Part 13
ZIELIG. Hij is nog geen meester in het handwerk, hij doet het nog niet goed. Ik herinner mij nog van het schuttersfeest op de Vogelweide,--toen ik nog aan het Clemenshof was,--ik was toen de hofnar in den Koning-Arthurs-optocht,--toen was daar een klein kittig kereltje; en hij ging met zijn vuurroer om,--zóó; en dan maakte hij rechtsom; en dan weer rechtsomkeert; "pif, paf!" zeide hij; "bom", zeide hij; en dan was hij weer weg, en dan was hij weer terug;--zulk een kerel zie ik van mijn leven niet weer.
FALSTAFF. Deze manschappen kunnen dienen, mijnheer Zielig.--God zegen' u, mijnheer Stil; ik wil niet veel woorden met u zoek brengen.--Vaartwel, heeren, alle beiden; ik heb vanavond nog vier uur afstands voor de borst.--Bardolf, steek de soldaten in het pak.
ZIELIG. Sir John, God zegen' u, en de Hemel schenke u voorspoed in uw zaken, en geve ons vrede! Als gij terugkomt, bezoek dan mijn huis. Laat ons de oude kennis hernieuwen; misschien ga ik met u naar het hof.
FALSTAFF. Bij God, ik wenschte, dat gij het deedt, heer Zielig.
ZIELIG. Laat maar; een man, een woord. Vaarwel.
FALSTAFF. Vaartwel, heerlijke heeren.--(Zielig en Stil af.)--Voorwaarts, Bardolf, geleid de manschappen weg. (Bardolf, de Recruten enz. af.) Als ik terugkom, zal ik deze vrederechters villen; dien vrederechter Zielig zie ik door en door. Heere, Heere, wat zijn wij oude menschen met de ondeugd van het liegen behept! Deze zelfde uitgehongerde vrederechter heeft niets gedaan dan van de woestheid van zijn jeugd praten, en van de heldenstukken, die hij in de Turnbullstraat heeft uitgevoerd, en elk derde woord is een leugen, trouwer aan den toehoorder uitbetaald dan de zeerooversschatting aan den grooten Turk. Hij staat mij nog voor van Clemenshof, als een kerel, zooals men na tafel van kaaskorstjes snijdt; als hij naakt was, geleek hij sprekend op een gespleten radijs, waar men met een mes een malle tronie op gesneden heeft; hij was zoo uitgemergeld, dat zijn lengte en breedte aan ieder eenigszins zwak gezicht ontsnapten; hij was de echte genius van den honger; en toch zoo bronstig als een aap, en de hoeren noemden hem het alruintje. Hij kwam altijd een paar modes achteraan en zong aan de afgeranselde vrouwmenschen de deuntjes voor, die hij van karrelieden had hooren fluiten, en zwoer dan, dat het zijn eigen minneliederen of nachtgroeten waren. En nu is die zotskolf een landheer geworden en spreekt zoo gemeenzaam van Jan van Gent, alsof hij broederschap met hem gedronken had; en ik durf zweren, dat hij hem nooit gezien heeft, dan eens op het tornooiveld; en toen sloeg hem die een gat in 't hoofd, omdat hij zich tusschen de dienaars van den maarschalk indrong. Ik zag het, en zeide tegen Jan van Gent, dat zijn stok een anderen stok ranselde; want men had hem en zijn heelen om- en bijhang in een aalshuid kunnen stoppen; het foedraal van een hobo was een woonhuis, een hof voor hem; en nu heeft hij landerijen en vee. Nu, als ik terugkom, zal ik de kennis met hem aanknoopen, en het moet al vreemd loopen, als ik van hem niet twee steenen der wijzen voor mij maak. Als de jonge voren een hapje is voor een ouden snoek, dan zie ik naar het natuurrecht geen reden, waarom ik niet naar hem zou mogen happen. Komt tijd, komt raad,--en daarmee uit.
(Af.)
VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een woud in Yorkshire.
De Aartsbisschop van York, Mowbray, Hastings en Anderen komen op.
AARTSBISSCHOP. Hoe heet dit woud?
HASTINGS. Het is het woud van Gualtree, uw genade.
