Part 12
WAARDIN. O, de hemel beware uwe lieve genade! Op mijn woord, welkom in Londen.--Nu, de Heer zegene dit liefelijk gelaat van u! O Jezus, komt gij uit Wales?
FALSTAFF. Gij liederlijk en verdwaasd stuk majesteit,--bij dit licht (Hij legt de hand op Doortje.) vleesch en verdorven bloed, gij zijt welkom.
DOORTJE. Wat, jij vette zotskap? je kunt me gestolen worden.
POINS. Mylord, hij zal u van uw wraak afbrengen, en alles in een grap verkeeren, als gij niet de eerste hitte waarneemt.
PRINS HENDRIK. Jij liederlijke smeerkaarsmijn, jij, hoe schandelijk spraakt gij daareven van mij tot deze eerzame, deugdzame, fatsoenlijke juffer!
WAARDIN. God zegene uw goed hart! dat is ze ook, bij mijn ziel.
FALSTAFF. Hebt gij het gehoord?
PRINS HENDRIK. Ja, en je kende mij, zooals je deedt, toen je bij Gadshill op den loop gingt; je wist, dat ik achter je stond en spraakt opzettelijk zoo, om mijn geduld op de proef te stellen.
FALSTAFF. Neen, neen, neen, dat niet; ik dacht niet, dat je mij hooren kondt.
PRINS HENDRIK. Dan zal ik er je toe drijven, dat je den opzettelijken laster erkent; en dan weet ik, hoe ik met je te doen heb.
FALSTAFF. Geen laster, Hein; op mijn eer, geen laster.
PRINS HENDRIK. Niet! mij te beschimpen, en mij broodmeester, en voorsnijder en ik weet niet wat te noemen?
FALSTAFF. Geen laster, Hein.
POINS. Geen laster!
FALSTAFF. Geen laster, Edu, ter wereld niet; neen, brave Edu, volstrekt niet. Ik beschimpte hem bij de goddeloozen, opdat de goddeloozen niet op hem zouden verlieven;--en door zoo te doen heb ik gehandeld als een bezorgd vriend en getrouw onderdaan, en uw vader is er mij dank voor schuldig. Geen laster, Hein;--in het minst niet, Edu;--neen, jongens, waarachtig, niet in het minst.
PRINS HENDRIK. Zie nu eens, brengt loutere vrees of algeheele lafhartigheid er je niet toe, van deze deugdzame juffer kwaad te spreken, om je met ons te verzoenen? Is zij van de goddeloozen? Is de waardin hier van de goddeloozen? Of is de jongen van de goddeloozen? of de eerlijke Bardolf, wiens geloofsijver in zijn neus gloeit, van de goddeloozen?
POINS. Antwoord, jij afgestorven olm, antwoord!
FALSTAFF. De Booze heeft Bardolf onherroepelijk aangekalkt; en zijn gezicht is Lucifers bijzondere keuken, waar hij niets doet dan moutwurmen roosteren. Wat den jongen aangaat,--er is een goede engel om hem heen, maar de duivel blijft ook boven dezen aan 't bod.
PRINS HENDRIK. En de vrouwen?
FALSTAFF. De een van haar, die is reeds in de hel en verbrandt arme zielen. Wat de ander betreft; ik ben haar geld schuldig, en of zij daarvoor verdoemd is of niet, weet ik niet.
WAARDIN. Neen, waarachtig niet.
FALSTAFF. Neen, ik geloof het ook niet; ik geloof, daar ben je vrij van. Maar er is nog een andere aanklacht tegen je, dat je tegen de wet in je huis vleesch laat eten; en daarvoor, geloof ik, zul je eens huilen.
WAARDIN. Dat gebeurt in alle gaarkeukens. Wat wil een schapebout of twee zeggen in een heele vasten?
PRINS HENDRIK. Gij, mejuffer,--
DOORTJE. Wat zegt uwe genade?
FALSTAFF. Zijne genade zegt iets, waartegen zijn vleesch in opstand komt.
(Er wordt geklopt.)
WAARDIN. Wie klopt daar zoo hard op de deur? kijk eens aan de deur, Frans!
(Peto komt op.)
PRINS HENDRIK. Zoo Peto! spreek, wat is er?
PETO. De vorst, uw vader, is te Westminster; Een twintig moede, matte boden kwamen Van 't noorden aan; en onderweg haalde ik Hoplieden in, wel een dozijn; die klopten Blootshoofds, bezweet, aan elke herberg aan, En vroegen iedereen naar Sir John Falstaff.
