Koning Hendrik de Vierde

Part 15

Chapter 154,084 wordsPublic domain

ZIELIG. Goed bedacht, David. Aan 't werk, David.

DAVID. Ik zou u wel willen verzoeken, heer, dat gij Willem Visor van Wincot bij die klacht van Clemens Perkes van den berg er doorhelpt.

ZIELIG. Er zijn vele klachten, David, tegen dien Visor; die Visor is, dit weet ik, een aartsschelm.

DAVID. Ik geef uw edelheid gelijk, dat hij een schelm is, heer; maar verhoede God, heer, dat aan een schelm de hand niet wat boven het hoofd gehouden zou worden, als zijn vriend er om vraagt. Een eerlijk man, heer, kan voor zichzelf spreken, als een schelm het niet kan. Ik heb uwe edelheid deze acht jaren, heer, eerlijk gediend, en als ik niet één of een paar keeren in 't verreljaar een schelm er door kan helpen tegen een eerlijk man, heb ik al heel weinig vertrouwen bij uw edelheid. Die schelm is mijn eerlijke vriend, heer; en daarom wil ik uw edelheid verzoeken, hem de hand boven het hoofd te houden.

ZIELIG. Ga maar, hij zal geen last hebben, zeg ik. Bezorg alles, David.--

(David af.)

Waar zijt gij, Sir John? Kom, kom, kom, de rijlaarzen uit!--Geef mij de hand, vriend Bardolf.

BARDOLF. Ik ben blij, uw edelheid te zien.

ZIELIG. Ik dank je van ganscher harte, mijn goede vriend Bardolf.--(Tot den Page.) En ook gij zijt welkom, mijn pootige knaap!--Kom, Sir John!

FALSTAFF. Ik volg u, beste heer Robert Zielig.

(Zielig af.)

Bardolf, kijk naar onze paarden.

(Bardolf en de Page af.)

Als ik in stukjes gezaagd werd, zou ik vier dozijn van zulke gebaarde pelgrimsstaven opleveren, als die sinjeur Zielig. Het is een wonderbaarlijk ding om te zien, die in het oog vallende samenhang tusschen den geest van zijn gedienstige geesten en van hemzelf; door hem gade te slaan, gedragen zij zich als onnoozele vrederechters; door het verkeer met hen, is hij een vrederechterachtige bediende geworden. Hun ziel en zijn ziel zijn onder den invloed van hun onderlingen omgang zoo met elkander getrouwd, dat zij zich eendrachtig opeendringen als even zoovele wilde ganzen. Als ik iets van sinjeur Zielig gedaan wilde krijgen, zou ik zijn lieden voor mij winnen, door hen te beduiden, dat zij hun beer nabij kwamen; en wilde ik iets van zijn bedienden, dan zou ik sinjeur Zielig er mee streelen, dat geen mensch beter zijn onderhoorigen wist te drillen. Het is zeker, dat zoowel een wijs gedrag als een onnoozele wijs van doen aanstekelijk zijn, zooals de menschen kwalen krijgen, de een van den ander; daarom moet de mensch toezien, met wie hij omgaat. Ik zal uit dezen Zielig stof genoeg weten te halen om prins Hendrik altijddoor aan het lachen te houden, zoolang tot zes nieuwe modes versleten zijn, wat zooveel is als vier gerechtstermijnen of twee schuldvorderingen, en hij zal zonder vacanties lachen. O, het is verbazend, wat een leugen met een kleinen vloek of een grap met een ernstig gezicht kan doen bij een jongen borst, die nog geen pijn in de schouders kent. O, ge zult hem zien lachen, tot zijn gezicht er uitziet als een natte mantel, die slordig is neergelegd.

ZIELIG (van binnen). Sir John!

FALSTAFF. Ik kom, heer Zielig: ik kom, heer Zielig!

(Falstaff af.)

TWEEDE TOONEEL.

Westminster. Een zaal in het paleis.

Warwick en de Lord Opperrechter komen op.

WARWICK. Hoe is 't lord opperrechter, en waarheen?

OPPERRECHTER. Hoe gaat het met den koning?

WARWICK. Uitnemend goed;--zijn zorgen zijn ten eind.

OPPERRECHTER. Wat! toch niet dood?

WARWICK. Hij ging den weg van allen, En leeft voor de aard en ons belang niet meer.

