Part 16
PRINS JOHN. 'k Wed, England draagt, eer deze dag verjaart, Het lang in burgerbloed gedoopte zwaard Naar Frankrijk heen; een vogel zong dit voor, En streelde, naar mij dacht, des konings oor Komt, gaat gij mee?
(Allen af.)
EPILOOG,
uitgesproken door een Danser.
Eerst mijn vrees, dan mijn buiging, ten laatste mijn aanspraak. Mijn vrees is uw ontevredenheid, mijn buiging mijn plicht, en mijn aanspraak een bede om verschooning. Als gij nu een schoone aanspraak verwacht, dan ben ik verloren; want wat ik te zeggen heb, is van mijn eigen maaksel, en wat ik inderdaad moest zeggen, zal, vrees ik, mijn eigen verderf zijn. Doch ter zake, en dus op goed geluk af. Het zij u dan bekend,--zoo als u het zeer wel bekend is,--dat ik hier onlangs kwam op het eind van een niet welgevallig stuk, om er uw toegevendheid voor in te roepen en u een beter te beloven. Mijn plan was, om u de waarheid te zeggen, u met dit stuk te betalen; en zoo dit, als van een slechte reis, ongelukkig terugkomt, maak ik bankroet en gij, mijn toegenegen schuldeischers, verliest. Hier, heb ik beloofd, zou ik wezen, en hier geef ik mijn persoon aan uw genade over; scheldt mij iets kwijt, en ik betaal u iets; en beloof u, zooals de meeste schuldenaars doen, onmetelijk veel.
Als mijn tong u niet bewegen kan om mij kwijtschelding te verleenen, wilt gij mij dan bevelen, mijn beenen te gebruiken? En toch ware dit slechts een magere betaling, de schuld aan u weg te dansen. Maar een braaf geweten zal de menschen op alle mogelijke wijze willen voldoen; en dit wil ik. Alle edele vrouwen hier hebben mij vergiffenis geschonken; als de edele heeren het nu niet willen, zijn de heeren het met de vrouwen niet eens, en dit is iets ongehoords in zulk een vergadering.
Nog één woord, als het vergund is. Als gij niet te zeer oververzadigd zijt van vet vleesch, zal onze onderdanige schrijver de geschiedenis vervolgen, met Sir John er in, en u verlustigen met de schoone Catharina van Frankrijk; daarin zal ook, voor zoover ik weet, Falstaff zich dood zweeten, als hij niet reeds vooraf door uw harde beoordeeling is omgebracht; want Oldcastle stierf als martelaar en dit is de man niet.
Mijn tong is moede; als mijn beenen het ook zijn, zal ik u goede nacht wenschen. En zoo kniel ik voor u neder; doch, in waarheid, om voor de koningin te bidden.
AANTEEKENINGEN.
Het tweede deel van Hendrik IV sluit zich onmiddellijk aan het eerste deel aan, dat met den slag bij Shrewsbury eindigt, en maakt toch een geheel op zichzelf uit. Heeft het eerste deel ons doen zien, hoe de koning zijn macht met geweld moest handhaven tegen hen, die hem den troon hielpen overweldigen, in dit stuk heeft de koning zijn macht alreeds bevestigd en ook de laatste weerstand wordt gebroken; hij is aan het beoogde doel, maar wordt thans geteisterd door boozer vijanden, dan de opstandelingen waren: door een ziekte, die hem sloopt, door gewetenswroeging, en door de zorg, dat hij het werk zijns levens aan onwaardige handen moet achterlaten, een zorg, die eerst op zijn sterfbed van hem genomen wordt. Als in tegenstelling met dit wegkwijnen des konings zien wij zijn zoon, die met jeugdigen overmoed zich in lagere sferen bewogen had, zich fier verheffen, gereed en in staat, om de verdorvenheid der maatschappij, hem zoo grondig bekend, te beteugelen en te verbeteren, en om door grootsche daden als "ster van Engeland" te glansen.