PRINS HENDRIK. Bij God, Poins, laakbaar is het, dit erken ik, Dat ik den eed'len tijd zoo wuft ontwijd, Terwijl, als zuiderstorm, des oproers onweer Met zwarte wolken nadert, smelten gaat, En neerdrupt op ons naakt, nog weerloos hoofd. Mijn zwaard en mantel hier!--Falstaff, goê nacht!
(Prins Hendrik, Poins, Peto en Bardolf af.)
FALSTAFF. Nu komt het lekkerst hapje van den geheelen avond en wij moeten weg, en het onaangeroerd laten. (Er wordt geklopt.) Nog al meer geklop op de deur!
(Bardolf komt terug.)
Nu, wat is er?
BARDOLF. Gij moet naar 't hof, heer, daad'lijk; een dozijn Hoplieden staan u aan de deur te wachten.
FALSTAFF (tot den Page). Betaal de muzikanten, jongen.--Vaarwel, waardin; vaarwel, Doortje. Gij ziet, mijn lieve vrouwtjes, hoe mannen van verdiensten gezocht zijn; de verdienstelooze kan blijven slapen, terwijl de man van daden wordt opgeroepen. Vaartwel, lieve vrouwtjes. Als ik niet op staanden voet weg moet, zie ik je nog, voor ik ga.
DOORTJE. Ik kan niet spreken;--als mijn hart niet tot berstens toe vol is!--nu, mijn Hans, neem je in acht!
FALSTAFF. Vaarwel, vaarwel!
(Falstaff en Bardolf af.)
WAARDIN. Nu, vaarwel! negen en twintig jaar heb ik je gekend, als de jonge erwten komen; maar een braver kerel, een trouwer hart,--nu vaarwel!
BARDOLF (buiten). Juffer Scheurlaken!
WAARDIN. Wat is er?
BARDOLF (buiten). Zeg aan juffer Scheurlaken, dat zij bij mijn meester komt.
WAARDIN. O! loop, Doortje! loop, lieve Doortje!
(Beiden af.)
DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een kamer in het paleis.
Koning Hendrik komt op, in huisgewaad, met een Page.
KONING HENDRIK. Ga, roep de lords van Surrey en van Warwick; Maar zeg hun, eer zij komen, dezen brief Aandachtig te overwegen. Ga, maak spoed!--
(De Page af.)
Hoe vele duizend need'rige onderdanen Zijn thans in slaap!--O slaap, o zoete slaap! Natuurs verpleger, hoe dreef ik u heen, Dat gij mijn oogleên niet bezwaren wilt, Mijn zinnen domp'len in vergetelheid? Waarom, o slaap, ligt ge in den rook van stulpen, En strekt ge u liever uit op prikk'lig stroo, Door 't nachtgegons van vliegen ingedommeld, Dan in der grooten zoetdoorgeurd vertrek, Door rijke kostb're hemels overwelfd, En ingesust door zoete melodieën? O dommelgod, waarom ligt gij bij beed'laars In 't walglijk bed, en schuwt des konings sponde, Alsof ze een wacht- of stormklokhuisje waar'? Verzegelt ge op een zwiepend hooge mast Des jongen scheep'lings oog, en wiegt zijn brein In 't schommelbed der woeste, trotsche branding, En midden in de werv'ling van den storm, Die bij de kuif de woeste baren pakt, Haar reuzenkoppen kroest en met verdoovend Gebrul die ophangt in het druipend zwerk, Zoodat de dood zelfs van 't geraas ontwaakt? Verleent ge, o slaap, partijdig den doornatten Scheepsjongen in zoo schrikk'lijk uur uw rust, En weigert ge in de stilste, kalmste nacht, Bij alle hulp en midd'len, haar een koning? Zoo vlij u neer, benijdb're dorperszoon! Hard ligt het hoofd, omsloten door een kroon.
(Warwick en Surrey komen op.)
WARWICK. Uw majesteit, een schat van goede morgens!
KONING HENDRIK. Is 't goede morgen, lords?
WARWICK. 't Is over éénen.
KONING HENDRIK. U beiden goeden morgen dan, mylords! Hebt gij den brief gelezen, dien ik zond?
WARWICK. Wij deden 't, heer en vorst.