OPPERRECHTER. O, hadd' zijn majesteit mij meegeroepen; Mijn dienst, hem bij zijn leven trouw gewijd, Doet na zijn dood mij bitt're krenking wachten.

WARWICK. Ja, deze koning zal uw vriend niet zijn.

OPPERRECHTER. Neen, zeker zal hij 't niet, en 'k wapen mij Om kalm de toekomst in 't gelaat te zien, Die zeker mij niet boozer aan kan blikken, Dan mijn verbeelding 't mij heeft afgemaald.

(Prins John, Prins Humphrey, Clarence, Westmoreland en Anderen komen op.)

WARWICK. Daar komt het treurend kroost des dooden Hendriks; O, dat zijn levende genant den aard Des slechtsten van dit drietal prinsen had! Hoe menig eed'le zou zijn ambt behouden, Die 't zeil voor mind're geesten strijken zal!

OPPERRECHTER. O God, ik ducht den ommekeer van alles.

PRINS JOHN. Neef Warwick, goeden morgen, goeden morgen!

PRINS HUMPHREY EN CLARENCE. Neef, goeden morgen!

PRINS JOHN. Wij staan als mannen, die de spraak verleerden.

WARWICK. De spraak is ons, doch al te treurig is Ons onderwerp, om veel gesprek te dulden.

PRINS JOHN. Nu, hèm zij vrede, die ons treuren doet!

OPPERRECHTER. En ons die vreê, dat wij niet dieper treuren!

PRINS HUMPHREY. O beste lord, ja, gij verloort een vriend; En 'k zweer er op, geborgd is dit gelaat Van diepe droef'nis niet; 't is wis uw eigen.

PRINS JOHN. Schoon niemand weet, wat gunst hem zal bestralen, Mag uw verwachting felle koude zijn. En 't maakt mijn droef'nis dieper; 'k wenschte 't anders.

CLARENCE. Ja, wis, gij moogt nu Sir John Falstaff vleien; Wat indruischt tegen de' eedlen stroom uws ambts.

OPPERRECHTER. Mijn prinsen, wat ik deed, deed ik in eere, Naar 't onpartijdig richtsnoer van mijn ziel; Mij ziet gij nimmer beed'len om vergiff'nis; Armzalige aalmoes, mij vooruit ontzegd! Helpt mij rechtschapenheid en onschuld niet, Dan volg ik mijnen dooden heer en koning, En meld hem, wie mij zond, hem achterna.

WARWICK. Daar komt de prins.

(Koning Hendrik de Vijfde komt op, met Gevolg.)

OPPERRECHTER. Wees welkom! God behoede uw majesteit!

KONING. Dit nieuwe pronkgewaad, de majesteit, Zit mij niet zoo gemakk'lijk als gij waant.-- Broeders, gij mengt in 't treuren een'ge vrees; Maar dit is 't Engelsch, niet het Turksche hof; Hier volgt niet Amurath op Amurath,-- Op Hendrik Hendrik. Toch, mijn broeders, treurt,-- Want dit, moet ik verklaren, staat u goed; Zoo koninklijk staat u die diepe smart, Dat ik recht diep in rouw mij kleeden wil En dien in 't harte dragen. Treurt dus vrij; Doch tilt dit wee niet zwaarder, lieve broeders, Dan als een last, ons allen opgelegd. Wat mij betreft, bij God, weest overtuigd: Ik wil uw vader zijn en broeder tevens! Schenkt mij uw liefde en ik neem uwe zorgen. Weent vrij, dat Hendrik stierf,--ik doe het ook; Doch Hendrik leeft, die elk van uwe tranen Verand'ren zal in zooveel uren heils.

PRINS JOHN. Dit hopen wij van uwe majesteit.

KONING. Gij allen ziet bevreemd mij aan;--(Tot den Opperrechter.) gij 't meest, Als overtuigd, dat ik uw vriend niet ben.

OPPERRECHTER. 'k Ben overtuigd, dat, als hij juist mij meet, Mijn koning geenen grond tot haten heeft.

KONING. Niet? Hoe zou een prins, den troon zoo na als ik, Een smaad, als gij mij aandeedt, ooit vergeten? Wat! Englands naasten erfgenaam te wraken, Te smaden, ruw te kerk'ren! Was dit niets? Wie wascht dit af in Lethe, en vergeet het?