AARTSBISSCHOP. Zoo houdt hier stand, mylords, en zendt verkenners, Om zekerheid van 's vijands macht te erlangen.
HASTINGS. Dit is alreeds geschied.
AARTSBISSCHOP. Zeer goed gedaan.-- Mijn vrienden, broeders bij dit grootsche werk, Ik moet u melden, dat ik jonge brieven Van graaf Northumberland ontvangen heb, Van koelen inhoud, vorm en zin, aldus:-- Hij wenschte zeer, hier in persoon te zijn, En met een macht, die met zijn aanzien strookt, Doch kon die nog niet zaam'len, en hij week, Om zijn geluk, dat aanwast, te doen rijpen, Naar Schotland; en besluit met vuur'ge beden, Dat uwe poging 't waagstuk en den aanval Des schrikb'ren tegenstanders overleev'.
MOWBRAY. Zoo strandt alreeds de hoop, in hem gesteld, En wordt uiteengeslagen.
(Een Bode komt op.)
HASTINGS. Nu, wat wilt ge?
BODE. De vijand komt daar welgewapend aan, Een kleine mijl ten westen van dit woud; En naar de ruimte, die zij dekken, schat ik Zijn sterkte op dertigduizend man omtrent.
MOWBRAY. Het juist bedrag, door ons alreeds vermoed. Komt, opgerukt, en in het veld hem tegen!
(Westmoreland komt op.)
AARTSBISSCHOP. Wat zwaargewapend krijgshoofd nadert daar?
MOWBRAY. Mij dunkt, het is mylord van Westmoreland.
WESTMORELAND. Zijn heuschen groet zendt u ons legerhoofd, De prins en hertog, John van Lancaster.
AARTSBISSCHOP. Zeg ons, mylord van Westmoreland, in vrede, Wat uwe komst bedoelt.
WESTMORELAND. Welnu, mylord, Tot uwe genade in de eerste plaats richt ik Den inhoud mijner rede. Kwam rebellie, Zichzelf gelijk, met lage snoode rotten, Door jeugd, die dorst naar bloed, geleid, door woede Omstuwd, gesteund door bedelvolk en knapen,-- Ik zeg, deed zoo zich vloekbaar oproer voor, In echten, aangeboren, eigen vorm, Dan, achtbre vader en gij, eed'le lords, Waart gij niet hier, zoudt gij 't afzicht'lijk wezen Van lagen, bloedige' opstand niet bekleeden Met uwe glansrijke eer. Gij, lord aartsbisschop, Wiens stoel beschut wordt door den burgervrede, Wiens baard de zilvren hand des vredes tintte, Wiens weten en geleerdheid vrede voedde, Wiens wit gewaad het zinbeeld is der onschuld, De duif en zegenrijke geest des vredes,-- Waarom vertaalt gij thans zoo slecht uzelf, Uit zulk een liefdevolle spraak des vredes In deze woeste, ruwe taal des krijgs, Verkeert ge uw inkt en schrift in bloed en graven, Uw pen in oorlogslans, uw priestermond In schrille krijgsklaroen en strijdsignaal?
AARTSBISSCHOP. Waarom doe ik aldus?--zoo luidt de vraag. En bondig zeg ik:--allen zijn wij krank; Want door ons brassend, dartel leven haalden Wijzelf een heete koorts ons op het lijf, Waarvoor wij bloeden moeten; aangestoken Door deze kwaal, stierf onze koning Richard. Maar, mijn hoogeed'le heer van Westmoreland, Ik matig mij de rol van arts niet aan, En schaar geenszins, als vijand van den vrede, Mij in 't gedrang der mannen van den krijg; 'k Hul eer me een poos in 't schrikbaar krijgsgewaad, Om wulpschheid, ziek van overdaad, te stuiten, Verstoppingen te zuivren, die ons dreigend De levensaad'ren drukken. Klaarder spreek ik. Ik heb op juiste schalen streng gewogen, Wat leed onze oorlog brengt, wat leed wij lijden, En vind de grieven zwaarder dan 't vergrijp. Wij zien, waarheen de stroom des tijds zich spoedt, En uit de kalme rust van onze sfeer Drijft ons de felle vloed des tijdsgewrichts. Al onze grieven hebben wij omschreven, Om te geleeg'ner uur de lijst te ontvouwen; Ja, boden die reeds lang den koning aan, Doch geen verzoek verschafte ons ooit gehoor. Zijn wij gekrenkt en willen we ons beklagen, Dan wordt door hen juist, die ons grievend krenkten, De toegang tot den koning ons ontzegd. Zoowel 't gevaar der jongst verloopen dagen, Wier heug'nis nog op de aard geschreven staat Met zichtb're plekken bloeds, als de bewijzen Ons uur op uur geleverd van wat dreigt, Doen ons die kwalijkstaande waap'nen grijpen, Niet om den vrede of een'gen tak er van Te breken, neen, om waarlijk vreê te vesten, Die vrede zij van naam en van natuur.