KONING HENDRIK. Dan weet gij, hoe het lichaam onzes rijks Zwaar krank is, en hoe weeldrig booze kwalen Er woek'ren, dicht bij 't hart, tot groot gevaar.
WARWICK. Het is slechts als een lichaam, dat onwel is, Maar dat tot vroeg're kracht herstellen kan, Door goeden raad en luttel artsenij. Mylord Northumberland zal dra verkoeld zijn.
KONING HENDRIK. God! kon een mensch in 't boek van 't noodlot lezen, Aanschouwen, hoe der tijden ommezwaai De bergen effent, hoe het vaste land, Zijn hechte vastheid moede, in zee vervloeit;-- Zag hij op and'ren tijd des oceaans Omgordende' oever voor Neptunus' heupen Te wijd geworden;--hoe het toeval spot, En omkeer staâg der wiss'ling beker vult Met and're dranken! O, zag iemand dit, De blijdste jong'ling--zóó zijn weg aanschouwend, Doorstaan gevaar en nog te lijden nood,-- Hij sloot het boek en zette zich tot sterven. Tien jaren zijn 't nog niet, Sinds Richard en Northumberland slampampten Als groote vrienden; en geen twee jaar later Bestreden zij elkaâr. Acht jaar slechts zijn 't, Dat deze Percy, toen mijns boezems vriend, Gelijk een broeder sloofde in mijn belang, En liefde en leven aan mijn voeten leide, Ja, Richard in 't gezicht om mijnentwil Trotseerde. Doch,--wie uwer was er bij?-- Als ik mij wel herinner, gij neef Nevil-- Dat Richard, 't oog van tranen overstelpt, Wijl hem Northumberland beschimpte en gispte, De woorden sprak, die nu profetisch blijken: "Northumberland, gij ladder, waar mijn neef, Waar Bolingbroke mijn troon nu mee bestijgt,"-- Schoon ik, God weet het! zulk een plan niet voedde; Noodzaak'lijkheid slechts boog den staat zoo neêr, Dat ik de grootheid was verplicht te kussen;-- "Eens komt de tijd," zoo voer hij voort, "hij komt, Dat booze zonde rijpt, en zich verzaam'len En openbreken zal;"--toen sprak hij verder, En spelde heel den toestand dezes tijds, En ook uitdrukk'lijk onze vriendschapsbreuk.
WARWICK. Elk menschenleven is als een geschied'nis, Die de natuur des dooden tijds weerspiegelt; Wie goed haar nagaat, profeteert allicht, Met scherpen blik, het hoofdverloop der dingen, Die nog niet leven, maar die in hun zaad En zwakken oorsprong weggeborgen rusten; De tijd broedt ze uit en kweekt ze verder op;-- En daar noodwendig volgen moet wat volgt, Kon koning Richard 't wis vermoeden vormen, Dat deze groote graaf, valsch jegens hem, Ontkiemend, groeien zou tot grooter valschheid, Die nergens grond ter wort'ling vinden zou, Dan juist bij u.
KONING HENDRIK. Zijn deze dingen noodzaak? Dàn haar bejegend, als men noodzaak doet! En nu juist roept ditzelfde woord ons op: De bisschop en Northumberland, zoo zegt men, Zijn vijftigduizend sterk.
WARWICK. Dit kan niet zijn, mijn vorst, 't Gerucht verdubbelt, als de stem der echo, Het tal van wie men ducht.--Ik smeek uw hoogheid, Leg u ter ruste; bij mijn leven, heer, De macht, die gij alreeds hebt afgezonden, Brengt zeer gemakk'lijk dezen buit u aan. Tot meerder troost nog dit: ik heb vernomen, En zeker, dat Glendower gestorven is. Gij zijt, mijn vorst, nu veertien dagen krank, En zulk ontijdig waken moet volstrekt Uw ziekte doen vererg'ren.
KONING HENDRIK. 'k Volg uw raad; En ware reeds dit oproer overmand, Wij trokken, waarde lords, naar 't heilig land.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Plein voor het huis van den vrederechter Zielig in Glostershire.
Zielig en Stil komen op, van verschillenden kant. Schimmelig, Schaduw, Wrat, Slap en Bulkalf, benevens Bedienden, op den achtergrond.
ZIELIG. Welzoo, welzoo, welzoo, man; geef mij de hand, man! geef mij de hand, man; vroeg op het pad, bij mijn ziel. En hoe maakt het mijn goede neef Stil?