Daartoe heeft de dichter de gebeurtenissen der laatste negen regeeringsjaren van Hendrik de Vierde (1405-1413) zoo samengedrongen, dat zij als het ware het naspel van den slag van Shrewsbury schijnen te zijn. Inderdaad duurde het twee jaren, eer Northumberland, die na den slag bij Shrewsbury begenadigd was geworden, zich bij den aartsbisschop van York en Thomas Mowbray aansluitend, weder tegen Koning Hendrik IV in verzet kwam. Hoezeer met krachtige manifesten opgetreden en met een belangrijke krijgsmacht in het midden van Engeland staande, lieten de opstandelingen zich door Lord Westmoreland verschalken; de Aartsbisschop en Mowbray werden terechtgesteld, terwijl Northumberland, die wel niet vooraf gevlucht was, maar zeker niet tijdig genoeg krachtig was opgetreden, naar Schotland ontkwam, om met Lord Bardolf, bij een hernieuwden inval in Yorkshire, in 1408 zijn einde te vinden. Des konings oudste zoon was middelerwijl in Wales, en had er vier jaren lang tegen Glendower te strijden, die door den koning van Frankrijk en den Paus als onafhankelijk vorst van Wales erkend was. Ten laatste gelukte het hem, Wales te onderwerpen en Glendower in het noordelijk gebergte van Wales terug te drijven.
Het geluk begunstigde Hendrik IV: de Schotsche troonopvolger was in zijn macht, de binnenlandsche woelingen in Frankrijk lieten hem niet alleen rust in Engeland, maar deden hem in Frankrijk zelfs als scheidsrechter inroepen. Engeland en het huis van Lancaster namen toe in macht. Maar de gebeurtenissen der laatste vijf regeeringsjaren van Hendrik, zijn ondernemingen op het vasteland, zijn maatregelen tegen de Wycliffieten of Lollarden, en zijn verder bestuur worden door Shakespeare niet vermeld. Ook zonder deze kon hij het beeld van den monarch teekenen, die, hoe gelukkig en roemrijk in zijn ondernemingen en zijn bestuur, zijn geluk niet kon genieten, steeds van kommer vervuld was, door zijn geweten steeds van wanbedrijf tegen Richard II beschuldigd werd, en lichamelijk lijden te verduren had, dat hem in 1413, op den leeftijd van 47 jaren, wegsleepte.
Wat zijn zoon betreft, heeft de dichter zorg gedragen, dat de wijze, waarop hij als koning optreedt behoorlijk is voorbereid. Hij verkeert niet meer met Falstaff; als hij een enkele maal nog in Eastcheap verschijnt om zich met den ouden zondaar te verlustigen, is het duidelijk, dat de vroegere kameraadschap niet meer bestaat, en dat de koning hem eigenlijk niet van Falstaff had behoeven te scheiden; de boden zijns vaders worden niet meer als vroeger met een lichtvaardige scherts teruggezonden, maar hij is dadelijk ernstig en een kort "Goede Nacht" is zijn afscheid van Falstaff. Men gevoelt, dat hij hem zal wegwerpen als een boek, dat ter verlustiging alleen gelezen werd. Dat hij recht heeft dit te doen, blijkt wel uit de tooneelen, waarin Falstaff en de zijnen optreden, zoo te Londen als op zijn tocht door het land. En niemand kon beter het land van zulk gespuis, als ons daar wordt voorgesteld, zuiveren, dan hij, die het in al zijn verdorvenheid had leeren kennen, die door den omgang met het booze niet verdorven is, maar versterkt en tot man gerijpt. De handelwijze van den Prins jegens Falstaff bij zijn troonsbeklimming wordt er volkomen door gerechtvaardigd.
