Part 2
HEETSPOOR. Hij wil, waarachtig, al mijn krijgsgevang'nen; En toen ik nogmaals aandrong op den vrijkoop Van mijn vrouws broeder, werd hij bleek als asch, En richtte op mij een strakken lijkenblik, Bij de' enklen naam van Mortimer reeds sidd'rend.
WORCESTER. Ik kan 't in hem niet gispen; heeft niet Richard, Die dood is, hem als naaste in 't bloed erkend?
NORTHUMBERLAND. Gewis, ik hoorde zelf de proclamatie; Het was, toen de arme koning--God vergeev' Ons onze zonden jegens hem!--den krijgstocht Naar Ierland ondernemen ging, van waar Hij door wat hier gebeurde wederkwam, Om afgezet en dra vermoord te worden.
WORCESTER. En om wiens dood der wereld luide stem Ons schuldig noemt en smaad'lijk van ons spreekt.
HEETSPOOR. Niet verder, bid ik; zeg, heeft koning Richard Mijn broeder Edmund Mortimer erkend Als erfgenaam des troons?
NORTHUMBERLAND. Ja, 'k hoorde 't zelf.
HEETSPOOR. Dan is zijn neef, de koning, niet te gispen, Die liefst hem hong'ren zag op 't kaal gebergt. Doch hoe kunt gij, die den ondankb'ren man De kroon op 't hoofd gezet hebt, en om hem De booze schandvlek draagt, dat gij tot moord Hem aangeprikkeld hebt, kunt gij een wereld Van vloeken u getroosten, alsof gij Zijn helpers waart, zijn lage loonbedienden, Zijn stroppen, ladder of veeleer zijn beulen?-- Vergeef mij, dat ik tot die diepte daal, Om u te wijzen, welk een plaats en rang Gij onder dezen sluwen koning inneemt!-- Moet men, o schande, in deze tijden zeggen, Of in kronieken voor de toekomst boeken, Dat mannen van uw adel, uwe macht, Zich beiden voor een slechte zaak verpandden,-- Zooals gij beiden, God vergeve 't! deedt,-- Om Richard, de eed'le zoete roos, te wieden, En deze hondsroos, Bolingbroke, te planten? En zal men, tot nog dieper schande, zeggen, Dat hij, voor wien gij al dien smaad verdroegt, U wegstiet, uitlachte en u van zich schudde? Neen, nog is 't tijd, om uw verbannen eer Weer vrij te koopen, door uw doen op nieuw Der wereld liefde en achting u te winnen, Den smaad en hoonende' overmoed te wreken Des trotschen konings, die nu, dag en nacht, De schuld, aan u te kwijten, tracht te delgen, Al ware 't met het losgeld van uw dood. Daarom, dit zeg ik,--
WORCESTER. Stil, neef, ga niet voort! 'k Wil thans een heim'lijk boek u openslaan En aan uw snel begrijpend ongenoegen Een zaak doen lezen, diep en hoogstgevaarlijk, Halsbrekend, die een moed vereischt, zoo groot, Als om op 't wankel voetpad van een speer Een stroom, die loeit en opbruist, te overschrijden.
HEETSPOOR. Valt hij er in: "Goe nacht, en zink of zwem!" Storm' vrij gevaar van 't oosten naar het westen, Zoo eer het kruist van 't noorden naar het zuid, De worst'ling volgt.--O fierder bruist het bloed Bij leeuwendrijfjacht dan bij 't hazenkloppen!
NORTHUMBERLAND. Hem zweeft een grootsche daad voor, en dit doet Hem alle perken van 't geduld verbreken.
HEETSPOOR. Bij God! het komt een lichte sprong mij voor, De bleeke maan de zilvren eer te ontrukken, Of, nederduikend tot den grond der zee, Waar nooit het peillood tot den bodem reikte, De smorende eer te grijpen bij de lokken, Zoo hij, die haar bevrijdt, met al haar glans Zich zonder mededingers sieren mag; Maar dit halfslachtig bondgenootschap,--weg!
WORCESTER. Een wereld ziet hij, die verbeelding schept, Maar niet wat werk'lijk is, wat hij zien moest.-- Schenk, waarde neef, me een oogenblik gehoor En luister thans!
HEETSPOOR. Ik vraag vergiff'nis.