STIL. Goeden morgen, goede neef Zielig!
ZIELIG. En hoe maakt het mijn nicht, uw echtgenoot? en onze allerliefste dochter, mijn petekind Lena?
STIL. Ach, een zwarte merel, neef Zielig.
ZIELIG. Bij ja en neen, neef, ik durf wedden, dat mijn neef Willem een goed studiosus is geworden. Hij is nog te Oxford, niet waar?
STIL. Zeker; hij kost mij geld.
ZIELIG. Dan moet hij binnenkort naar de gerechtshoven. Ik ben indertijd bij het Sint-Clemenshof geweest; ze zullen daar, denk ik, nog wel van den dollen Zielig spreken.
STIL. Gij werdt toen de vroolijke Zielig genoemd, neef.
ZIELIG. Bij het sacrament, ik werd van alles genoemd; en ik zou ook van alles gedaan hebben, waarachtig, en zonder bedenken ook. Daar was ìk, en de kleine Jan Duit uit Staffordshire, en de zwarte George Kaal, en Frans Pikkebeen, en Willem Kwaak uit Cotswold; vier zulke kemphanen zijn er sedert bij alle gerechtshoven samen niet geweest, en,--dit wil ik u wel zeggen,--wij wisten, waar er willige waar te vinden was en hadden altijd de besten er van tot onze beschikking. Daar was ook Hans Falstaff, nu Sir John, een jonge borst en page van Thomas Mowbray, hertog van Norfolk.
STIL. Diezelfde Sir John, neef, die nu om soldaten hier naar toe komt?
ZIELIG. Dezelfde Sir John, ja, dezelfde. Ik heb hem Skogan aan den ingang van ons gerechtshof een gat in 't hoofd zien slaan, toen hij nog een bengel was, niet zóó hoog; en dien eigen dag vocht ik met een zekeren Simson Stokvisch, een fruitkooper, achter Gray's gerechtshof. Jezus, Jezus! wat dolle dagen heb ik daar doorgebracht! En als ik nu zie, hoe veel oude kennissen er al dood zijn!
STIL. Wij zullen allen volgen, neef.
ZIELIG. Zeker, 't is zeker; dat zegt ge wel, dat zegt ge wel; de dood, zegt de Psalmist, is het deel van allen; allen moeten sterven.--Hoe veel deed een goed juk ossen op de Stamfordermarkt?
STIL. Om de waarheid te zeggen, neef, ik ben er niet geweest.
ZIELIG. De dood komt zeker. Is de oude Dubbel daar bij u in de stad nog in leven?
STIL. Dood, neef.
ZIELIG. Jezus, Jezus, dood!--Hij spande een goeden boog;--en dood!--hij schoot een mooi schot;--Jan van Gent mocht hem graag lijden en hield altijd veel geld op zijn hoofd. Dood!--Op twee honderd-en-veertig el trof hij het wit en dreef je een puikbesten pijl wel tot twee honderd-en-tachtig of ook wel negentig, dat het iemands hart goed deed het te zien.--Hoeveel doet het dozijn schapen tegenwoordig?
STIL. Al naar dat ze zijn. Een dozijn goede schapen zal zijn tien pond wel waard zijn.
ZIELIG. En is de oude Dubbel dood?
(Bardolf komt op, van een Makker vergezeld.)
STIL. Daar komen, denk ik, twee van Sir John Falstaff's mannen aan.
BARDOLF. Goeden morgen, edele heeren! Ik bid u, wie is hier de vrederechter Zielig?
ZIELIG. Ik ben Robert Zielig, heer, een arm grondeigenaar in dit graafschap, en een van 's konings vrederechters. Wat is er van uw dienst?
BARDOLF. Mijn hopman laat u groeten, heer; mijn hopman, Sir John Falstaff; een geweldig ridder, bij den hemel, en een recht dapper aanvoerder.
ZIELIG. Mijn dank voor zijn groet, heer; ik heb hem gekend, een goede houwdegen. Hoe gaat het den goeden ridder? en mag ik vragen, hoe gaat het mevrouw zijn gemalin?
BARDOLF. Neem niet kwalijk, heer; een soldaat is beter geaccommodeerd dan met een vrouw.
