Koning Hendrik de Vierde

Part 14

Chapter 144,081 wordsPublic domain

COLEVILLE. Ik ben, mylord, slechts als mijn hoog'ren zijn, Die hier mij brachten; hadden zij mijn raad Gevolgd, dan hadt gij duurder hen gekocht.

FALSTAFF. Ik weet niet, waarvoor zij zich verkocht hebben; maar gij hebt, als een goedhartige kerel, uzelf voor niet weggegeven, en ik dank u voor u.

(Westmoreland komt terug.)

PRINS JOHN. Nu, de vervolging is gestaakt?

WESTMORELAND. Al de onzen keeren reeds; de waap'nen rusten.

PRINS JOHN. Zend Coleville, met al zijn eedgenooten, Naar York tot onverwijlde strafvoltrekking. Blunt, voer hem heen en houd hem scherp in 't oog.

(Coleville wordt weggeleid.)

En nu, mylords, breekt met mij op naar 't hof, De koning is, zoo hoor ik, ernstig krank; Ons ijle 't heuglijk nieuws naar hem vooruit;-- Wees gij de bode, neef,--om hem te troosten: Wij volgen, met een mind'ren spoed, u dra.

FALSTAFF. Mylord, ik bid u, geef mij oorlof om door Glostershire te gaan. En als gij aan het hof komt, ik bid u, toon u mij gunstig, heer, in uw gunstig verslag.

PRINS JOHN. Falstaff, vaarwel; ik zal, te zijner plaatse, Goed van u spreken, meer dan gij verdient.

(Allen af, uitgezonderd Falstaff.)

FALSTAFF. Ja, als gij daartoe geest genoeg hadt! dit ware u beter dan uw hertogdom. Op mijn eer, deze jonge, vischbloedige knaap mag mij niet lijden. En geen mensch kan hem aan het lachen brengen: maar dat is geen wonder, hij drinkt geen wijn. Van geen van al die eerbare knapen komt ooit iets te recht; want hun bloed wordt zoo overmatig bekoeld door hun dunne dranken en hun vele vischmaaltijden, dat zij een soort van mannelijke bleekzucht krijgen; en dan, als zij trouwen, krijgen zij niets dan meisjes. Zij zijn over het algemeen zotskappen en lafaards, wat sommigen van ons ook zouden zijn, zonder verhitting. Een goede sherry-sek heeft een tweeledige kracht: zij stijgt een mensch in het brein, droogt me daar alle dwaze en domme en ruwe dampen weg, die het omgeven; maakt het vlug van bevatting, flink, vindingrijk, vol behendige, vurige en vermakelijke beelden, die dan, overgebracht aan de stem, de tong,--die hun geboorte is,--voortreffelijke geest worden. De tweede eigenschap van die voortreffelijke sherry is de verwarming van het bloed, dat, te voren koud en loom, de lever koud en bleek liet blijven, wat het merkteeken is van kleinmoedigheid en lafhartigheid; maar de sek verwarmt het en drijft het van de inwendige deelen naar de uiterste. Zij doet het gelaat stralen, dat, als een signaalvuur, al het overige van dit kleine koninkrijk, mensch genaamd, in de wapens roept; en het burgervolk van het lichaam en de kleine levensgeesten uit de provinciën scharen zich dan allen om hun overste, het hart, dat, door al die volgelingen groot en aangeblazen, elke daad van dapperheid verricht; en deze manhaftigheid komt van de sherry. Zoodat bedrevenheid in de wapens niets is zonder sek, want deze brengt haar aan den gang, en geleerdheid niets dan een hoop begraven goud, waar een duivel de wacht bij houdt, tot de sek dien ontgint en in gebruik en aan het werk zet. Hier komt het vandaan, dat Prins Hendrik dapper is, want het koude bloed, dat hij van nature van zijn vader erfde, heeft hij, als mager, schraal en onvruchtbaar land, gemest, omgezet en geploegd met ongemeene inspanning van goed drinken en met een goeden voorraad van vruchtbaarmakende sherry, zoodat hij recht vurig en manhaftig geworden is. Als ik een duizend zoons had, het eerste menschelijk beginsel, dat ik hun inprentte, zou wezen, alle dunne dranken af te zweren, en zich aan de sek te wijden.

(Bardolf komt op.)

Wel, Bardolf?