WORCESTER. Al die eedle Schotten, Die uw gevang'nen zijn,--
HEETSPOOR. Ik houd hen allen. Bij God! niet éénen Schot sta ik hem af; Al kon een Schot zijn ziele redden, neen, Geen enk'len Schot, bij deze rechterhand!
WORCESTER. Gij draaft aldoor en let niet op mijn plannen; Die krijgsgevang'nen houdt gij.
HEETSPOOR. Ja, bepaald! Hij zeide, Mortimer koopt hij niet vrij, Verbood mijn tong, van Mortimer te spreken; Maar ik bezoek hem, als hij ligt en slaapt, En in zijn ooren schreeuw ik: Mortimer! Ja, Ik koop een spreeuw, dien ik wil leeren spreken, Maar niets dan "Mortimer", en geef hem dien, Om steeds zijn gramschap aan te wakk'ren.
WORCESTER. Maar hoor toch, neef, een woord!
HEETSPOOR. 'k Zweer plechtig hier elke andre studie af, Dan 't nijpen, tergen van dien Bolingbroke; En aan dien smijtersbaas, dien prins van Wales,-- Als ik niet dacht, dat hem zijn vader haat En gaarne een onheil hem zag overkomen, Ik reikte in een kan bier hem dood'lijk gif.
WORCESTER. Vaarwel, neef; eerlang zal ik met u spreken, Als gij eens meer gezind tot luist'ren zijt.
NORTHUMBERLAND. Wat wesp heeft u, onstuim'ge dwaas, gestoken, Dat ge in een vlaag van vrouwenwoede losbreekt, En 't oor aan geene tong dan de uwe leent?
HEETSPOOR. Ja, ziet, zweepstriemen voel ik, roedeslagen, Brandnetels, mierensteken, bij den naam Van dezen lagen staatsvos Bolingbroke. In Richards tijd,--hoe noemt gij ook het slot?-- De duivel hale 't!--'t is in Glostershire,-- 't Was, waar zijn oom, de dwaze hertog, huisde, Zijn oom van York,--waar ik voor 't eerst de knie Boog voor dien glimlach-koning Bolingbroke,-- Vervloekt!-- Toen gij en hij van Ravenpurg terugkwaamt;--
NORTHUMBERLAND. Slot Berkley.
HEETSPOOR. Juist, daar was het. Nu, welk een suikerberg van hofflijkheid Bood toen die hazewind mij kwisp'lend aan! "Als zijn nog teer geluk eens mondig werd," En--"lieve Hendrik Percy,"--en: "mijn waarde;"-- Wierd hij een schim, die waarde!--God vergeev' mij!-- Deel, oom, uw plan mij mee; ik heb gedaan.
WORCESTER. Nu, hebt gij 't soms nog niet, ga nu dan voort; Wij kunnen wachten.
HEETSPOOR. Neen, ik heb gedaan.
WORCESTER. Nog eens dan van uw Schotsche krijgsgevang'nen. Geef daad'lijk allen zonder losgeld vrij, En maak u Douglas' zoon tot middel, om In Schotland volk te werven; wat, geloof mij, Om reed'nen, die ik u op schrift zal geven, Gewillig u gegund wordt. (Tot Northumberland.) En, mylord, Terwijl uw zoon in Schotland dit bewerkt, Moet gij u heim'lijk nest'len in het hart Van den beminden waardigen prelaat, Den aartsbisschop.
HEETSPOOR. Van York, niet waar?
WORCESTER. Ja, die kan niet verkroppen Zijns broeders dood in Bristol, van lord Scroop. Ik zeg dit niet op los vermoeden, niet Naar wat mij moog'lijk schijnt, neen, maar ik weet, Wat lang beraamd, gewikt, besloten is, En enkel wacht, wanneer 't gelaat zich toont Van 't gunstig uur, dat tot het hand'len wenkt.
HEETSPOOR. Ik ruik het al; Zoo waar ik leef, 't zal gaan, voortreff'lijk gaan.
NORTHUMBERLAND. Gij koppelt alweer los, eer 't wild nog rijst.
HEETSPOOR. Neen, 't moet en zal een prachtige aanslag zijn.-- En dan de macht van Schotland en van York Met Mortimer vereend, ha?
WORCESTER. Zeker, zoo.