WESTMORELAND. Wanneer dan werd u ooit gehoor geweigerd, Waardoor heeft ooit de koning u gekrenkt, Welk pair werd tegen u ooit opgehitst, Dat gij hier op dit rechtloos, bloedig boek Van schendig oproer 't kerk'lijk zegel drukken, En 't vlijmend scherp eens opstands heil'gen wilt?
AARTSBISSCHOP. Mijn algemeene broeder, onze staat, Doet in 't bijzonder mij, wiens eigen broeder Door wreedheid viel, herstel van onrecht eischen.
WESTMORELAND. Niets geeft het recht om zoo dien eisch te doen, En ware er recht, dan komt dit ù niet toe.
MOWBRAY. Waarom voor zijn deel hèm niet, als ons allen, Die saâm de builen van 't verleden voelen, Die lijden, nu de toestand onzes tijds, Zwaar en partijdig drukkend, op onze eer De handen legt?
WESTMORELAND. Mijn waarde vriend, Lord Mowbray, Bedenk slechts, hoe de tijd steeds nooddwang oefent, En gij zult zeggen, dat de tìjd het is, En niet de koning, die u onrecht doet. En wat uzelf betreft, zie ik niet in, Dat òf de koning, òf deze onze tijd U een'gen grond, een duimbreed zelfs, ooit gaf, Om grieven op te bouwen. Werdt gij niet Hersteld in al de rechten van uw vader, Den eed'len, onvergeten hertog Norfolk?
MOWBRAY. Wat eere had mijn vader dan verbeurd, Die weer in mij vernieuwd, verwekt moest worden? De koning, die hem liefhad, was gedwongen,-- Zoo eischte en drong de staat--hem te verbannen. Voorwaar, toen Hendrik Bolingbroke en hij, Te paard en elk in 't zaâl ten strijd gereed, Het brieschend ros aandrijvend met de sporen, De scherpe lans geveld, 't vizier gesloten, Het vlammend oog door 't stalen venster fonk'lend, En de klaroen gestoken tot den rit,-- Toen, toen er eindlijk niets was, dat mijn vader Meer afhield van de borst van Bolingbroke,-- O, toen de koning zijnen staf daar neêrwierp, Hing aan dien neêrgeworpen staf zijn leven; Hij wierp zichzelven neêr en aller leven, Die sinds door vonnis en 't geweld des zwaards Ten onder gingen onder Bolingbroke.
WESTMORELAND. Gij spreekt, Lord Mowbray thans gij weet niet wat. De graaf van Hereford stond toen bij een elk Als Englands dapperste edelman bekend; Wie weet dus, wien Fortuin daar toe zou lachen! En had uw vader daar gezegepraald, Wis, Coventry waar' 't graf zijns roems geweest; Want als eenstemmig had voor hèm heel 't land Een kreet van haat; al hun gebed, hun liefde Was Hereford toegewijd; die werd vergood, Gezegend, hoog vereerd, meer dan de koning. Doch hiermeê dwaal ik van mijn doelwit af. Ik kom uit naam mijns hoogen veldheers hooren, Wat uwe grieven zijn; en zijne hoogheid Zegt u door mij gehoor toe; en zoo verre Uw eischen billijk blijken, worden ze u In gunst verleend, en alles wordt vergeten, Wat aan uw vijandschap herinn'ren kan.
MOWBRAY. Hij noopte ons zelf, dit aanbod af te dwingen; Bereek'ning slechts, geen liefde geeft het in.