BARDOLF. 't Geheele leger is ontbonden en naar huis.

FALSTAFF. Laat hen gaan. Ik wil door Glostershire; en daar zal ik den heer Robert Zielig, grondeigenaar, een bezoek brengen; hij wordt mij reeds week tusschen vinger en duim, en binnenkort zal ik met hem zegelen. Kom mede.

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Een kamer, Jerusalem geheeten, in het koninklijk paleis te Westminster.

Koning Hendrik, de Prinsen Thomas van Clarence en Humphrey van Gloster, Warwick en Anderen komen op.

KONING HENDRIK. Ja, Lords, doet God de tweedracht, die alsnog Aan onze poorten bloedt, gelukkig einden, Dan voeren we onze jeugd in eed'ler strijd En trekken enkel Gode-heil'ge zwaarden. Gereed is onze vloot, ons heer bijeen, En volmacht hebben onze plaatsbekleders; Kortom, naar wensch is alle ding beschikt; Wij missen niets dan een'ge lichaamskracht, En moeten toeven, tot deze oproerlingen Zich buigen onder 't juk van ons bewind.

WARWICK. En 't een èn 't ander valt uw majesteit Wis dra ten deel.

KONING HENDRIK. Humphrey, mijn zoon van Gloster, Waar is de prins uw broeder?

PRINS HUMPHREY. Ik denk, mylord, naar Windsor op de jacht.

KONING HENDRIK. En wie verzelt hem?

PRINS HUMPHREY. 'k Weet het niet, mylord.

KONING HENDRIK. Is niet zijn broeder, Thomas Clarence, bij hem?

PRINS HUMPHREY. Neen, waarde vader; die bevindt zich hier.

CLARENCE. Wat wenscht mijn heer en vader?

KONING HENDRIK. Niets, Thomas Clarence, dan u goed te doen. Van waar, dat gij niet bij uw broeder zijt? Gij zijt hem lief, doch gij verzuimt hem, Thomas. Een beter plaats bekleedt gij in zijn hart, Dan al uw broeders; kweek dit aan, mijn jongen, En eed'le diensten kunt gij eens bewijzen Door na mijn dood als midd'laar op te treden Van zijne grootheid en uw andre broeders; Dies, mijd hem niet; verstomp zijn liefde niet; Verbeur het voorrecht niet van zijne gunst Door koel of achtloos jegens hem te schijnen; Want wie hem zoekt, ervaart zijn minzaamheid; Den traan van 't meêlij heeft hij, en een hand Voor weeke goedheid open als de dag; Maar toch, voor wie hem trotst, is hij als steen, Zoo luimig als de winter, plotseling vast, Als morgendauw, waar ijswind overheen vaart. Dies is zijn stemming wel in acht te nemen; Berisp hem om zijn feilen, doch met eerbied, Als gij zijn geest blijmoedig ziet gestemd; Maar is hij norsch, vier dan zijn drift de lijn, Totdat die, als een walvisch op den zeegrond, Bezwijkt door eigen woeling. Leer dit, Thomas, En voor uw vrienden wordt gij dan een schutse, Een gouden ring, uw broeders samenbindend, Zoodat het vat, dat aller bloed vereent, Al wordt verleidingsgif er in gemengd,-- Dit laat de tijd niet na er in te storten,-- Nooit lek wordt, zelfs al werkt dit gif zoo sterk, Als aconiet of snel ontvlammend kruit.

CLARENCE. Ik wil met alle liefde en zorg hem eeren.

KONING HENDRIK. Waarom gingt gij niet mee naar Windsor, Thomas?

CLARENCE. Daar is hij heden niet, hij eet in Londen.

KONING HENDRIK. Met wat voor vrienden? is u dit bekend?

CLARENCE. Met Poins en andren, waar hij steeds mee omgaat.

KONING HENDRIK. Het rijkst aan onkruid is het vetste land: En hij, het edel beeld van mijne jeugd, Is dicht er mee bezet; dies strekt mijn leed Nog òver 't uur van mijnen dood zich uit. Mijn hart weent bloed, als mijn verbeelding zich Die teugellooze dagen maalt, die tijden Van voos verderf, die gij aanschouwen zult, Als ik zal rusten bij mijn voorgeslacht. Want als zijn woestheid iedren breidel mist, Als woede en weeld'rig bloed zijn raders zijn, Als midd'len samengaan met losse zeden, O, met wat wieken vliegen dan zijn tochten Op 't felst gevaar, den diepsten afgrond, toe!