HEETSPOOR. Voorwaar, het is voortreff'lijk uitgedacht.
WORCESTER. En wat tot spoed ons noopt, is niets gerings: Om 't hoofd te bergen stellen we ons aan 't hoofd; Want hoe gedwee en rustig we ons gedragen, Steeds acht de koning zich bij ons in schuld, En denkt, dat wij ons onbevredigd achten, Tot hij voor goed eens met ons af kan reek'nen. En ziet eens, hij begint alreeds en doet Ons vreemd'ling zijn voor zijn genadeblikken.
HEETSPOOR. Dat doet hij, ja; wij willen 't op hem wreken.
WORCESTER. Vaarwel nu, neef. Maar doe geen enklen stap, Dan op den weg, dien ik u schriftlijk aanwijs. Is eens de tijd gerijpt,--wat spoedig zijn zal,-- Dan sluip ik naar Glendower en Mortimer, Waar Douglas, gij en onze gansche macht Naar mijn bestel blijmoedig zich verzaam'len, Om ons geluk, dat thans ons dreigt te ontgaan, Met eigen sterke vuisten vast te houden.
NORTHUMBERLAND. Vaarwel, mijn broeder; ik vertrouw, wij slagen.
HEETSPOOR. Vaarwel, oom.--Tijd, vlieg om, tot 's vijands bloed Ons jachtveld kleurt, zijn roch'len ons begroet!
(Allen af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Rochester. Het binnenhof van een herberg.
Een Voerman komt op, met een lantaren.
EERSTE VOERMAN. Hola!--Als het niet op slag van vieren is, laat ik me hangen; de Groote Wagen staat al boven den nieuwen schoorsteen, en nog is ons paard niet gepakt. Kom toch, stalknecht!
STALKNECHT (van binnen). Ja, ja, ik kom.
EERSTE VOERMAN. Zeg, Tom, klop Hans zijn zadel gelijk en steek een paar vlokken wol onder den knop; de arme knol is aan de schoft gedrukt als ik weet niet wat.
(Een tweede Voerman komt op).
TWEEDE VOERMAN. De erwten en boonen zijn hier zoo muf als een hond, en dat is de ware manier om aan de arme knollen wurmen te bezorgen. Dit huis is het onderste boven gekeerd, sinds Jaap de stalknecht dood is.
EERSTE VOERMAN. Die arme kerel! hij had geen vroolijk uur meer sinds de haver zoo opsloeg; dat was zijn dood.
TWEEDE VOERMAN. Ik geloof, dat dit wel het beroerdste huis is op den geheelen Londenschen weg, wat de vlooien betreft; ik ben zoo gestoken als een zeelt.
EERSTE VOERMAN. Als een zeelt? Voor den duivel, geen koning in de christenheid kan erger gebeten zijn dan ik, sinds het eerste hanengekraai.
TWEEDE VOERMAN. Wel, zij gunnen ons ook nooit een pot en dan watert elk onder de schouw; en zoo'n kamerloog broeit vlooien als kikkerschot.
EERSTE VOERMAN. Kom toch, stalknecht! Voor den dag en laat je hangen! kom toch!
TWEEDE VOERMAN. Ik heb een zij spek en twee pakken gember, die ik heel te Charingcross moet afleveren.
EERSTE VOERMAN. God in den hemel! de kalkoenen in mijn korf zijn zoo goed als verhongerd.--Hei, stalknecht!--Haal je de pest! Heb je geen oogen in 't hoofd? kan je niet hooren? Als het niet een loffelijk werk is, even goed als drinken, je de hersens in te slaan, ben ik een hondsvot.--Kom, en laat je hangen! Is er niets op je te bouwen?
(Gadshill komt op.)
GADSHILL. Goeden morgen, voerluî; hoe laat is het?
EERSTE VOERMAN. Ik geloof, twee.
GADSHILL. Ik bid je, leen me even je lantaren, om op stal naar mijn ruin te kijken.
EERSTE VOERMAN. Bedaard wat, bid ik je; ik ken streken, tweemaal zoo goed als die, hoor.
GADSHILL. Leen jij me dan de jouwe, bid ik je.
TWEEDE VOERMAN. Ja, wanneer? tel dat maar op je knoopen af. "Leen me je lantaren!"--waarachtig, eer wil ik je zien hangen.