WESTMORELAND. Mowbray, het is laatdunkend dit te meenen; Geen vrees biedt dit u aan, genade alleen. Want zie, ginds ligt voor uwen blik ons leger, Dat, op mijn eer, vol zelfvertrouwen is, Te veel, om zelfs een zweem van vrees te voeden. Ons leger telt meer namen dan het uwe, Meer oef'ning hebben de onzen; onze waap'ning Is even goed, en beter onze zaak; En onze moed, het spreekt van zelf, niet minder; Daarom, spreek bij ons aanbod niet van vrees.
MOWBRAY. Nu, hoort men mij, dan wordt niet onderhandeld.
WESTMORELAND. Dit tuigt slechts van de schendigheid uws doens; Een etterbuil laat geen betasting toe.
HASTINGS. En heeft prins John een algeheele volmacht, Door onbepaalde machtiging zijns vaders, Om aan te hooren, en op ieder punt, Door ons gevorderd, afdoend te beslissen?
WESTMORELAND. Dit ligt reeds in den naam van generaal; 'k Verbaas mij over zulk een ijd'le vraag.
AARTSBISSCHOP. Neem dan, mylord van Westmoreland, dit stuk, Dat kort ons aller grieven samenvat. Zoo iedre klacht hiervan herstel verwerft, Al onze medestanders, hier en elders, Die aan dit werk zich hebben toegewijd, Vrijspraak erlangen door een wettig stuk, En spoedige vervulling onzer wenschen Aan ons en aan ons doel verzekerd wordt, Dan keeren we in des eerbieds bedding weer En boeien onze macht in de' arm des vredes.
WESTMORELAND. 'k Zal dit den veldheer toonen. Laat ons, heeren, Ten overstaan der legers samenkomen; En brengen we, als God wil, den vreê tot stand! Of roepen we onze zwaarden op ter kampplaats, Dat zij alsdan beslissen.
AARTSBISSCHOP. 't Zij zoo, heer.
(Westmoreland af.)
Er is iets in mijn boezem, dat mij zegt, Dat geen verdrag van vrede stand zal houden.
HASTINGS. Vrees dit geenszins! Gelukt het ons den vrede Zoo hecht te vesten op zoo breeden grondslag, Als die, waar onze vord'ring zich aan houdt, Dan is de vrede onwrikbaar als een rots.
MOWBRAY. Ja, maar wij zullen zoo gewogen worden, Dat iedre minste, valsch begrepen oorzaak, Ja, iedere ijd'le, kleine, dwaze grond Den koning naar deze' opstand smaken zal. Men zal ons, zelfs al maakte ons onze trouw Tot mart'laars, wannen met zoo ruwen wind, Dat ook ons koren licht als kaf zal schijnen, En 't goede en 't kwade niet gescheiden wordt.
AARTSBISSCHOP. Neen, neen, mylord. Bedenk: de koning is Dat vergezocht, spitsvondig wrokken moe; Hem bleek: wie ééne vrees door dood verdrijft, Verwekt twee grootere in de levende erven. Daarom wischt hij zijn tafels gaarne schoon, En houdt geen klapper aan voor zijn geheugen, Die telkens hem op nieuw zijn leed vertelt Tot versche erinn'ring; want hij weet zeer wel, Dat hij dit land zoo schoon niet wieden kan, Als hem zijn argwaan telkens zou doen wenschen; En vriend en vijand wort'len zoo dooreen, Dat, als hij éénen vijand uit wil trekken, Hij ook een vriend schier rooit en wagg'len doet, Zoodat dit land,--als een weerbarstig wijf,-- Wanneer hij dreigt, zijn kind hem tegenhoudt, En zóó de voorgenomen tuchtiging Doet zweven in den opgeheven arm.
HASTINGS. Ook heeft de koning al zijn roeden reeds Aan vorige overtreders opgebruikt, Zoodat hem nu geen werktuig rest ter straffe, En, als een klauwenlooze leeuw, zijn macht Wel dreigen, maar niet pakken kan.
AARTSBISSCHOP. Zeer waar; En daarom, wees verzekerd, goede maarschalk, Komt de verzoening goed tot stand, dan wordt De vrede, als een geheeld gebroken lid, Juist door de breuk versterkt.
