dan trekken wij, neef Percy, gij en ik Alsook mylord van Worcester, morgen op, Om uwen vader en het Schotsche leger Te Shrewsbury, naar afspraak, aan te treffen. Mijn vader hier is nog wel niet gereed, Doch veertien dagen is zijn hulp te missen.-- En in dien tijd hebt gij toch uw vazallen, Uw vrienden en uw magen wel bijeen?
GLENDOWER. Een korter tijd brengt mij, mylords, tot u; En onder mijn geleide ook uwe vrouwen. Nu sluipt gij weg en zegt haar geen vaarwel; Want anders zou een vloed van tranen stroomen, Bij 't afscheid, dat gij van uw vrouwen neemt.
HEETSPOOR. Mij dunkt, dat mijn deel, noord'lijk hier van Burton, Niet een der uwe in omvang evenaart. Ziet, hoe de stroom, hier in mijn land zich kronk'lend, Een groote halve maan, een reuzenbrok, En dat van de' allerbesten grond, er uit snijdt. Ik wil, dat hier de stroom worde afgedamd; En in een nieuwe bedding vloeie hier Dan vrij en recht de heldre, zilv'ren Trent; Met zulk een bocht zal die zich hier niet krommen, Dat zij mij zulk een rijken grond ontkaapt.
GLENDOWER. Niet krommen? 't Moet en zal; gij ziet, zij doet het.
MORTIMER. Ja, maar ziet, Hoe hier de stroom zijn richting neemt, bij mij In 't land dringt en geheel ten uwen bate Van 't overland zoo veel aan mij ontfutselt, Als hij aan de' andren kant aan u ontneemt.
WORCESTER. Men graaft hem hier met weinig kosten door En wint in 't noorden lichtlijk deze landtong; Dan zijn de scherpe bochten weg.
HEETSPOOR. Ik wil 't; met weinig kosten is 't gedaan.
GLENDOWER. 'k Wil niets veranderd hebben.
HEETSPOOR. Wilt gij 't niet?
GLENDOWER. Neen, en gij doet het niet.
HEETSPOOR. Wie zal 't verbieden?
GLENDOWER. Nu, dat zal ik.
HEETSPOOR. Laat mij u niet verstaan, En zeg het in het Welsch.
GLENDOWER. Ik spreek, heer, Engelsch, even goed als gij, En werd zelfs opgevoed aan 't Engelsch hof, Waar ik, nog jong, voor menig Engelsch lied Een lieflijk tokk'len van de harp ontwierp, En aan de tong een hulprijk siersel schonk; Nooit heeft men zulk een gave in u herkend.
HEETSPOOR. Daarover, neef, verheug ik mij van harte, 'k Waar' liever nog een katje en riep miaauw, Dan een van die kling-klang-balladekramers; 'k Wil liever koop'ren luchters hooren draaien, Of ongesmeerde wagenraadren knarsen; Daar klemde ik zoo mijn tanden niet van saâm, Als van die lisp'lend zoete poëzie; Die is me, als 't draven van een stijven knol.
GLENDOWER. Nu goed, verleg de Trent dan maar.
HEETSPOOR. 't Is me onverschillig; driemaal zooveel land Geef ik den eersten, besten, trouwen vriend; Maar geldt het een verdrag of koop, let wel, Dan twist ik om het tiende van een haar. Zijn onze stukken klaar? en gaan we op weg?
GLENDOWER. 't Is held're maan, gij kunt van nacht nog gaan; Ik zal den schrijver haasten en ga tevens De vrouwen op uw afreis voorbereiden. Want, o, ik ducht, mijn dochter wordt waanzinnig Zoozeer is ze aan haar Mortimer gehecht.
(Glendower af.)
MORTIMER. Neef Percy, foei, wat dwarsboomt gij mijn vader!
HEETSPOOR. Ik kan 't niet laten; soms maakt hij mij toornig Door wat hij mij vertelt, van mier en mol, Van droomer Merlin en zijn profetieën, Van draken, van een vinnenloozen visch, Een raaf, die ruit, een grijp, geknot van wieken, Een leeuw, die rust, een kat, die sluipt en springt, En zooveel wirrelwarrig tuig, dat ik Geheel verheidend word. Denk,--gistren avond Hield hij mij vast, ten minste negen uren, Met al de duivels op te noemen, die Hem dienstbaar zijn; 'k riep: "Hum!" en "goed, ga voort", Doch lette op niet één woord. Men wordt hem moede, Meer dan een struik'lig paard, een kijvend wijf, Een rook'rig huis. O veel, veel liever zou ik Op kaas en knoflook zitten, in een molen, Dan lekker smullen en zijn praatjes hooren In eenig lustslot van de christenheid.