GADSHILL. Jij voerman, hoe laat denk je te Londen te zijn?
TWEEDE VOERMAN. Vroeg genoeg om met een kaars naar bed te gaan, dat verzeker ik je.--Kom, vriend Joost, wij willen de heerschappen oproepen; zij willen in gezelschap verder, want zij hebben vrij wat bij zich.
(De Voerlieden af.)
GADSHILL. Heidaar, laarzenpoetser!
LAARZENPOETSER (binnen.) Bij de hand, zegt de beurzensnijder.
GADSHILL. Je kunt even zoo goed zeggen: "bij de hand, zegt de laarzenpoetser", want je bent van het beurzensnijden niet verder af dan het aanwijzen van het uitvoeren af is; je doet de geschiedenis aan de hand.
(De Laarzenpoetser komt op.)
LAARZENPOETSER. Goeden morgen, sinjeur Gadshill. Het blijft zoo, als ik gisteren avond je verteld heb; het is een grondbezitter uit de wouden van Kent, die driehonderd mark in goud bij zich heeft; ik heb het hem gisteren avond aan tafel hooren zeggen tegen een van het gezelschap, een soort van rentmeester, die ook een aardig vrachtje bij zich heeft, God weet wat. Zij zijn al op en verlangen brood met eieren; zij willen dadelijk heen.
GADSHILL. Nu, man, als die niet Sint Nicolaas zijn makkers tegenkomen, mag je mijn nek present hebben.
LAARZENPOETSER. Neen, man, ik dank je, bewaar die maar voor den beul, want ik weet, jij dient Sint Nicolaas zoo braaf, als een spitsboef maar doen kan.
GADSHILL. Wat spreek je mij van den beul? als ik moet hangen, maak ik een paar galgen vet; want als ik hang, hangt de oude Sir John er bij en je weet, die is geen hongerlijder. Stil! er zijn nog andere Trojanen, waar je niet van droomt, die voor de grap zich verwaardigen het handwerk eer aan te doen; die zouden, als men ons te nauw op de vingers keek, voor hun eigen goeden naam, alles in het effen brengen. Ik sluit me niet aan bij landloopers te voet, niet bij knuppeldragende schellingafzetters, niet bij dolle, snorrendragende, purperroode moutwurmen: maar bij adel en renteniers; bij burgemeesters en groote hanzen; bij mannen, die hun stand ophouden, die eer zullen toeslaan dan spreken, eer spreken dan drinken, en eer drinken dan bidden; doch neen, hier lieg ik; want ze roepen telkens hun heilige aan: 's lands welvaren; of liever ze roepen het niet aan, maar houden het aan, en het varen in dat schuitje is hun bestaan.
LAARZENPOETSER. Wat! 's lands welvaren hun schuitje? en kunnen ze dat waterdicht houden in boos vaarwater?
GADSHILL. Zeker, zeker, geen gevaar; te rechter tijd weten zij te stoppen en te smeren, waar het noodig is. Wij stelen als achter een wal, schootvrij; wij hebben het recept van varenzaadjes, wij zwerven onzichtbaar om.
LAARZENPOETSER. Nu, op mijn woord, ik geloof, dat je het meer aan de nacht dan aan het varenzaad te danken hebt, dat je onzichtbaar rondzwerft.
GADSHILL. Geef me de hand; je zult je deel in onze winst hebben, zoo waar ik een eerlijk man ben.
LAARZENPOETSER. Geef het me liever, zoo waar je een spitsboef bent.
GADSHILL. Loop rondom; homo is een algemeene naam voor alle menschen. Zeg den stalknecht, dat hij mijn ruin uit den stal haalt. Vaarwel, smerige schobbejak!
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
De groote weg bij Gadshill.
Prins Hendrik en Poins konen op; Bardolf en Peto, op een afstand.
POINS. Kom, wegschuilen, wegschuilen! ik heb Falstaff's paard ter zijde geleid, en hij knarst als gesteven fluweel.
PRINS HENDRIK. Op zijde!
(Falstaff komt op.)
FALSTAFF. Poins! Poins! naar de galg met je! Poins!
PRINS HENDRIK. Stil toch, gemeste rakker! wat is dat voor een getier, dat je maakt?
FALSTAFF. Waar is Poins, Hein?
PRINS HENDRIK. Hij is boven op den heuvel geklommen; ik wil hem zoeken.