MOWBRAY. Het zij dan zoo. Daar is mylord van Westmoreland terug.
(Westmoreland komt weder op.)
WESTMORELAND. De prins is daar, behaagt het u, mylord, Halfweg van beide legers hem te ontmoeten?
MOWBRAY. Nu, heer aartsbisschop, kom dan in Gods naam!
AARTSBISSCHOP. Groet gij zijn hoogheid eerst, mylord; wij volgen.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het woud.
Van de eene zijde komen op: Mowbray, de Aartsbisschop, Hastings en Anderen; van de andere zijde: Prins John van Lancaster, Westmoreland, Officieren en Gevolg.
PRINS JOHN. Ik heet u vriendlijk welkom hier, neef Mowbray.-- Ontvang mijn groet, eerwaardige aartsbisschop; En zoo ook gij, lord Hastings,--en gij allen.-- Mylord van York, veel schooner kwaamt gij uit, Als, door de klokken saamvergaard, uw kudde, Om u geschaard, eerbiedige aandacht schonk Aan uw verklaring van Gods heilig woord, Dan nu gij hier verschijnt als man van staal, Een bende muiters aanvuurt met uw trom, In 't zwaard het woord verkeert, in dood het leven. De man, die in het hart eens konings troont En in den zonschijn zijner gunst gedijt,-- Als hij des konings steun misbruiken wil, Wat vloed van onheil, ach, kan hij ontboeien, Door zulk een macht beschaduwd! Zoo, lord bisschop, Is 't ook met u. Want wie heeft niet vernomen, Hoe diep ge in 't woord van God zijt ingedrongen, Voor ons de ontvouwer zijt zijns hoogen raads, De ware tolk en midd'laar, die des hemels Genade en heiligheden openbaart Aan onze blindheid? O, wie zal niet meenen, Dat gij de hoogheid van uw ambt misbruikt, En u van 's hemels heil'gen steun bedient. Als een valsch gunstling van zijns vorsten naam, Tot boos en eerloos doen? Gij hebt, in schijn Voor God volijv'rig, van zijn plaatsbekleeder, Mijn vader, de onderdanen opgehitst, En tegen 's hemels en zijns vorsten vrede Hen hier doen samenzwermen.
AARTSBISSCHOP. Waarde prins, Mijn komst belaagt uws vaders vrede niet; Maar,--'k deelde dit lord Westmoreland reeds meê,-- Ons dringt de woeste, ontstemde tijd opeen, En perst vanzelf ons in deez' schrik'bren vorm, Tot onze zekerheid. Ik zond uw hoogheid De lijst en juiste omschrijving onzer grieven, Die 't hof met wreev'len hoon ter zijde schoof, Waaruit dit Hydramonster, oorlog, sproot; Diens dreigende oogen zijn, door toe te staan Wat billijk wordt verlangd, in slaap te toov'ren, Zoodat gehoorzaamheid, geheeld van dolheid, Gedwee zich neervlijt aan des vorsten troon.
MOWBRAY. Bij weig'ring zullen we ons geluk beproeven Tot op den laatsten man.
HASTINGS. En falen wij, Dan zijn er helpers, die ons streven steunen; Mislukt het hun, dan staan hen andren bij; En zoo zal telkens onheil onheil wekken; Een reeks van erven zet het strijden voort, Zoolang in England nog gedachten zijn.
PRINS JOHN. Uw doorzicht, Hastings, is te zwak, te zwak, Om tot der toekomst bodem door te dringen.
WESTMORELAND. Wil uw genade hun niet ronduit melden, Hoe ver ge in elk der eischen treden kunt?
PRINS JOHN. Ik billijk ze alle en stem er dus mee in; En zweer hier bij den adel van mijn bloed: Miskend werd, wat mijn vader heeft bedoeld; En enk'len om hem hebben al te stout Des konings meening en bevel verdraaid.-- Mylord, aan uwe klachten wordt voldaan, En spoedig, op mijn woord. Voldoet u dit, Zoo zend uw scharen weg, elk naar zijn graafschap; Zoo doen ook wij;--dan hier, voor beide legers, Een dronk gewisseld en elkaar omarmd, Opdat elks oog die panden huiswaarts neem' Van onzen zoen en weer hernieuwde vriendschap.