OPPERRECHTER. Toen was ik plaatsvervanger van uw vader, De drager, 't zichtbaar beeld van zijne macht; En onderwijl ik als zijn rechtsbedeeler Mijn plicht voor 't algemeene welzijn deed, Geliefde uw hoogheid alles te vergeten, Mijn ambt, de macht en majesteit des rechts, Het beeld des konings, dien ik daar verving, En op mijn rechterszetel mij te slaan; Waarop ik u, die uwen vader smaaddet, Stoutweg, maar naar de volle macht mijns ambts, In hecht'nis nam. Was dit verkeerd gehandeld, Duld gij dan, nu gijzelf den haarband draagt, Dat uwe wetten eens een zoon verguist, Het recht van uw hoogachtb'ren zetel rukt, Den loop der wet verlamt, en 't zwaard verstompt, Dat vrede en uwe veiligheid behoedt; Ja meer, uw vorstenbeeld met voeten treedt, En in een ander uw gezag bespot. Raadpleeg uw koningshart,--'t zij uw geval,-- Wees gij de vader, denk u zulk een zoon, Hoor zoo uw eigen waardigheid, geschonnen, Zie zoo uw hoog en streng verbod veracht, Aanschouw uzelf zoo door een zoon gehoond; En stel u voor, ik treed dan voor u op, En brenge zacht voor u dien zoon tot zwijgen; Hebt gij dit koel gewogen, spreek dan recht, En zeg, zoo waar gij koning zijt, als heerscher, Wàt ik gedaan heb, strijdig met mijn ambt, Mijn eigen eer, mijns konings opperhoogheid.

KONING. Recht hebt gij, rechter; en gij weegt dit juist; Voer gij voortaan de weegschaal dus en 't zwaard; En 'k wensch u toe, dat gij in eere wast, Tot gij 't beleeft, dat u een zoon van mij Beleedigt, en u dan, als ik, gehoorzaamt; Dan zal ook ik mijns vaders woorden spreken: "Gelukkig ik! Ik heb een koenen man, Die recht durft oef'nen aan mijn eigen zoon! Niet min gelukkig ben ik in dien zoon, Die van zijn grootheid in de hand des rechts Zoo afstand doet."--Gij gaaft mij kerkerstraf; En daarom geef ik thans in uwe hand Het onbevlekte zwaard, door u gevoerd, Met dit vermaan, dat gij het voeren zult, Zoo koen, gerecht van geest en onpartijdig, Als toenmaals jegens mij.--Hier is mijn hand; Gij zult een vader wezen voor mijn jeugd; Mijn mond zal spreken, wat mijn oor u afhoort; En buigen wil ik mijnen zin, en voegen Naar uwen weldoordachten, wijzen raad.-- Gij allen, prinsen, 'k bid u, acht dit waar: Wild is mijn vader in zijn graf gegaan, Want in zijn groeve daalden mijne driften; En 'k overleef hem ernstig, met zijn geest, Om dwaas te maken, wat de wereld wacht, Profeten te beschamen, en de meening, Die, voos, alleen naar mijnen schijn, mij boekte, Te niet te doen. De vloed des bloeds in mij Verhief zich stout en trotsch in ijdelheid; Nu keert zijn tij; hij ebt naar zee terug, Waar hij zich met der golven rijk zal mengen, Steeds vlieten zal in kalme majesteit. Thans roepen wij ons parlement op, kiezen Ons zulke leden voor onze' eed'len raad, Dat onzes staats groot lichaam bij geen enkel Der best bestuurde volken achtersta; Dat krijg en vrede, of beide tegelijk, Bekende, ons welvertrouwde zaken zijn;-- Waarin gij (Tot den Opperrechter.), vader, de eerste hand zult hebben.-- Zijn wij gekroond, dan,--nogmaals zij 't gezegd,-- Verzaam'len wij om ons den ganschen staat; En, zoo slechts God mijn vromen wil bezegelt, Zal prins noch pair met grond den hemel vragen: God korte één dag van Hendriks blijde dagen.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Glostershire. De tuin bij Zieligs huis.

Falstaff, Zielig, Stil, Bardolf, de Page en David komen op.

ZIELIG. Neen, gij moet mijn tuin zien; daar willen wij in een prieel een pippeling van 't vorig jaar gebruiken, dien ikzelf geënt heb, met een schotel anijskoeken, en zoo voorts;--kom, neef Stil;--en dan naar bed.

FALSTAFF. Bij God, gij hebt hier een schoone woning, en rijk ook.