WARWICK. Mijn eed'le vorst, uw blik gaat langs hem heen. De prins beoefent slechts zijn metgezellen Gelijk een vreemde taal: wil men die kennen, Dan moet men elk, zelfs het oneerbaarst woord, Opmerken, leeren; weet men 't eens, dan dient dit,-- Uw hoogheid weet het,--verder tot niets anders, Dan dat men 't kent en haat. Als ruwe woorden, Zal eens de prins, is daar de tijd voor rijp, Die volgers van zich schudden, en zijn kennis Van hen een maat of monster voor hem zijn, Waarnaar zijn hoogheid 't leven schat van andren, Zoodat hij vroeger kwaad in winst verkeert.

KONING HENDRIK. 't Is zelden, dat de bij haar raat verzaakt Zelfs in een kreng.

(Westmoreland komt op.)

Wie komt daar? Westmoreland?

WESTMORELAND. Heil mijnen heer en vorst; en nieuw geluk Bekrone 't heil, dat ik u melden kom! Prins John, uw zoon, kust uwer hoogheid hand; Mowbray, de bisschop Scroop, Hastings en allen Zijn aan uw wet ter tuchtiging vertrouwd; Niet één rebellenzwaard is meer ontbloot; De vrede doet de' olijf alom ontspruiten. De wijze, hoe deze uitslag werd verkregen, Vindt te geleeg'ner tijd uw hoogheid hier Uitvoerig in bijzonderheên ontvouwd.

KONING HENDRIK. O, Westmoreland, gij zijt een zomervogel, Die aan des winters hielen steeds het rijzen Des nieuwen dags bezingt.

(Harcourt komt op.)

Zie, nòg meer nieuws!

HARCOURT. God hoede uw majesteit voor 's vijands lagen; En mogen zij, die u bedreigen, vallen Als zij, van wie ik thans u tijding breng. De graaf Northumberland werd met lord Bardolf En groote macht van Engelschen en Schotten In Yorkshire door den Sheriff overmand. De leiding en den loop van het gevecht Vermeldt, mijn vorst, uitvoerig dit bericht.

KONING HENDRIK. Waarom maakt al dit blijde nieuws mij krank? Komt nooit Fortuin met beide handen vol, Maar schrijft ze een blijmaar steeds met booze letters? Zie, zoo verleent zij eetlust en geen spijs Aan armen, die gezond zijn; of een feestmaal, Maar zonder eetlust, zooals 't rijkaards gaat, Die, overvloed bezittend, niets genieten. Ik moest verblijd zijn bij dit heuglijk nieuws, En zie, mijn oog is dof, mijn brein wordt duiz'lig.-- Wee mij! treedt nader, 'k voel mij ziek, zeer ziek.

(Hij zinkt in onmacht.)

PRINS HUMPHREY. Moed, eed'le vorst!

CLARENCE. Mijn koninklijke vader!

WESTMORELAND. Mijn heer en vorst, kom bij, sla de oogen op!

WARWICK. Bedaard, mijn prinsen; zulk een aanval is, Zooals gij weet, niet vreemd meer bij zijn hoogheid. Terug en geeft hem lucht! 't is daad'lijk over.

CLARENCE. Neen, lang houdt hij die vlagen niet meer uit. De stâge zorg en arbeid van zijn geest Heeft zóó den wal, die dezen schut, verbrokkeld, Dat reeds het leven uitkijkt, ras er door breekt.

PRINS HUMPHREY. 't Volk maakt mij angstig: 't zag natuur in arbeid 122 Van schrikgeboorten, vaderlooze kinders; Geen jaartij houdt zijn aard; 't is of het jaar Hier, daar, een maand in slaap vond, oversprong.

CLARENCE. De stroom was driemaal wassend, zonder ebbe; En stokoud volk en suffende kronieken Verhalen, dat hetzelfde werd gezien, Kort vóór onze oudgrootvader Edward stierf.

WARWICK. Spreek zachter, prinsen; onze vorst komt bij.

PRINS HUMPHREY. Wis, een beroerte zal zijn einde zijn.