AARTSBISSCHOP. 'k Aanvaard uw vorstlijk woord voor de vervulling.
PRINS JOHN. Ik geef het u en doe mijn woord gestand; En hierop drink ik uw genade toe.
HASTINGS (tot een Officier). Ga, hopman, breng ons heer de vredeboodschap; Betaal hun loon hun uit en laat hen gaan. Ik weet, dit is hun welkom; spoed u, hopman.
(De Officier af.)
AARTSBISSCHOP (den beker toebrengend). Heil, u, mijn eed'le lord van Westmoreland!
WESTMORELAND. Heil uw genade; wist gij, hoeveel moeite Mij 't stichten der verzoening heeft gekost, Dan zoudt ge een diepe teug doen; doch ik hoop Nog nader u mijn vriendschap te bewijzen.
AARTSBISSCHOP. Ik twijfel niet aan u.
WESTMORELAND. Dit streelt mij zeer.-- Het welzijn van mijn goeden vriend, neef Mowbray!
MOWBRAY. Gij wenscht mij juist ter snede welzijn toe; Want plots'ling voel ik mij wat ongesteld.
AARTSBISSCHOP. Als onheil naakt, is steeds de mensch blijmoedig; Zwaarmoedigheid verkondigt goed geluk.
WESTMORELAND. Dus vroolijk, neef! daar plotselinge zorgen Den troost u brengen: "wacht iets goeds op morgen!"
AARTSBISSCHOP. Geloof mij, ik ben uitermate luchtig.
MOWBRAY. Des te erger, zoo uw eigen regel geldt.
(Gejubel achter het tooneel.)
PRINS JOHN. De vrede is uitgeroepen, hoort, welk juichen!
MOWBRAY. Schoon zou dit klinken, na een zegepraal.
AARTSBISSCHOP. Een vrede is één van aard met overwinnen; De twee partijen zijn met eer bedwongen, En geen partij verliest.
PRINS JOHN. Ga heen, mylord, En zorg, dat ook òns leger wordt ontbonden.--
(Westmoreland af.)
En, waarde lord, dat hier ons beider scharen Langs trekken, en wij zien, met welke mannen Wij ons te meten hadden.
AARTSBISSCHOP. Ga, lord Hastings, Vóór 't scheiden trekken zij hier langs.
(Hastings af.)
PRINS JOHN. Mylords, Ik hoop, wij leeg'ren deze nacht bijeen.--
(Westmoreland komt terug.)
Waarom, neef, breken de onzen nog niet op?
WESTMORELAND. De aanvoerders houden stand; zoo luidde ùw last; Zij willen niet van hier, eer gij hun zelf Dien last herroept.
PRINS JOHN. Dan kennen zij hun plicht.
(Hastings komt terug.)
HASTINGS. Mylord, ons leger is alreeds verstrooid. Als jonge, ontjukte stieren loopen zij Oost, west, noord, zuid; als knapen uit de school IJlt ieder naar de speelplaats en naar huis.
WESTMORELAND. Een goede tijding, heer, waarvoor ik u Om hoogverraad in hecht'nis neem, verrader; Ook u, lord aartsbisschop, en u, lord Mowbray, Neem ik om halsverraad hier in arrest.
MOWBRAY. Is deze handelwijs gerecht en eervol?
WESTMORELAND. Is uw verbond het?
AARTSBISSCHOP. Gij breekt aldus uw woord?
PRINS JOHN. U gaf ik 't niet. Ik zeide u toe, verhooring van de klachten, Die gij mij deedt; en daaraan, op mijn eer, Zal ik, zoo waar ik christen ben, mij houden. Doch gij, rebellen, weest bereid te proeven, Wat uw verraad en heel uw doen verdient. Lichtvaardig heeft uw krijg den staat beroerd; Blind kwaamt gij hier, dwaas wordt gij heengevoerd. Rukt op, en die verstrooiden na! op heden Heeft God, niet wij, dien veil'gen strijd gestreden.-- Gij daar, bewaakt voor 't blok die vorstensmaders; Want dat is 't rechte doodsbed voor verraders.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het woud.
Krijgsrumoer; schermutselingen. Falstaff en Coleville komen op, van verschillenden kant.