ZIELIG. Goed gezegd, heer, waarachtig! ja, en inderdaad ook 't is goed gezegd. "Beter geaccommodeerd!"--zeer goed; ja, inderdaad, dat is het; goede phrasen, waarachtig, zijn en waren van oudsher zeer te recommandeeren. Geaccommodeerd! het komt van accommodo; zeer goed; een goede phrase!
BARDOLF. Neem me niet kwalijk, heer; ik heb het woord van hooren zeggen. Phrase noemt gij het? Bij den hemel, de phrase ken ik niet; maar het woord wil ik met mijn zwaard volhouden, dat het een goed soldatenwoord is, en een uitmuntend goed woord om te commandeeren, ja waarachtig! Geaccommodeerd; dat is, als een mensch, om zoo te zeggen, geaccommodeerd is; of, als een mensch is,--zoo is,--waardoor,--dat men hem voor geaccommodeerd mag houden; wat een heerlijk ding is.
(Falstaff komt op.)
ZIELIG. Dat is zeer waar.--Zie, daar komt de goede Sir John.--Geef mij uw waarde hand, geef mij uw edelheids waarde hand. Op mijn woord, gij ziet er goed uit en draagt uw jaren zeer goed; welkom hier, goede Sir John.
FALSTAFF. Ik ben verheugd u wel te zien, mijn goede heer Robert Zielig.--De heer Troef, als ik wel heb?
ZIELIG. Neen, Sir John, het is mijn neef Stil, mijn ambtgenoot.
FALSTAFF. Waarde heer Stil, het is recht goed geschikt, dat gij vrederechter zijt.
STIL. Uw edelheid is welkom.
FALSTAFF. Foei! welk een heet weer!--Heeren, hebt gij mij hier een half dozijn geschikte manschappen bezorgd?
ZIELIG. Zeker, dat hebben wij, heer. Wilt gij niet gaan zitten? 104
FALSTAFF. Wees zoo goed en laat ze mij zien.
(Zij gaan zitten.)
ZIELIG. Waar is de lijst? waar is de lijst? waar is de lijst?--Laat zien, laat zien, laat zien;--ja, zoo, zoo, zoo, zoo.--Ja, klaar, heer:--Dolf Schimmelig!--Die ik oproep, moeten vooruitkomen, ja, dat moeten zij, dat moeten zij.--Laat zien; waar is Schimmelig?
SCHIMMELIG. Hier, tot uw dienst.
ZIELIG. Wat dunkt u, Sir John? een goedgebouwde knaap, jong, sterk en van goede komaf.
FALSTAFF. Is je naam Schimmelig?
SCHIMMELIG. Ja, tot uw dienst.
FALSTAFF. Des te meer wordt het tijd om je te gebruiken.
ZIELIG. Ha ha ha! voortreffelijk, op mijn eer! wat schimmelig is, moet gebruikt worden; bijzonder, bijzonder goed!--Op mijn eer, goed gezegd, Sir John, zeer goed gezegd!
FALSTAFF. Schrap hem aan.
SCHIMMELIG. Als gij mij met vrede hadt willen laten, moest ik mijzelf toch al schrap genoeg zetten; nu zal mijn oudje erg in den brand zitten, om iemand, die haar brouwerij en al haar gedoe bezorgt. Gij hadt mij niet behoeven aan te schrappen; er zijn andere lui genoeg om uit te trekken, vrij wat geschikter dan ik.
FALSTAFF. Kom, kom, stil, Schimmelig! je moet mee, Schimmelig; het is tijd, dat je verbruikt wordt.
SCHIMMELIG. Verbruikt!
ZIELIG. Stil, kerel, stil! ga ter zijde! Weet je wel, waar je bent?--Nu de anderen, Sir John;--laat zien:--Simon Schaduw!
FALSTAFF. O ja, dien wil ik hebben om er onder te zitten; hij zal wel een koel soldaat wezen.
ZIELIG. Waar is Schaduw?
SCHADUW. Hier, heer.
FALSTAFF. Schaduw, wiens zoon ben je?
SCHADUW. Mijn moeders zoon, heer.
FALSTAFF. Je moeders zoon? Wel denkelijk; en je vaders schaduw. Zoo is de zoon van de vrouw de schaduw van den man; het is dikwijls zoo, inderdaad, met niet veel van des vaders zelfstandigheid.
ZIELIG. Bevalt hij u, Sir John?
FALSTAFF. Schaduw is goed voor den zomer,--schrap hem aan, want wij hebben schaduwen in menigte om de monsterrol te vullen.