ZIELIG. Mager, mager, mager; altemaal bedelaars, altemaal bedelaars, Sir John;--goede lucht, ja, dat is waar.--Dekken, David; dekken, David; goed zoo, David.

FALSTAFF. Die David is u goed van dienst; hij is uw tafeldienaar en uw bouwman.

ZIELIG. Een goede knecht, een goede knecht, een zeer goede knecht, Sir John;--sacrement, ik heb te veel sek gedronken bij het avondeten;--een goede knecht. Komt, gaat zitten, gaat zitten,--Kom, neef.

STIL. Ja, vriendje, zei hij,--wij willen

(Hij zingt.)

"Niets doen dan eten en smullen voorwaar, "En den hemel loven voor 't vroolijke jaar, "Want vleesch is te geef, en een wijf dure waar, "En jolige knapen, zij gaan hier en daar, "Zoo lustig, "En zwerven te zamen zoo lustig."

FALSTAFF. Dat noem ik een vroolijke ziel!--Beste heer Stil, hier, op uw welzijn er voor.

ZIELIG. Geef vriend Bardolf wijn, David.

DAVID (tot Bardolf). Beste vriend, ga zitten; ik ben dadelijk weer bij je;--allerbeste vriend, ga zitten.--Vriend page, beste vriend page, ga zitten; proficiat! Wat wij aan eten te kort komen, zullen wij met drinken goed maken. Maar je moet het voor lief nemen; de goede wil is alles.

(David af.)

ZIELIG. Wees lustig, vriend Bardolf,--en gij daar, mijn kleine soldaat, wees lustig.

STIL (zingt).

"Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis; "Want spichtig of dik, eene vrouw is een kruis; "Slechts baarden in huis geeft een vroolijke kluis! "En welkom, vastenavondpret! "Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis."

FALSTAFF. Ik had niet gedacht, dat er zoo veel vuur in mijnheer Stil zat.

STIL. Wie? Ik? Ik ben al wel eens en nog wel eens lustig geweest van mijn leven.

(David komt terug.)

DAVID (een schotel voor Bardolf nederzettend). Daar is een schotel grauwe renetten voor je.

ZIELIG. David!

DAVID. Uw edelheid?--(Tot Bardolf.) Ik kom dadelijk terug.--

(Tot Zielig.) Een glas wijn, heer?

STIL (zingt).

"Een beker wijn, zoo klaar en fijn, "Dat drink ik op de liefste mijn; "En een vroolijk hart leeft lang-é!"

FALSTAFF. Goed zoo, beste heer Stil!

STIL. Als wij vroolijk zullen wezen, dan komt nu het beste van den avond.

FALSTAFF. Op je gezondheid en lang leven, mijnheer Stil!

STIL (zingt).

"Vul maar, 'k leêgde op u mijn glas, "Zoo een mijl zijn diepte was."

ZIELIG. Brave Bardolf, welkom hier; als je nog iets wenscht en er niet om vraagt, haal je de drommel!--Welkom hier, mijn kleine aardige gauwdief; wees welkom, waarachtig.--Ik drink op vriend Bardolf! en op alle cavallero's van Londen.

DAVID. Ik hoop Londen nog eens te zien, eer ik sterf.

BARDOLF. Als ik je daar nog eens mocht zien, David,--

ZIELIG. Sacrement, dan zul je wel een paar pint er samen doorjagen; niet waar, vriend Bardolf, is het niet zoo?

BARDOLF. Ja, heer, uit een driepintskroes.

ZIELIG. Godskristenzielen, daar dank ik voor; die schelm zal een mensch niet loslaten, dat kan ik wel zeggen; hij houdt vast; hij is van het echte ras.

BARDOLF. En ik zàl hem ook niet loslaten, heer.

ZIELIG. Kom, dat is spreken als een koning. Laat je niets ontbreken; wees vroolijk.--(Er wordt geklopt.) Zie eens, wie er aan de deur is.--Wat! wie klopt daar?

(David af.)

FALSTAFF. (tot Stil, die een beker ledigt). Zoo, nu hebt ge mij bescheid gedaan.

STIL (zingt).

"Doe bescheid als een man "Sla mij tot ridder dan; "Samingo."

Is het zoo niet?

FALSTAFF. Het is zoo.

STIL. Is het zoo? Nu, zeg dan, dat een oud man ook wat kan.

(David komt terug.)