FALSTAFF. Uw naam, heer? van wat rang zijt gij en van welke plaats? Spreek!
COLEVILLE. Ik ben een ridder, heer; en mijn is naam is Coleville van het dal.
FALSTAFF. Dus: Coleville is uw naam, ridder uw titel, en uw plaats het dal. Coleville zal uw naam blijven, verrader uw titel en de kerker uw plaats;--een plaats, diep genoeg; zoo blijft uw naam steeds Coleville van het dal.
COLEVILLE. Zijt gij niet Sir John Falstaff?
FALSTAFF. Een even goed man als hij, Sir, wie ik ook zijn moge. Geef gij u over, heer, of moet ik om u zweeten? Als ik zweet, zijn het de droppels van uw vrienden, die om uw dood weenen; daarom, schud uw vrees en beving wakker, en verdeemoedig u voor mijn barmhartigheid.
COLEVILLE. Ik geloof, dat gij Sir John Falstaff zijt, en in dat geloof geef ik mij over.
FALSTAFF. Ik heb een gansche school van tongen in dezen mijnen buik, en geen van al die tongen spreekt een ander woord dan mijn naam. Als ik maar een buik had van eenige middelmaat, zou ik eenvoudig de flinkste kerel in Europa zijn; mijn pens, mijn pens, mijn pens is mijn ongeluk.--Daar komt onze veldheer.
(Prins John van Lancaster, Westmoreland en Anderen komen op.)
PRINS JOHN. De drijfjacht is gedaan; vervolgt niet verder.-- Roep 't volk terug, mijn waarde Westmoreland.--
(Westmoreland af.)
Zoo, Falstaff, wat deedt gij den ganschen tijd? Nu alles uit is, komt gij voor den dag. Met zulke trage streken breekt gij eens, Ik zweer 't u, de eene of andere galg den rug.
FALSTAFF. Het zou mij leed doen, heer, maar het moet wel zoo komen; ik heb nooit anders gehoord, dan dat berisping en verwijt het loon der dapperheid waren. Houdt gij mij voor een zwaluw, een pijl of een kogel? heb ik in mijn arme oude beenen de snelheid van de gedachte? Ik ben hierheen geijld tot den uitersten duimbreed der mogelijkheid; ik heb over de honderd-en-tachtig postpaarden te schande gereden; en hier, zoo afgejakkerd als ik ben, heb ik, in mijn zuivere en onbevlekte dapperheid, Sir John Coleville van het dal gevangengenomen, een uiterst woedenden ridder en dapperen vijand. Maar wat zal ik er van zeggen? hij zag mij en gaf zich over, zoodat ik met dien kromneuzigen Romeinschen snaak te recht zeggen kan: "ik kwam, ik zag en overwon."
PRINS JOHN. Dat was meer zijn hoffelijkheid dan uw verdienste.
FALSTAFF. Ik weet niet; hier is hij, en hier lever ik hem over. En ik verzoek uwe genade, laat het geboekt worden bij de overige daden van dezen dag: of, bij den hemel, ik laat er mij anders een bijzondere ballade over maken, met mijn eigen beeltenis er boven, hoe Coleville mij de voeten kust. Wanneer ik tot die handelwijs gedwongen word, indien gij allen dan niet als vergulde duiten bij mij afsteekt, en ik aan den helderen hemel van den roem u niet even ver overstraal, als de volle maan het de vonkjes van het firmament doet, die bij haar speldeknoppen schijnen, sla dan nooit meer geloof aan het woord van een edelman. Daarom, laat mij recht wedervaren en verdienste stijgen!
PRINS JOHN. De uwe is te zwaar om te stijgen.
FALSTAFF. Laat haar dan schijnen.
PRINS JOHN. De uwe is te dik om te schijnen.
FALSTAFF. Laat het dan maar doen, wat ook, mijn beste prins, dat mij goed kan doen, en noem dit, zooals gij wilt.
PRINS JOHN. Uw naam is Coleville?
COLEVILLE. Zoo is 't, mylord.
PRINS JOHN. Gij, Coleville, zijt een vermaard rebel.
FALSTAFF. En die hem ving, is een vermaard trouw onderdaan.