KONING HENDRIK. Ik bid u, neemt mij op, draagt mij van hier En in een andre kamer; zachtkens, zacht!

(Zij dragen den koning op een bed in de aangrenzende kamer.)

VIJFDE TOONEEL.

Een andere kamer van het paleis.

Koning Hendrik, te bed liggend; Clarence, Gloster, Warwick, om hem heenstaand; Dienaars.

KONING HENDRIK. Laat geen gedruisch hier maken, lieve vrienden, Tenzij een liefdevolle sluimerhand Muziek will' fluist'ren tot mijn moede ziel.

WARWICK. Roept de muziek; zij ga in gindsche kamer.

KONING HENDRIK. Leg mij de kroon hier bij mij, op mijn kussen.

CLARENCE. Zijn oog is hol en hij verandert zeer.

WARWICK. O stil toch, stil!

(Prins Hendrik komt op.)

PRINS HENDRIK. Waar is de hertog Clarence?

CLARENCE. Hier ben ik, broeder, van verdriet vervuld.

PRINS HENDRIK. Wat! regen binnenshuis, en buiten niet? Hoe gaat het met den koning?

CLARENCE. Slecht, zeer slecht.

PRINS HENDRIK. Weet hij de goede tijding? zeg hem die.

PRINS HUMPHREY. Hij is, toen hij die hoorde, zeer veranderd.

PRINS HENDRIK. Is hij van vreugde krank, Dan wordt hij zonder artsenij weer beter.

WARWICK. Zoo luide niet, mylords!--Mijn prins, spreek zacht; Uw koninklijke vader wenscht te slapen.

CLARENCE. Laat ons in de andere kamer ons begeven.

WARWICK. Behaagt het uwe hoogheid mee te gaan?

PRINS HENDRIK. Neen, 'k wil hier bij den koning blijven waken.

(Allen af, behalve Prins Hendrik.)

Waarom ligt op zijn kussen hier de kroon, Die toch een bedgenoot vol onrust is? O blinkende onrustwekster! gouden zorg! Die meen'ge waaknacht lang der sluim'ring poorten Wijd openhoudt!--en nu met haar te slapen! Doch zoo gezond niet, noch zoo diep en zoet, Als een, die, met een grove muts om 't hoofd, De gansche nacht versnorkt. O majesteit! Als gij uw drager knelt, dan zit gij hem Als in de middaghitte een kostlijk harnas, Een schuts, die brandt.--Zie, aan zijns adems poorten Ligt daar een vlokje dons, dat niet beweegt; Had hij nog adem, dit gewichtloos veertje-- Het trilde wis.--Doorluchtig vorst! mijn vader! Wel diep is deze slaap; dit is een slaap, Die meen'gen vorst van England heeft gescheiden Van dezen gouden wrong. Uw recht op mij Eischt tranen en het innigst harteleed, Wat èn natuur èn liefde èn kinderplicht U, dierb're vader, rijk'lijk zal voldoen; Mijn recht op u is deze koningskroon, Die mij, als u in rang en bloed het naast, Van zelf ten deele valt. Daar zit zij, ziet,

(Hij zet zich de kroon op het hoofd.)

God hoede haar! En huiz' heel 's werelds kracht In éénen reuzenarm, hij rooft dit pand Mijns stams mij niet! En zooals gij de kroon Aan mij nu laat, laat ik haar aan mijn zoon.

(Prins Hendrik af.)

KONING HENDRIK (ontwakend). Warwick! Gloster! Clarence!

(Warwick en de overigen komen terug.)

CLARENCE. Roept de koning?

WARWICK. Wat wenscht mijn vorst? Hoe gaat het uwe hoogheid?

KONING HENDRIK. Waarom, mylords, liet gij mij hier alleen?

CLARENCE. De prins, mijn broeder, bleef hier bij uw hoogheid; Hij nam zich voor, te waken aan uw bed.

KONING HENDRIK. De prins van Wales? Waar is hij? 'k wil hem zien; Hij is niet hier.

WARWICK. Die deur is open; daar ging hij dus uit.

PRINS HUMPHREY. Hij kwam niet door de kamer, waar wij toefden.

KONING HENDRIK. Waar is de kroon? wie nam die van mijn kussen?

WARWICK. Mijn vorst, bij 't heengaan lieten wij die hier.