DAVID. Met verlof van uw edelheid, daar is een zekere Pistool, met nieuws van het hof.

FALSTAFF. Van het hof? Laat hem binnenkomen.

(Pistool komt op.)

Wat is er, Pistool?

PISTOOL. Sir John, God zij met u!

FALSTAFF. Wat wind heeft je hier naar toe geblazen, Pistool?

PISTOOL. Geen slechte wind, die niemand voordeel brengt.--Mijn lieve ridder, gij zijt nu een der gewichtigste mannen in het koninkrijk.

STIL. Bij onze lieve vrouwe, dat geloof ik ook, op baas Poef van Barson na.

PISTOOL. Poef? Poef voor uw kiezen, lage lafaard snood!-- Sir John, ik ben uw vriend en uw Pistool, En rep je scheer je kom ik aangereden; En tijding breng ik mee en blij geluk, Een gouden tijd, en heilrijk nieuws van waarde.

FALSTAFF. Ik bid je dan, bericht het als een mensch van deze wereld.

PISTOOL. De wereld stikke, en lage wereldlingen! Ik spreek van Afrika en gouden vreugd.

FALSTAFF. Meld, snood Assyrisch ridder, meld uw nieuws! Koning Cophetua wil de waarheid weten.

STIL (zingt).

"Drie wakkre schutters hoorden dat; "Robin Hood, Scharlaken en Hans."

PISTOOL. Zal hondgebroedsel Helicons hier trotsen? En komt goed nieuws niet aan het woord? Leg 't hoofd, Pistool, dan in der Furiën schoot!

STIL. Mijn eed'le heer, ik ken uw afkomst niet.

PISTOOL. Nu, weeklaag dan daarom.

ZIELIG. Neem mij niet kwalijk, heer;--maar, heer, als gij met nieuws van het hof komt, dan staan er, zooveel ik zie, slechts twee wegen open: of gij deelt het meê, of gij houdt het voor u. Ik ben, heer, onder den koning met eenig gezag bekleed.

PISTOOL. Doch onder welken koning, hongerlijder? Zeg dit of sterf!

ZIELIG. Onder koning Hendrik.

PISTOOL. Hendrik den vierden of vijfden?

ZIELIG. Hendrik den vierden.

PISTOOL. Stik dan in uw ambt!-- Sir John, uw teeder zuiglam is nu koning; Hendrik de vijfde is baas. Ik spreek de waarheid; Liegt uw Pistool, doe zóó dan; toon mij figo, Zooals de trotsche Spanjaard.

FALSTAFF. Wat, wat! is de oude koning dood?

PISTOOL. Dood als een pier; wat ik u zeg, is waar.

FALSTAFF. Vlug, Bardolf! zadel mijn paard.--Heer Robert Zielig, kies u uit, welk ambt in het land gij wilt, het is u. Pistool, ik zal je dubbel laden met waardigheden.

BARDOLF. O vreugdevolle dag! zelfs voor een ridderslag gaf ik mijn vooruitzichten niet prijs.

PISTOOL. Nu, breng ik geen goed nieuws?

(Stil valt van zijn stoel.)

FALSTAFF. Breng mijnheer Stil naar bed.--Heer Zielig, mylord Zielig, wees wat ge wilt; ik ben de hofmeester van het geluk. Trek uw laarzen aan, wij zullen de geheele nacht doorrijden.--O jij suiker-Pistool!--Vlug, Bardolf! (Bardolf af.)--Kom, Pistool, vertel mij meer, en bedenk tegelijk het een of ander, dat je goed zou doen.--Laarzen, laarzen aan, heer Zielig; ik weet, dat de jonge koning naar mij smacht. Laten wij de paarden nemen, waar wij ze vinden; de wetten van Engeland staan mij ten bevele. Wel hun, die mijn vrienden waren, en wee den lord opperrechter!

PISTOOL. Dat booze gieren hakken aan zijn long! Waar is mijn vroeger leven heen, is 't lied. Nu wordt het goed. Weest welkom, blijde dagen!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een straat.

Twee Gerechtsdienaars sleepen Vrouw Haastig en Doortje Scheurlaken voort.

WAARDIN. Neen, jij aartsschelm; bij God, ik wilde, dat ik dood ging, opdat ik je aan de galg bracht; je hebt mij den schouder uit het lid getrokken.