(Hij houdt zich, alsof hij Poins zoekt.)
FALSTAFF. Het is een vloek, in gezelschap van dien spitsboef uit rooven te gaan; de rakker heeft mijn paard verdonkeremaand en ik weet niet waar vastgebonden. Als ik nog vier voet, met den duimstok gemeten, te voet ga, zal ik bersten. Nu ik hoop met dat al een eerlijken dood te sterven, als ik ten minste niet gehangen word om het ombrengen van dien schoft. Ik heb nu sinds twee en twintig jaren ieder dag en uur zijn gezelschap afgezworen, en toch ben ik nog altijd met het gezelschap van dien schoft behekst. Als die schurk me geen drankjes heeft ingegeven, dat ik van hem houden moet, laat ik mij hangen; het kan niet anders, ik heb drankjes ingekregen.--Poins!--Hein!--Loopt alle twee naar den duivel!--Bardolf!--Peto!--Ik wil van honger sterven, eer ik een voet verder ga rooven. Als het niet even verdienstelijk als drinken is, een eerlijke kerel te worden en die schurken te verlaten, ben ik de grootste lomperd, die ooit tanden had om te bijten. Tien ellen oneffen grond te voet zijn voor mij zes dozijn mijlen en meer, en die booswichten met steenen harten weten dat maar al te goed. Naar den duivel er mee, als dieven onder elkaar niet eerlijk kunnen zijn. (Er wordt gefloten.) Wuwu!--Naar den duivel met je allen! Geeft mij mijn paard, schelmen! Geeft mij mijn paard en laat je hangen!
PRINS HENDRIK. Stil, dikbuik! leg je neer; leg je oor vlak op den grond, en luister of je niet het stappen van reizigers hoort.
FALSTAFF. Heb je hefboomen, om mij weer op te richten, als ik eens lig? Alle duivels, ik wil mijn eigen vleesch nooit meer zoo ver te voet voortsleepen, voor al het geld in je vaders schatkamer niet! Loop naar de weêrgâ, 't is uit tusschen ons, je hebt het voor goed bij mij verknold.
PRINS HENDRIK. Wat reutel je, verknold? ontknold, dat ben je.
FALSTAFF. Ik bid je, beste prins Hein, help mij weer aan mijn paard, mijn lieve koningszoon!
PRINS HENDRIK. Loop, schelm! moet ik je stalknecht zijn?
FALSTAFF. Nu dan, hang je zelven op aan je eigen vermoedelijke-troonopvolgers-kousebanden! Als ze mij krijgen, verklik ik alles. Als ik niet zorg, dat ze straatliedjes maken op jullie allen, en die op gemeene deuntjes zingen, mag ik vergiftigd worden met een roemer sek. Als een grap ver gaat, en dat nog wel te voet, heb ik er een afschuw van.
(Gadshill komt op.)
GADSHILL. Sta!
FALSTAFF. Dat doe ik, tegen mijn zin.
POINS. O, het is onze speurhond; ik ken zijn stem.
(Bardolf komt op.)
BARDOLF. Wat is er?
GADSHILL. Gezichten weg, de maskers voor! daar komt geld van den koning den heuvel af, het gaat naar 's konings schatkamer.
FALSTAFF. Dat liegt ge, schelm; het gaat naar 's konings wijnhuis.
GADSHILL. Het is genoeg, om ons allen--
FALSTAFF. Aan de galg te helpen.
PRINS HENDRIK. Mannen, jullie vieren valt hen aan in den hollen weg; Poins en ik gaan verder naar beneden; als zij den aanval boven ontsnappen, loopen zij ons in den mond.
PETO. Met hun hoevelen zijn zij?
GADSHILL. Acht of tien ongeveer.
FALSTAFF. Verduiveld, zullen zij òns niet plunderen?
PRINS HENDRIK. Wat, een lafaard, Sir John Dikpens?
FALSTAFF. Nu, zijn magerheid, Jan van Gent, uw grootvader, ben ik niet, maar toch geen lafaard, Hein.
PRINS HENDRIK. Nu, de proef zal 't leeren.
POINS. Vriend Hans, je paard staat achter de heg; als je het noodig hebt, vind je het daar. Vaarwel en houd je goed.
FALSTAFF. Nu kan ik hem toch niet ranselen, al stond er de galg op.