Dat het tweede deel van Koning Hendrik IV onmiddellijk na het eerste geschreven is, blijkt onmiskenbaar uit den stijl, de kleur, de geheele wijze, waarop het onderwerp behandeld is. Zeker is het, dat het stuk in 1599 reeds was gespeeld; in Ben Jonson's blijspel Every Man out of his humour, dat in genoemd jaar voor het eerst gegeven werd, treedt een onnoozele hals op, en deze wordt gekenschetst met de woorden: "Dat is een neef van den vrederechter Stil". Ook uit Sh. zelf blijkt het, daar dit stuk aan "Koning Hendrik V" voorafging en dit laatstgenoemde, blijkens den Proloog van het 5de Bedrijf, reg. 30, in 1599 ten tooneele werd gebracht.--In 1600 werd het tweede deel van K. Hendrik IV afzonderlijk uitgegeven, maar hoogst slordig en vol fouten. Deze uitgave werd door geen andere gevolgd, zoodat eerst de Folio-uitgave van 1623 een beteren tekst openbaar maakte.
Pr. 1. De Proloog, Voorafspraak of Inductie, zooals de technische uitdrukking in het oorspronkelijke luidt, werd in Engelsche tooneelstukken meermalen te baat genomen, om het een of ander den toeschouwers te herinneren of te vertellen, wat niet wel op het tooneel voorgesteld kon worden. Bij historische tooneelwerken moest natuurlijk dit middel zeer welkom zijn. Shakespeare laat in "K. Hendrik de Vijfde" ieder bedrijf zelfs van een Proloog voorafgaan; ook "K. Hendrik de Achtste" is van een Proloog voorzien.--Dat hier het Gerucht, of de Faam, een gewaad aan heeft, "met tongen beschilderd", is geheel in den geest van Sh.'s tijd.
Pr. 22. Voor mijn gezin hier. Het publiek in den schouwburg wordt door het Gerucht als zijn gezin beschouwd, wijl het zijn woorden verbreidt en dus in zijn geest werkzaam is.
I. 1. 60. Als de titel eens treurzangs. In Sh.'s tijd hadden treurzangen of berichten van treurige gebeurtenissen een zwart titelblad.
I. 1. 72. Schoof Priamus' gordijn enz. Niet naar Vergilius, waarschijnlijk volgens een tooneelstuk van dien tijd.
I. 2. 1. Wat zegt de dokter van mijn water. In de 16de, 17de, ja, in de 18de eeuw was de piskijkerij voor het erkennen van ziekten zeer in zwang.
I. 2. 17. Alruintje. Een dreumes van de kleinste soort. Vergelijk de aanteek. op "Romeo en Julia" IV. 3. 47. Hetzelfde beteekent het agaatmannetje, een figuur op een agaatsteen, die tot zegelen gebruikt wordt; zie "Romeo en Julia" I. 4. 55.
I. 2. 41. Een ja-waarachtig-schelm. Een kerel, die in plaats van eenvoudig "ja" altijd "ja waarachtig" zegt en toch bedriegt. Zoo wordt in "I Hendrik IV", III. 1. het "In ernst", in sooth, der Londensche burgervrouwtjes ook aangehaald.
I. 2. 58. Paulskerk. In de Paulskerk hielden zich steeds tal van leegloopers op; die daar een bediende huurde, liep veel gevaar bedrogen uit te komen; zoo was Smithfield de beruchtste veemarkt in Engeland. In een boek "The Choice of Change", dat in 1598 verscheen, leest men: "A man must not make choice of these three things in three places: of a wife in Westminster; of a servant in Paul's; of a horse in Smithfield; lest he choose a quean, a knave or a jade". In Knight's Imperial Shakespeare I, p. 592, vindt men nog meer aanhalingen uit gelijktijdige schrijvers.
I. 2. 62. Daar komt de lord, die den Prins liet inrekenen. De opperrechter Sir William Gascoigne zond den Prins in hechtenis, toen deze hem voor het gerecht een slag had gegeven.