EERSTE GERECHTSDIENAAR. De onderschouts hebben haar aan mij overgeleverd en zij zal zweepkost genoeg krijgen, daar sta ik haar voor in. Een man of twee zijn er laatst om haar doodgeslagen.

DOORTJE. Jij hapschaar, hapschaar, je liegt. Kom maar hier, ik zal je wat vertellen, jij vervloekt kalfstrijp-schelmengezicht. Als het mis loopt met het kind, waar ik van zwanger ga, dan was het nog beter voor je, als jij je eigen moeder geslagen hadt, jij schurkachtige papiertronie!

WAARDIN. O lieve God, was Sir John maar weer hier! Dat zou voor enkele lui een bloedige dag worden. Maar ik bid God, dat het misloopt met de vrucht van haar lijf.

EERSTE GERECHTSDIENAAR. Als dat gebeurt, zul jij je dozijn kussens weer vol hebben, je hebt er nu nog maar elf. Komt, ik gelast je beiden, mee te gaan; want de man is dood, dien jij met Pistool samen geslagen hebt.

DOORTJE. Ik zal je wat zeggen, jij dunne blikken kerel; je zult hiervoor een behoorlijke vracht slaag krijgen,--jij leelijke blauwe aasvlieg! jij smerige verhongerde rakker! als jij je pak slag niet krijgt, wil ik nooit meer korte rokken dragen.

EERSTE GERECHTSDIENAAR. Kom, kom, jij straatjuffer, vooruit!

WAARDIN. O God, dat het recht zoo boven geweld gaat! Nu, na lijden komt verblijden.

DOORTJE. Ja, kom, jij schoft! Kom, breng mij voor een rechter.

WAARDIN. Ja kom, jij uitgehongerde bloedhond!

DOORTJE. Baas Dood! baas Karkas!

WAARDIN. Jij Atomie, jij!

DOORTJE. Kom, jij puthaak, kom, scharminkel!

EERSTE GERECHTSDIENAAR. Genoeg, genoeg!

(Allen af.)

VIJFDE TOONEEL.

Een plein bij de Westminster-abdij.

Twee Hofbedienden komen op en strooien biezen.

EERSTE BEDIENDE. Meer biezen, meer biezen!

TWEEDE BEDIENDE. De trompetters hebben reeds twee keer geblazen.

EERSTE BEDIENDE. Het zal twee uur worden, eer zij van de kroning komen. Haast je, haast je!

(Beiden af.)

(Falstaff, Zielig, Pistool, Bardolf en de Page komen op.)

FALSTAFF. Kom hier naast mij staan, heer Robert Zielig; ik zal zorgen, dat de koning u recht genadig is. Ik zal hem toelonken, als hij langs komt, en let dan maar op, welk een gezicht hij zal zetten, als hij mij ziet.

PISTOOL. God zegene uw longen, goede ridder!

FALSTAFF. Kom hier, Pistool, ga achter mij staan.--(Tot Zielig.) O, als ik maar tijd had gehad om nieuwe livreien te laten maken, dan had ik de duizend pond er aan besteed, die ik van u geleend heb. Maar het doet er niet toe; die armoedige plunje is beter; het toont den ijver aan, dien ik had om hem te zien.

ZIELIG. Dat doet het.

FALSTAFF. Het toont de innigheid van mijn toewijding.

ZIELIG. Dat doet het.

FALSTAFF. Mijn diepe hulde.

ZIELIG. Dat doet het, dat doet het, dat doet het.

FALSTAFF. Alsof ik dag en nacht had doorgereden, zonder overwegen, zonder bedenken, zonder mij tijd te gunnen om mij te verkleeden,--

ZIELIG. Ja, zeer zeker.

FALSTAFF. En daar sta ik dan, bespat van de reis, en zweetend van begeerte om hem te zien, aan niets anders denkend, alle andere zaken vergetend, alsof er niets anders te doen ware dan hem te zien.

PISTOOL. 't Is "semper idem", want "absque hoc nihil est." 't Is alles overal.

ZIELIG. 't Is zoo, inderdaad.

PISTOOL. Ik wil uw eed'le gal ontvlammen, ridder, U woeden doen. Uw Doortje, Helena uws hoogen geestes, Is in gemeene hecht'nis weggesleept Naar 't vunzig kerkerkot, Door vuile handen van het laagst gespuis;-- Wek op de wraak uit zwarte krocht met felle Alecto's slang; Want Doortje zit; Pistool spreekt altijd waar.