PRINS HENDRIK (ter zijde tot Poins). Edu, waar zijn onze vermommingen?
POINS. Hier vlak bij, kom hier ter zijde.
(Prins Hendrik en Poins af.)
FALSTAFF. Nu mannen, wie waagt, die wint, zeg ik, alle man nu aan 't werk!
(Reizigers komen op.)
EERSTE REIZIGER. Kom buurman, de jongen kan onze paarden den heuvel afleiden; wij willen een poos te voet gaan om ons wat te vertreden.
DE ROOVERS. Staat!
DE REIZIGERS. Heere Jezus! help ons!
FALSTAFF. Slaat toe! op den grond met hen! snijdt aan de schurken den hals af! O dat vervloekte uitzuigersgeboefte! spekvreters! zij verfoeien ons, jong volk! scheert hun de wol af!
DE REIZIGERS. O, wij zijn verloren, wij en de onzen, voor altijd!
FALSTAFF. Laat je hangen, smeerbuikige schoften! Jullie verloren? Neen, vette korenwolven, ik wenschte, dat wij je voorraad hier hadden. Voort, spekkerels, voort! Wat, schelmen! jonge menschen moeten ook leven. Gezworenen ben je ook, niet waar? Nu, wij zullen je bezweren, hoor je!
(Falstaff en de Overigen af, de Reizigers voor zich uit drijvend.)
(Prins Hendrik en Poins komen weer op, verkleed.)
PRINS HENDRIK. De dieven hebben de eerlijke lui gebonden. Als wij tweeën nu de dieven konden berooven en lustig naar Londen trekken, zou dat stof tot onderhoud geven voor een week, gelach voor een maand, en een prachtige grap voor altoos.
POINS. Ter zijde! ik hoor hen komen.
(De Roovers komen weder op.)
FALSTAFF. Komt, mannen, laat ons deelen, en dan te paard, eer het dag wordt. (Zij gaan allen op den grond zitten.) Als de Prins en Poins niet twee aartslafaards zijn, dan is er geen gerechtigheid meer op aarde; die Poins heeft niet meer dapperheid in het lijf, dan een wilde eend.
PRINS HENDRIK (te voorschijn stortend). Je geld!
POINS. Schurken!
(Terwijl Falstaff en de zijnen aan het deelen zijn, overvallen hen de Prins en Poins. Allen loopen weg, Falstaff na een paar stooten eveneens, hun buit in den steek latend.)
PRINS HENDRIK. Veroverd in een wip! Nu vlug te paard! De roovers zijn verstrooid en zoo van vrees Bezeten, dat zij voor elkaar gaan loopen; Elk hunner houdt zijn makker voor een rakker. Kom meê, vriend Edu. Falstaff zweet zich dood, En spekt de magere aarde, waar hij loopt; 'k Zou hem beklagen, kon ik dat van 't lachen.
POINS. Dat brullen van dien deugniet!
(Beiden af.)
DERDE TOONEEL.
Warkworth. Een vertrek in het slot.
Heetspoor komt op, een brief lezende.
HEETSPOOR.--"Doch, wat mijzelf betreft, mylord, zou ik er mij in kunnen verheugen, daar te zijn, uit hoofde van de liefde, die ik uw huis toedraag." Hij zou er zich in kunnen verheugen,--waarom doet hij het dan niet? Uit hoofde van de liefde, die hij ons huis toedraagt;--intusschen toont hij, dat zijn eigen schuur hem liever is, dan ons huis. Laat mij verder zien: "De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk;" nu, dat is zeker; het is gevaarlijk kou te vatten, te slapen, te drinken; maar ik zeg u, Mylord Zotskap, van dien netel, het Gevaar, plukken wij de bloem Veiligheid. "De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk; de vrienden, die gij noemt, zijn onzeker; de tijd zelf is slecht gekozen en geheel uw plan te licht voor het tegenwicht van zulk een grooten wederstand."--Zegt gij dat? Zegt gij dat? Ik zeg op mijn beurt tot u, dat gij een bekrompen, laffe boerenkinkel zijt, en dat gij liegt. Wat is dat voor een hersenloos wezen! Bij God, ons plan is zoo goed, als er ooit een plan beraamd is; onze vrienden trouw en standvastig: een goed plan, goede vrienden, en veelbelovend; een uitmuntend plan, zeer goede vrienden! welk een bevroren hart heeft die schavuit in het lijf! Wat! Mylord van York keurt het plan en het algeheele beloop van den aanslag goed. Verdoemd, als ik nu bij dien schurk was, kon ik hem met zijn vrouws waaier de hersens inslaan. Is mijn vader er niet bij, en mijn oom, en ikzelf? Lord Edmund Mortimer, mylord van York en Owen Glendower? En is bovendien Douglas er niet bij? Heb ik niet al hun brieven, dat zij zich gewapend met mij zullen vereenigen op den negenden der volgende maand? En zijn zij niet, enkelen van hen, reeds opgerukt? Wat voor een ongeloovige schurk is hij! een heiden! Ha! gij zult zien, in de volle openhartigheid van zijn angst en zijn kleinmoedigheid gaat hij naar den koning om hem al onze aanstalten bloot te leggen. O, ik kon mij splitsen en mijzelf afranselen, dat ik zulk een schotel afgeroomde melk tot zulk een edel werk heb willen bewegen! Aan de galg met hem; hij mag het den koning mededeelen; wij zijn gereed. Ik wil van avond op weg gaan.