I. 2. 141. Een tuchtiging aan uw enkels. In 't Engelsch staat eigenlijk aan de hielen; de straf met het voetblok is bedoeld, welke aan landloopers werd opgelegd. In "Koning Lear" wordt Kent zoo gestraft.
I. 2. 165. Ik ben de dikke blindeman. In 't Engelsch: I am the fellow with the great belly; zeker een toespeling op een bekenden dikken blinde van dien tijd.
I. 2. 183. Waardigheid--baardigheid. In het Engelsch is de woordspeling met gravity en gravy (het sap, dat bij het braden van vleesch er uit drupt).--In den volgenden regel bevat engel weer een zinspeling op de gouden munt.--Iets lager klaagt Falstaff, dat dappere lui, om het leven te houden, als berenoppasser moeten gaan dienen bij een "berenbijt"; in dien tijd was het aanhitsen van honden op beren een zeer geliefd volksvermaak.
I. 2. 237. Met blaasjes spuwen. In 't Engelsch spit white again. Bij drinkers zeide men, dat het speeksel wit werd; zoo staat in Lyly's Mother Bombie: They have sod their livers in sack these fourty years; that makes them spit white broth as they do.
I. 2. 253. Gij staat niet vast genoeg op uw beenen enz. In 't Engelsch: you are too impatient to bear crosses. Crosses beteekent: ongemakken, rampen, en ook munten, waarvan de stempel een kruis vertoont.
I. 2. 258. De Fransjesziekte. Bij Bredero de Françoysen genoemd; elders Spaansche pokken of Napelsche ziekte; in 't Engelsch pox, wel te onderscheiden van de small pox.
II. 1. 27. Hij komt op het monement in den Pasteihoek enz. Vrouw Haastig wijst zoo nauwkeurig aan, waar zij Falstaff buitenshuis kunnen vinden, omdat een schuldenaar niet in zijn woning mag gevat worden. De woordverdraaiingen van vrouw Haastig voor attentaat, molesteeren enz. zijn volstrekt niet gewaagder dan in 't Engelsch, waar infinitive staat voor infinite, continuantly voor incontinently, honeysuckle voor homicidal, honey-seed en hemp-seed voor homicide.
II. 1. 138. Ik zeg u, dat ik van deze gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden. Falstaff geeft blijk, dat hij de wet wel kent; hij roept haar bescherming in, quia profecturus, zooals 't heet.
II. 1. 155. Glazen, glazen, dat is het ware drinken! Falstaff tracht de waardin te beduiden, dat zij gerust haar zilver kan wegdoen, daar men uit glazen nog beter drinkt dan uit zilveren bekers, en ook, dat goedkoope muurschilderingen, in waterverf of fresco, beter zijn dan wandtapijten. (De "Duitsche jacht" zal wel een wilde zwijnen-jacht zijn, zooals in de vertaling is uitgedrukt.)--Falstaff vraagt haar meteen nog weer tien pond te leen; zij biedt hem een derde minder aan, want twintig nobels zijn zes pond dertien schellingen en vier penningen; Falstaff neemt hier genoegen mee, en zorgt, dat Bardolf met haar meegaat, om het geld in ontvangst te nemen.
II. 2. 25. Bij wijze van redmiddel. In de redeneering van den Prins, die den berooiden toestand van Poins schildert, zij hier opgemerkt, dat de uitdrukking they have made a shift dubbelzinnig is, daar shift zoowel uitkomst of redmiddel als vrouwehemd beteekent.
II. 2. 77. Een aap van hem gemaakt heeft. Falstaff heeft den jongen zoo potsierlijk aangekleed, dat hij er als een aap uitziet.