FALSTAFF. Ik zal haar bevrijden.

(Jubelgeroep en trompetgeschal achter het tooneel.)

PISTOOL. Daar brult de zee en dreunt trompetgeschal.

(De Koning komt op, met zijn Gevolg, waaronder de Opperrechter.)

FALSTAFF. Heil, koning Hein! mijn koninklijke Hein!

PISTOOL. De hemel helpe en hoede u, hooge spruit des roems!

FALSTAFF. God zij met u, mijn beste jongen!

KONING. Spreek tot dien ijd'len man, lord opperrechter!

OPPERRECHTER. Zijt gij bij zinnen? weet gij, wat gij zegt?

FALSTAFF. Mijn vorst; mijn Jupiter! mijn hart, u groet ik.

KONING. Oud man, ik ken u niet, aan uw gebed! Hoe slecht staat grijsheid aan een nar en zotskap! Ik droomde lang van zulk een soort van man, Zoo opgezet van 't slempen, oud, losbandig; Doch nu, ontwaakt, veracht ik mijnen droom. Verminder 't lijf voortaan, vermeêr uw deugd, Laat af van brassen, denk steeds, dat voor u 't Graf driemaal wijder dan voor andren gaapt. Geef mij geen antwoord met een narrenkwinkslag; En waan niet, dat ik ben, wat ik eens was! De hemel weet, en zien zal 't nu de wereld, Dat ik den rug keerde aan mijn vroeger ik, En 't hun zal doen, die eertijds met mij waren. Verneemt gij, dat ik ben wat ik toen was, Kom dan tot mij en word weer wat gij waart, De gids en voeder van mijn dart'len lust. Tot zoolang ban ik u, op straf des doods, En zoo mijn oov'rige verleiders ook, Tien mijlen ver van mijn persoon en hof. Wat onderhoud betreft, dit zult ge ontvangen, Opdat gebrek u niet tot kwaaddoen drijv'; En zoo wij hooren, dat gij u bekeert, Dan willen wij, naar uwe kracht en gaven, Uw lot verbeet'ren.--Draag gij zorg, mylord, Dat wat ik zeide stipt gehoorzaamd word'.-- Nu voorwaarts!

(De Koning met zijn Gevolg af.)

FALSTAFF. Mijnheer Zielig, ik ben u duizend pond schuldig.

ZIELIG. Ja, juist, Sir John; en ik verzoek u, mij die mede naar huis te geven.

FALSTAFF. Dat zal moeielijk gaan, mijnheer Zielig. Trek u dit niet aan; ik zal in 't geheim bij hem ontboden worden. Ziet gij, voor de wereld moet hij zich wel zoo houden. Wees niet ongerust over uw bevordering; ik ben en blijf de man, die u groot zal maken.

ZIELIG. Ik zie niet in, hoe, of gij moest mij uw wambuis aandoen en mij met stroo opstoppen. Ik bid u, beste Sir John, geef mij vijfhonderd van mijn duizend.

FALSTAFF. Heer, ik zal zoo goed als mijn woord zijn; wat gij daar gehoord hebt, was maar voor den schijn.

ZIELIG. Een schijn, vrees ik, waar gij u tot uw dood aan zult vergapen, Sir John.

FALSTAFF. Laat u niet door den schijn bedriegen; ga met mij eten. Kom, luitenant Pistool;--kom Bardolf;--ik zal van avond spoedig ontboden worden.

(Prins John, de Opperrechter, Officieren en Anderen komen terug.)

OPPERRECHTER. Gaat, voert mij Sir John Falstaff weg in hecht'nis, En neemt zijn metgezellen allen meê.

FALSTAFF. Mylord, mylord,--

OPPERRECHTER. Nu kan ik niet! weldra zal ik u hooren. Voert allen weg.

PISTOOL. "Si fortune me tormente, sperato me contente."

(Falstaff, Zielig, Pistool, Bardolf en de Page worden weggevoerd.)

PRINS JOHN. Ik loof des konings eed'le wijs van doen. Hij wil, dat zij, met wie hij eens verkeerde, Behoorlijk voor hun leven zijn verzorgd. Doch allen zijn gebannen, tot hun leven Gebeterd is en niet meer opspraak wekt.

OPPERRECHTER. Dat zijn zij, ja.

PRINS JOHN. De koning riep zijn parlement bijeen.

OPPERRECHTER. Dat deed hij.