MORTIMER. Hij is, geloof me, een waardig edelman, Van veel belezenheid en door-ervaren In diepe kunsten, dapper als een leeuw, Gezellig en in mildheid onuitputt'lijk Als Indiës mijnen. Moet ik 't zeggen, neef? Hij koestert eerbied voor uw fieren geest, En doet zijn eigen aard, als gij zijn wenschen Zoo dwarsboomt, veel geweld aan, ja, dat doet hij. 'k Verzeker u, op aarde leeft geen mensch, Die zoo hem tarten mocht, als gij het deedt, En niet gevaarlijk wierd te recht gewezen; Doch waag het niet te vaak, dit smeek ik u.
WORCESTER. Voorwaar, mylord, uw hoofdigheid is laakbaar; Gij hebt sinds uwe komst genoeg gedaan, Om zijn geduld volkomen uit te putten. Die fout, heer, moet gij leeren overmeest'ren; Zij geev' soms blijk van fierheid, adel, moed,-- In zoo ver kan zij u tot sieraad zijn,-- Doch al te vaak verraadt zij felle woede, Ruwheid van doen, gebrek aan zelfbeheersching, Trots, nederzien op and'ren, eigenwijsheid; En zij zelfs met het kleinst gebrek uit deze Een edelman behept, dit rooft hem steeds Der menschen hart, en werpt ook op den glans Van al zijn verd're deugd een booze vlek, Die haar van welverdienden lof versteekt.
HEETSPOOR. Nu, 'k heb mijn les; geluk met hofmanieren! Ziet, onze vrouwen; laat ons afscheid nemen.
(Glendower komt terug, met de Vrouwen.)
MORTIMER. Dit is voor mij een dood'lijk grievend leed: Mijn vrouw verstaat geen Engelsch, ik geen Welsch.
GLENDOWER. Mijn dochter weent; zij wil van u niet scheiden; Zij wil soldaat zijn, wil met u in 't veld.
MORTIMER. Mijn vader, zeg haar, dat zij met nicht Percy Ons onder uw geleide weldra volgt.
(Glendower spreekt met zijn dochter in het Welsch, en zij antwoordt in dezelfde taal.)
GLENDOWER. Zij is als dol, een lastig, koppig schepsel, Dat voor geen overreding vatbaar is.
(Zij spreekt tot Mortimer in het Welsch.)
MORTIMER. O, ik versta uw blik, dat lieflijk Welsch, Dat uit uw zwaar bewolkte heem'len stroomt, Ken ik te goed; en als ik mij niet schaamde, Gaf ik u antwoord in dezelfde taal.
(Zij spreekt weder.)
'k Versta ook uwen kus, als gij den mijnen, En dat is een gevoelvol onderhoud; Doch nimmer wil ik ledigloopen, lieve, Eer ik uw taal geleerd heb; want uw tong Maakt Welsch zoo zoet als hooggestemde lied'ren, Die bij haar luit een schoone koningin Verrukk'lijk zingt in 't zomer-lustprieel.
GLENDOWER. Als gij ook wegsmelt, wordt zij gansch waanzinnig.
(Zij spreekt weder.)
MORTIMER. Die taal! 'k ben één en al onwetendheid!
GLENDOWER. Zij wenscht, gij vlijt u op het weeld'rig bies; En legt uw dierbaar hoofd in haren schoot, Dan wil zij u uw liev'lingsliedjes zingen, Den god des slaaps bekronen op uw oogleên, Uw bloed betoov'rend met een zoete loomheid, Zóó lieflijk slaap en waken bij u scheiden, Als tusschen dag en nacht de scheiding is, Het uur, voordat des hemels zonnespan In 't oosten zijnen gouden tocht begint.
MORTIMER. Van harte gaarne zit ik neer en luister; In dien tijd, hoop ik, komt ons stuk gereed.
GLENDOWER. Doe dat; de muzikanten, Die voor u spelen zullen, zweven thans Op duizend mijlen afstands in de lucht, Doch zullen daad'lijk hier zijn. Zit en luister.