(Lady Percy komt op.)
Hoe gaat het, vrouw? ik moet u binnen twee uren verlaten.
LADY PERCY. O mijn gemaal, wat zijt gij zoo alleen? Om welke schuld ben ik sinds veertien dagen Een vrouw, verbannen uit mijn Hendriks bed? Zeg, lieve man, wat is het? wat ontrooft U eetlust, vreugde en uwen gulden slaap? Waarom slaat gij uw oogen zoo ter aard En schrikt zoo vaak, als gij alleen zit, op? Waarom verloort gij 't frissche bloed der wangen, En schonkt mìjn rijk bezit, mijn recht op u, Aan dofziend peinzen en verfoeilijk zwartzien? Ik heb u in uw halven slaap bespied, En hoorde steeds van ijz'ren krijg u momplen, Uw steigrend ros met ruiterwoord en sporen, En roepen: "Op! ten strijde!" Telkens spraakt gij Van uitval, van terugtocht, schansen, tenten, Redoeten, halve manen, parapets, Veldslangen, gotelingen en kanonnen, Gevangnen-vrijkoop en verslagen krijgers, Van heel de wiss'ling van een heeten strijd. Uw geest in u was zoozeer bij den krijg, En heeft u zoo in uwen slaap verhit, Dat parels zweet u op het voorhoofd stonden, Als blazen op een pas verwoeden stroom; En uw gelaat verried een vreemde ontroering, Gelijk een man zijn adem inhoudt, als hem Een grootsch bevel verrast. Wat teek'nen zijn dit? Een zware taak nam mijn gemaal zich voor, En weten moet ik 't, of hij mint mij niet.
HEETSPOOR. Heidaar!
(Een Bediende komt op.)
Is Gilliams weg met het pakket?
BEDIENDE. Sinds ruim een uur, mylord.
HEETSPOOR. En Butler,--bracht hij paarden van den sheriff?
BEDIENDE. Één paard, mylord, bracht hij zoo even hier.
HEETSPOOR. Welk paard? een vos, een kortoor, zoo ik hoop?
BEDIENDE. Die is 't, mylord.
HEETSPOOR. Dien vos kies ik tot troon. Goed, ik bestijg hem daad'lijk. Espérance! Zeg Butler, dat hij in het park hem voorbreng'.
(De Bediende af.)
LADY PERCY. Maar hoor toch, mijn gemaal!
HEETSPOOR. Wat is 't, mijn gemalin?
LADY PERCY. Wat voert u toch van hier?
HEETSPOOR. Wat anders, lieve, dan mijn paard, mijn paard?
LADY PERCY. Och kom, wat apenfratsen! Een wezel zelfs heeft zooveel grillen niet, Als die ù plagen. Op mijn woord, ik wil Uw plannen weten, Hendrik; ja, ik wil 't. Mijn broeder Mortimer, dit vrees ik, roert zich, En maakt weer aanspraak, en zond u zijn boden, Dat gij zijn plannen stijft. Doch gaat gij, lieve,--
HEETSPOOR. Zoo ver te voet, dan, lieve, word ik moede.