KONING HENDRIK. Dan nam de prins haar weg;--ga, zoek hem op. Heeft hij zoo groote haast, dat hij mijn slaap Voor doodsslaap houdt?-- Zoek hem, lord Warwick; gisp hem, zend hem hier.

(Warwick af.)

Dit doen van hem vereent zich met mijn kwaal; 't Verhaast mijn dood.--Ziet, zoons, wat wezens zijt gij! Met welk een spoed vervalt natuur tot opstand, Als goud haar doelwit wordt! Daarvoor dus breken teed're blinde vaders Hun slaap door nachtgepeins, Hun brein door zorgen, hun gebeent' door arbeid; Daarvoor vermeerd'ren zij en staap'len op, In booze hoopen, sluw verworven goud; Daarvoor zijn zij volijv'rig, om hun zoons In kunst en krijgsbedrijven in te wijden! Wij lezen als de bij in elke bloem Wat ze edelst biedt en zoetst; Den voet met was belaân, den mond met honig, Zoo zoeken wij den korf, en, als de bijen, Vermoordt men ons tot loon. Dien bitt'ren nasmaak Heeft van zijn oogst de vader bij 't verscheiden.--

(Warwick komt terug.)

Nu, waar is hij, die niet zoo lang kan wachten, Dat zijn vriendin, mijn ziekte, mij voleindt?

WARWICK. Ik vond den prins, heer, in het naast vertrek, Zijn eed'le wangen badend met zijn tranen, Met zulk een echt gebaar van diepen rouw, Dat Tyrannie, die niets dan bloed ooit dronk, Bij 't zien van hem, haar moorddolk af zou wasschen Met zachte deernisdroppels. Hij komt herwaarts.

KONING HENDRIK. Doch wat bewoog hem, om de kroon te nemen?

(Prins Hendrik komt terug.)

Daar komt hij, ziet!--Treed nader tot mij, Hendrik.-- Verlaat de kamer, laat ons hier alleen.

(Allen af, uitgezonderd Koning Hendrik en Prins Hendrik.)

PRINS HENDRIK. Ik dacht, ik zou u nooit meer hooren spreken.

KONING HENDRIK. Uw wensch was vader dier gedachte, Hendrik. Ik toef u hier te lang, maak u vermoeid. Wekt zoo mijn leêge stoel uw hunk'ring op, Dat gij volstrekt u met mijn rang wilt tooien, Nog vóór uw uur gerijpt is? Blinde knaap, De grootheid zoekt gij, die u overstelpt. Toef slechts een wijl; zoo zwak een tochtje houdt Mijn wolk van waardigheid in 't vallen tegen, Dat die dra zinken moet; mijn dag wordt donker. Gij hebt gestolen, wat na weinige uren U zijn zou zonder schuld; en bij mijn dood Hebt gij bezegeld wat ik heb gevreesd. Uw leven toonde, dat gij mij niet mindet, Nu wilt gij 't mij verzeek'ren, eer ik sterf. Gij bergt een duizend dolken in uw geest, En hebt die op uw steenen hart gewet Om mij een half uur levens af te steken. Wat! kunt gij zelfs geen half uur op mij wachten? Zoo ga dan heen, en delf gijzelf mijn graf, En laat de klokken blij in 't oor u klinken, Uw kroning u verkondend, niet mijn dood. De tranen, die mijn baar besproeien moesten, Zij mogen balsem zijn en 't hoofd u zalven; Bedek mij enkel met vergeten stof; Geef, wat u 't leven schonk, den wormen prijs; Verjaag mijn dienaars en verbreek mijn wetten; De tijd is daar, die spot met elken vorm. Hendrik de Vijfde heerscht!--Op, ijdelheid! Weg, koningswaardigheid! weg, wijze raders! Stroomt van alom naar 't hof van England heen, Komt vrij, gij apen in losbandigheid! Naburen, vlug! ontdoet u van uw schuim; Hebt gij een woestaard, die staâg vloekt, drinkt, danst, 's Nachts rinkelrooit, steelt, moordt, en de oudste zonden Aldoor op nieuw, op nieuwe wijzen pleegt;-- Heil u, niet langer is hij u tot last, England verguldt met dubbel goud zijn zonde, England verleent hem ambten, eer en macht; De vijfde Hendrik rukt betoomde woestheid Den muilband af des dwangs, en 't wilde beest Slaat ras zijn tand in 't vleesch van iedere onschuld. Mijn arm, arm rijk, dat bloedt van burgerkrijg! Zoo al mijn zorg uw woestheid niet kon keeren, Hoe zal 't u gaan, als woestheid voor u zorgt? Op nieuw, helaas! wordt gij een wildernis, Bevolkt door wolven, uwe vroeg're burgers!