HEETSPOOR. Kom, Kaatje, gij verstaat de kunst om u neer te vlijen ook; kom, vlug, vlug! ik wil mijn hoofd in uw schoot leggen.
LADY PERCY. Loop, gij malle gans!
(Muziek laat zich hooren.)
HEETSPOOR. Nu merk ik, dat de duivel Welsch verstaat; En 't is geen wonder, dat hij luimen heeft; Hij is, bij God, een goede muzikant.
LADY PERCY. Dan moet gij door en door muzikaal wezen, want gij wordt geheel door uw luimen geregeerd. Lig stil, gij schelm, en hoor hoe de Lady Welsch zingt.
HEETSPOOR. Ik hoorde liever Lady, mijn brak, Iersch huilen.
LADY PERCY. Wilt gij een gat in uw hoofd hebben?
HEETSPOOR. Neen.
LADY PERCY. Wees dan stil.
HEETSPOOR. Ook niet; dit is een vrouwengebrek.
LADY PERCY. Nu, God help' u!
HEETSPOOR. In het bed der Welsche Lady?
LADY PERCY. Wat zegt gij?
HEETSPOOR. Stil! zij zingt.
(Lady Mortimer zingt een Welsch lied.)
Kom, Kaatje, nu moet gij eens voor mij zingen.
LADY PERCY. Ik niet, in vollen ernst niet.
HEETSPOOR. "Ik niet, in vollen ernst niet!" Mijn hartje, gij zweert als een banketbakkersvrouw: "Gij niet, in vollen ernst niet!" en "Zoo waar ik leef!" en "Zoo waar mij God helpe!" en "Zoo waar de lieve zon schijnt!"
En geeft zoo taffen eedwaarborg, als waart gij Nooit verder weg geweest dan Finsbury. Zweer als een edelvrouw, zooals gij zijt, Een vollen eed, die klinkt,--en laat "In ernst" En zulke peperkoekbetuigingen Aan fulpgalons en zondagsburgers over. Kom, zing!
LADY PERCY. Ik wil niet zingen.
HEETSPOOR. 't Is de naaste weg naar het snijderworden of roodborstjes africhten.--Als de stukken klaar zijn, wil ik binnen twee uren weg; kom dus binnen, als ge wilt.
(Heetspoor af.)
GLENDOWER. Kom, kom, lord Mortimer, gij gaat zoo traag, Als deze heethoofd Percy vurig ijlt. De stukken zijn nu wis gereed; wij zeeg'len En dan terstond te paard!
MORTIMER. Van ganscher harte.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in het paleis.
Koning Hendrik, Prins Hendrik en Lords komen op.
KONING HENDRIK. Verlaat ons, Lords; de prins van Wales en ik Wij hebben een vertrouw'lijk onderhoud; Doch blijft nabij, straks zullen we u behoeven.
(De Lords af.)
Ik weet niet, of het God zoo heeft beschikt Voor ongevall'ge diensten, die ik deed, Dat hij, naar zijn verborgen raad, een geesel En straf mij uit mijn eigen bloed verwekt; Doch gij doet mij, door heel uw levenswandel, Gelooven, dat gij uitgelezen zijt Tot heete wraak, als strenge roê, des hemels, Om mijne schuld te straffen. Zeg mij anders, Hoe zulke bandelooze, lage driften, Een zoo armzalig, voos, onwaardig streven, Een zoo onvruchtb're lust en woest verkeer, Als waar gij aan verknocht zijt, mee vergroeid, De hoogheid van uw bloed verzellen konden, Ooit konden reiken tot uw vorstenhart?
PRINS HENDRIK. Veroorloof, uwe hoogheid! 'k Wenschte, dat ik Van iedre smet mij zoo bevrijden kon, Als ik mij buiten twijfel rein kan wasschen Van meen'ge zonde, mij te last gelegd; Doch laat mij toch om die verschooning smeeken, Dat ik, eerst tal van sprookjes logenstraffend,-- Zooals het oor van grootheid vaak moet hooren Van plasdankzoekers en van nieuwtjesventers,-- Voor enkle ware zaken, die mijn jeugd Loszinnig, buiten 't spoor geraakt, beging, Vergiff'nis vind om mijn oprechte erkenning.