II. 2. 86. Een rood tralievenster. Daaraan waren mindere herbergen te kennen.
II. 2. 96. Althea droomde immers, dat zij van een brandende fakkel beviel. De page verwart hier Althea, de moeder van Meleager, met Hecuba, de moeder van Paris. De laatstgenoemde had dien droom. Aan Althea werd voorspeld, dat haar pasgeboren zoon zou sterven, zoodra een hout, dat op den haard lag, verbrand zou zijn; zij rukte het dadelijk uit het vuur, doofde het uit en bewaarde het zorgvuldig.--De verwarring is van den page, niet van Sh., die blijkens "II Hendrik VI", I. 1. 234. de mythe van Althea wel kende.
II. 2. 99. Een verklaring, die wel een kroon waard is. In 't Engelsch: A crown's worth of good interpretation. Er bestond toen ter tijd een stichtelijk boek of tractaatje: A penny worth of good interpretation, waaraan de toeschouwers aldus schertsenderwijs herinnerd werden.
II. 2. 110. St.-Maartenszomer. Sint Maarten is 11 November; vergelijk Allerheiligenzomer "I Hendrik IV", I. 2. 148.--In 't Engelsch staat alleen Martlemas, de dag van St. Maarten; misschien is het juister, eenvoudig aan te nemen, dat Poins Falstaff zoo noemt, omdat zijn levensjaar welhaast ten einde loopt.--Misschien ook wordt gezinspeeld op het veel eten en drinken op Sint-Maartensdag.
II. 2. 134. De edele Romeinen in hun kortheid. In hun stijl, vooral briefstijl, die met name in het adres, zeer beknopt was.--Let men op het drieledige van den eersten zin: I commend me to thee, I commend thee, and I leave thee, dan zou men vermoeden, dat het veni, vidi, vici hier nagevolgd is.
II. 2. 164. Epheziërs. In Sh.'s tijd, evenals Corinthiërs, vroolijke gasten, drinkebroêrs.
II. 3. 59. Om tot herinn'ring aan mijn eed'len gâ 't Herinn'ringskruid enz. In 't Engelsch staat remembrance, dat zoowel "herinnering" beteekent als "rozemarijn", die bij uitvaarten gestrooid werd, om aan te duiden, dat men de dooden in gedachtenis zou houden. In plaats van "'t herinn'ringskruid" zou men hier ook kunnen lezen: "De roosmarijn" of wel "'t gedacht'niskruid".
II. 4. 2. Pippelingen. Hier staat, evenals in "I Hendrik IV", III. 3. 5. apple John, een appel, die twee jaar bewaard kan worden, maar dan zeer rimpelig wordt.
II. 4. 12. Sluipert zijn muziektroep. In 't Engelsch staat: Sneak's noise. Een troep straatmuzikanten uit dien tijd.
II. 4. 37. "Toen Arthur pas ten hove kwam". Falstaff zingt een oud liedje, van "Lancelot van het meer", dat aldus begon:
"When Arthur first in court began, And was approved king, By force of arms great victories wanne, And conquest home did bring".
Een oogenblik later zingt hij ook "robijnen en karbonkels", in 't Engelsch: "Your brooches, pearls and owches", uit het liedje: "De jongen en de mantel", waarin voorkomt:
"A kirtle and a mantle This boy had him upon, With brooches, rings and owches Full daintily bedone.