PRINS HENDRIK (nederknielend). O Heer, vergeef mij; zonder deze tranen, De vochte hindernissen mijner spraak, Had ik dit grievend, diep verwijt voorkomen, Aleer uw leed zoo sprak, en ik zijn voortgang Zoo ver had aangehoord. Hier is uw kroon; En Hij, die zijne kroon onsterflijk draagt, Behoede u haar nog lang! Indien ik meer Haar liefheb dan uw eer en dan uw roem, Dan rijze ik nimmer op van deze eerbied'nis, Die innerlijk gevoel van waren eerbied Mij leert, dit uiterlijk, deemoedig knielen. O, God zij mijn getuige,--toen ik inkwam En bij uw majesteit geen adem vond, Hoe 't mij een steek door 't hart was!--Zoo ik huichel, Dat ik dan hier, in mijne woestheid, sterv', Niet leve, om de ongeloovige aard te toonen, Tot welk een eed'len omkeer ik besloot. Ik kwam om u te zien; ik dacht u dood, En, zelf schier dood, mijn vorst, door die gedachte, Sprak ik de kroon, als kon zij mij verstaan, Verwijtend toe: "De zorg, die aan u hangt, Heeft van mijns vaders lichaam zich gevoed; Daarom zijt gij, fijnst goud, het slechtste goud; Ja, ander, minder van karaat, is eed'ler, Dat leven schenkt in drinkbare artsenij; Doch gij, het fijnst, het rijkst in roem en eer, Hebt uwen heer verteerd." Zoo, vorst en vader, Verklaagde ik haar en zette haar op 't hoofd, Om met haar, als een vijand, die mijn vader, En voor mijn eigen oogen, had vermoord, Den strijd als wettig erfgenaam te wagen. Maar zoo zij mij het bloed door vreugd besmette, Mijn hart deed zwellen van verwaten trots, Zoo in mij een'ge drieste of ijd'le geest Met de geringste neiging tot een juichtoon Haar en haar macht als welkom heeft begroet, Dan houde God haar van mijn hoofd steeds verre, En make mij gelijk den minsten dienstman, Die eerbiedvol en sidd'rend voor haar knielt!

KONING HENDRIK. O, mijn zoon! God gaf u in, de kroon van hier te nemen, Opdat ge uws vaders liefde meer zoudt winnen Door zulk een wijs bepleiten van uw zaak. Kom, Hendrik, hier, en zet u aan mijn bed; En hoor, vermoed'lijk de' allerlaatsten raad, Dien ik ooit aad'men zal. God weet, mijn zoon, Door welke kromme wegen, slinksche treken Ik deze kroon verwierf; en ik, ik weet, Hoe drukkend zij mijn slapen heeft gekneld. Aan u valt zij ten deel met beet're rust, Met beet're meening, beet're zekerheid; Want iedre vlek van haar erlanging gaat Met mij in 't graf. Op mijn hoofd scheen zij slechts Een sieraad, met een drieste hand gevat; Er leefden velen om mij te verwijten, Dat ik haar enkel won door hunne hulp, Wat daag'lijks strijd en bloedvergieten wekte, Den schijnb'ren vrede wondde. 'k Heb die schrikken Met veel gevaar,--gij zaagt het,--vaak getrotst; Want mìjn bewind was steeds als een tooneel, Dat zulk een inhoud speelde,--tot mijn dood Nu 't spel verandert. Want wat ik verwierf, Valt op een schooner wijs thans u ten deel, Wijl gij als erfgenaam den haarband draagt. Maar toch, al staat gij vaster dan ooit ik, 't Is nog niet vast genoeg; nòg smeulen grieven; En al mijn' vrienden,--nog door u te winnen,-- Is pas de giftand en 't vergif ontrukt; Hun wreed bedrijf heeft mij de kroon verschaft, En hunne macht moest mij beducht doen zijn Voor nieuwe onttroning; en, om dit te ontgaan, Besnoeide en kapte ik hen, en was van plan Nu velen naar het Heilig land te voeren, Opdat niet rust en nietsdoen hun te zeer Mijn rijk deed gadeslaan. Daarom, mijn Hendrik, Zij dit uw weg: geef tuimelgeesten werk Door vreemden krijg; de strijd in 't buitenland Wissch' hun de heugnis uit van vroeger dagen. Meer wilde ik--, doch mijn stem is uitgeput; De longen weig'ren mij de kracht tot spreken. Ik won de kroon; O God vergeev' mij hoe, En sta haar u in waren vrede toe!

PRINS HENDRIK. Doorluchtig vorst, Gij wont en hoeddet, droegt haar, gaaft haar mij; Dies staat mij, bij 't bezit, het recht ter zij, Wat ik, al dreigde mij met al haar macht De gansche wereld, staaf met eed'le kracht.

(Prins John van Lancaster, Warwick, Lords en Anderen komen op.)

KONING HENDRIK. Zie, zie, daar komt mijn John van Lancaster.

PRINS JOHN. Gezondheid, vrede en heil, doorluchte vader!

KONING HENDRIK. Gij brengt mij heil en vrede, ja, mijn zoon; Maar ach! gezondheid vlood met jonge vleugels Den kalen dorren stam. Nu ik u zie, Is 't einde van mijn aardschen arbeid daar.-- Waar is mylord van Warwick?

PRINS HENDRIK. Mylord van Warwick!

KONING HENDRIK. Draagt het vertrek, waar ik in onmacht viel, Mylord, een eigen naam ter onderscheiding?

WARWICK. Het heet Jerusalem, mijn beste heer.

KONING HENDRIK. Geloofd zij God! Daar loopt mijn leven af; 't Is menig jaar geleden mij voorspeld, Dat ik zou sterven in Jerusalem. Ik waande steeds, dit was in 't Heilig land.-- Doch, breng mij in die kamer om te sterven; Jerusalem doe Hendrik rust verwerven!

(Allen af.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Glostershire. Een vertrek in het huis van Zielig.

Zielig, Falstaff, Bardolf en de Page komen op.

ZIELIG. Bij kris en kras, heer, gij zult van avond niet weg. Hé, David, zeg ik.

FALSTAFF. Gij moet mij ontschuldigen, heer Robert Zielig.

ZIELIG. Ik wil u niet ontschuldigen; gij zult niet ontschuldigd worden; ontschuldigingen worden niet aangenomen; geen ontschuldiging helpt u; gij zult niet ontschuldigd worden.--Kom toch, David!

(David komt op.)

DAVID. Hier ben ik, heer.

ZIELIG. David, David, David,--laat zien, David, laat eens zien; ja,--'t is waar ook, Willem, de kok, die moet hier komen.--Sir John, gij zult niet ontschuldigd worden.

DAVID. 't Is waar ook, heer, die dagvaardingen zijn niet in den haak. En nog iets, heer, moeten wij het voorland met tarwe bezaaien?

ZIELIG. Met roode weit, David.--Maar van Willem den kok gesproken:--zijn er geen jonge duiven?

DAVID. Ja zeker, heer.--Hier is de rekening van den smid, van beslaan en van ploegijzers.

ZIELIG. Laat die narekenen en betaal ze.--Sir John, gij zult niet ontschuldigd worden.

DAVID. En dan, heer, moet er ook een nieuwe ketting wezen voor den emmer;--en, heer, wilt gij Willem ook wat van zijn loon aftrekken, voor den zak, dien hij laatst op de markt te Hinckley verloren heeft?

ZIELIG. Hij moet dien vergoeden.--Wat duiven, David, een paar kortpootige kippen, een schapebout en nog wat aardige kleine versnaperingen; zeg dat aan Willem den kok.

DAVID. Blijft de krijgsman den geheelen avond nog, heer?

ZIELIG. Zeker, David; ik wil hem goed onthalen. Een vriend aan het hof is beter dan een stuiver in de beurs. Onthaal zijn manschappen goed, David, want zij zijn aartsschelmen en achter den rug maken zij iemand zwart.

DAVID. Niet erger zwart dan zijzelf zijn, heer, want zij hebben verduiveld smerige hemden aan 't lijf.