II. 4. 74. Vaandrig Pistool. Pistool is door Falstaff tot zijn vaandrig benoemd voor den aanstaanden veldtocht. Dat Falstaff er zulk een zwetsenden lafaard toe koos, werpt een zeer ongunstig licht op hem, zoodat zijn verstooting door zijn ten troon gestegen Hein er volkomen door gerechtvaardigd wordt. Maar hoe dit zij, vermakelijk is Pistool in hooge mate; en bovendien, bij hem vergeleken, is Falstaff bijna een gentleman. Wat Pistool spreekt, is hoofdzakelijk samengeflanst uit bombastische treurspelen, zooals die in Sh.'s tijd op de tooneelen in Londen vaak gegeven werden. Hier en daar komen er gezegden in voor, die ongetwijfeld uit tooneelstukken ontleend, telkens, te pas of te onpas, door velen gebezigd werden, als zij niets anders wisten te zeggen. Ten allen tijde zijn zulke gezegden uit treur- of blijspelen of operetten in omloop geweest, en wij kunnen ons, al zijn ons de stukken, waaraan zij ontleend zijn, thans onbekend, zeer goed voorstellen, welk een genot een publiek, dat den koning Cophetua, of de schoone Calipolis of Irene in levenden lijve op de planken aanschouwd had, bij deze aanhalingen moest smaken.--En men bedenke hierbij, dat in Sh.'s tijd het tooneel een veel belangrijker plaats innam in het leven dan tegenwoordig, daar het met veel minder concurrentie te strijden had, en dat de inhoud der stukken en de meest treffende gezegden der dramatische helden veel algemeener bekend waren, dan thans, over het algemeen ten minste, het geval is.
II. 4. 105. Een makke zwendelaar. Het Engelsche woord is cheater, iemand, die, in het bezit van valsche dobbelsteenen, anderen tot het spel verlokte; in haar antwoord verstaat vrouw Haastig er een escheator onder, een beambte van den fiscus.
II. 4. 127. Ik drink geen bestand en geen kalibers. Vrouw Haastig houdt die geleerde woorden blijkbaar voor namen van likeuren.
II. 4. 169. Eer zie ik haar verdoemd enz. Blijkbaar aanhalingen uit tooneelstukken. Van de vraag: "Is niet Irene hier?" mag men vermoeden, dat zij ontleend is aan een verloren gegaan stuk van George Peele, dat den titel had van: "De Turk Mahomet en Irene, de schoone Griekin". De vraag: "Is hier Irene niet?" komt ook bij andere dichters van Sh.'s tijd voor en schijnt in de mode geweest te zijn. Het weldra volgende: "Zouden zich pakpaarden" enz. is een aanhaling uit Marlowe's "Tamerlan de Groote", die den krijgsgevangen vorsten, welke zijn wagen trekken, toeroept: "Holla, you pampered jades of Asia, What, can you draw but twenty miles a day?" Dat Pistool weinig meer dan den klank der verzen onthoudt, blijkt uit zijn verwarring van Hannibal met kannibalen en zijn verhaspeling van Trojanen met Grieken.--Het weldra volgende vers: "Zoo eet dan en wordt vet, mijn gâ Calipolis", is werkelijk ontleend aan een stuk van den zooeven genoemden Peele, getiteld: "De slag van Alcazar", waarin Muley Mahomet aan zijn gemalin een stuk leeuwenvleesch op de spits van zijn zwaard aanbiedt met de woorden: "Feed then, and faint not, my fair Calipolis", en later aldus: "Feed, and be fat, that we may meet the foe".--Een oogenblik later leest Pistool het motto van zijn zwaard af, daarbij het Fransch: "l'espérance me contente" bedervend, dat op een degenkling werkelijk is aangetroffen.
II. 4. 201. Wij hebben samen het zevengesternte gezien. Wij hebben menige nacht samen gerinkelrooid.
II. 4. 238. De negen Londensche optochthelden. In 't Engelsch: The nine Worthies, "de negen edele helden", ter wille der duidelijkheid in de vertaling eenigszins nader aangewezen. In de feestelijke optochten der stad Londen, van welke die van den Lord Major nog steeds plaats heeft, traden telkens negen helden, drie uit de Oude, drie uit de Joodsche, drie uit de Christelijke geschiedenis op, die bij het volk onder den naam van the nine Worthies bekend waren. Men vindt ze gedeeltelijk vermeld in een der oudere stukken van Shakespeare: "Veel gemin, geen gewin". De negen helden waren: Hector, Alexander de Groote en Julius Cæsar; Jozua, David en Judas Maccabæus; Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon.
II. 4. 266. Hij eet zeepaling en venkel. Een kenmerk van een losbol, dat hij opwekkende spijzen behoeft.--Aangaande het vervolg zij opgemerkt, dat het inslikken, met den wijn, van de eene of andere licht brandbare en brandende stof, b.v. een vlasvlokje, als blijk van verliefdheid, een modedwaasheid was in Sh.'s tijd.
II. 4. 268. En speelt haasje-over met de tappersknechts. And rides the wild mare with the boys. Volgens Douce wordt hier eigenlijk het wippen op een plank mee aangeduid.--Een oogenblik later wordt van fraaie geschiedenissen gesproken. In 't Engelsch staat discreet stories, waar men indiscreet voor discreet heeft willen lezen, maar wat men wel ook kan verklaren: "hij brengt geen stoornis"--in de weinig eerbare conversatie--"door eerzame (of verstandige) geschiedenissen te vertellen".
II. 4. 278. Spekklomp. In 't Engelsch staat the nave of a wheel, omdat nave geheel klinkt als knave, schelm, zoodat nave of a wheel te verstaan is als "schelm, zoo rond als een rad". Evenzoo kan men in de Nederlandsche vertaling de woorden: "dien spekklomp er de ooren" ook lezen: "dien speklomperd de ooren".
II. 4. 286. Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. In de oude almanakken werd aangegeven, welke planeten in conjunctie kwamen en wat de conjunctie te beteekenen had.--Door die astrologische toespeling opgewekt, vergelijkt Poins den roodneuzigen Bardolf bij den "vurigen triangel" (Trigonum igneum), zooals de conjunctie van Mars, Jupiter en Saturnus genoemd werd.--De waardin, aan wie inmiddels Bardolf het hof maakt, wordt Falstaff's geheimboek genoemd, omdat zijn schulden bij haar opgeschreven staan.
II. 4. 339. Den opzettelijken laster. Dus een misdrijf, waartegen strafbepalingen bestaan of dat een uitdaging wettigt.
II. 4. 361. Moutwurmen. Liefhebbers van bier, drinkebroêrs, vergelijk "I Hendrik IV", II. 1. 83.
III. 1. 65. Doch,--wie uwer was er bij?--Als ik mij wel herinner, gij, neef Nevil,--Dat Richard enz. Wij kunnen in deze regels een duidelijk bewijs vinden, dat Shakespeare bij het schrijven, als hij een aanhaling deed uit een zijner vorige stukken, dit niet opsloeg; waarschijnlijk had hij het niet meer in zijn bezit, daar het handschrift bij den schouwburg, waar het gespeeld werd en waaraan het in eigendom was overgegaan, berust zal hebben. Hij moest daarom uit zijn geheugen aanhalen. Hieruit verklaren zich gereedelijk alle afwijkingen. Er wordt hier duidelijk gedoeld op "K. Richard II," V. 1. 55 en 56 (zie blz. 458), waar Northumberland den onttroonden Richard naar Pomfret komt geleiden; noch Koning Hendrik IV, noch Warwick waren er bij, dat de woorden gesproken werden. Shakespeare stelde zich ongetwijfeld voor, dat Koning Richard ze in het tooneel der afzetting (IVde Bedrijf) gebezigd had. Bovendien is de aanhaling niet nauwkeurig.--Verder zij hier opgemerkt, dat de koning hier den Graaf van Warwick ten onrechte met den familienaam Nevil toespreekt, of dat een Nevil ten onrechte Warwick genoemd wordt; de toenmalige graaf van Warwick had den familienaam Beauchamp; de latere beroemde graaf van Warwick, de koningsmaker, (zie Sh.'s K. Hendrik VI) was een Nevil, maar verkreeg zijn titel Warwick eerst door zijn huwelijk met de erfdochter der Beauchamps.--Een Nevil was de in dit stuk voorkomende Graaf van Westmoreland, zie de geslachtslijst.