ZIELIG. Thomas Wrat.
FALSTAFF. Waar is hij?
WRAT. Hier, heer.
FALSTAFF. Is je naam Wrat?
WRAT. Ja, heer.
FALSTAFF. Je bent een recht voddige wrat.
ZIELIG. Zal ik hem aanschrappen, Sir John?
FALSTAFF. Dat zou overbodig wezen, zijn kleeding zit in rafels op zijn rug, daar valt niet meer te schrappen; en het geheele kereltje staat op twee schrappen; daarom geen schrap meer.
ZIELIG. Ha, ha, ha!--gij hebt er slag van, Sir John; gij hebt er slag van, dat moet ik u nageven.--Frans Slap!
SLAP. Hier, heer.
FALSTAFF. Wat ben je van je ambacht, Slap?
SLAP. Een vrouwensnijder, heer.
ZIELIG. Zal ik hem aanschrappen, heer?
FALSTAFF. Dat kunt gij doen, maar als hij een manssnijder geweest was, zou hij u geschrapt hebben.--Zul je zoo veel gaten maken in de rijen van den vijand, als je er in vrouwenrokken hebt gemaakt?
SLAP. Ik zal mijn best doen, heer; meer kunt gij niet verlangen.
FALSTAFF. Goed zoo, goede vrouwensnijder; goed zoo, moedige Slap! Je zult zoo dapper wezen als de vertoornde duif of de heldhaftigste muis.--Geef den vrouwensnijder een flinke schrap, mijnheer Zielig,--een flinke krab, mijnheer Zielig!
SLAP. Ik wenschte, dat Wrat ook medeging, heer.
FALSTAFF. Ik wenschte, datje een manssnijder waart, en hem kondt oplappen, en hem geschikt maken om te gaan. Ik kan hèm niet tot eenvoudig soldaat maken, die er zoo veel duizenden op nahoudt; laat dit je sufficient zijn, allergeweldigste Slap.
SLAP. Het zal sufficient zijn, heer.
FALSTAFF. Ik ben je zeer verplicht, eerwaardige Slap.--Wie volgt?
ZIELIG. Pieter Bulkalf uit den polder!
FALSTAFF. Ja, komaan, laat ons Bulkalf zien.
BULKALF. Hier, heer.
FALSTAFF. Bij God, een kloeke kerel!--Kom, schrap Bulkalf flink aan, tot hij terugbrult.
BULKALF. O Jezus! genadige heer hopman,--
FALSTAFF. Wat! brul je, voor je een schrap hebt?
BULKALF. O Jezus, heer! ik ben een ziek mensch.
FALSTAFF. Wat voor een ziekte heb je?
BULKALF. Een ellendige verkoudheid, heer; een hoest, heer, dien ik gekregen heb van het klokkeluiden in 's konings dienst, op zijn kroningsdag.
FALSTAFF. Kom, dan moet je in een wollen borstrok te velde trekken; wij zullen je die koû wel uitdrijven en ik zal er voor zorgen, dat je vrienden voor je zullen luiden.--Is dat alles?
ZIELIG. Er zijn er al twee boven uw getal opgeroepen; gij moet er hier maar vier hebben, Sir;--en dus vraag ik u, ga met mij in huis en blijf er eten.
FALSTAFF. Nu, ik wil wat met u gaan drinken, maar voor eten heb ik geen tijd. Ik ben blijde u te zien, op mijn woord, mijnheer Zielig.
ZIELIG. O Sir John, heugt het u nog, hoe wij de geheele nacht in den windmolen op het Sint-Jorisveld lagen?
FALSTAFF. Zwijgen wij daarvan, beste heer Zielig, zwijgen wij daarvan.
ZIELIG. Ha, dat was een vroolijke nacht! En is Hanna Nachtwerk nog in leven?
FALSTAFF. Ja, ze leeft nog, vriend Zielig.
ZIELIG. Zij kon nooit met mij overweg.
FALSTAFF. Nooit, nooit; ze plach altijd te zeggen, dat zij dien mijnheer Zielig niet uit kon staan.
ZIELIG. Sakrement, ik kon haar plagen om dol te worden. Ze was toen een aardige deerne. Houdt ze zich nog goed?
FALSTAFF. Oud, oud, vriend Zielig.
ZIELIG. Ja, oud moet ze zijn; ze kan niet anders dan oud zijn; zeker is zij oud; ze had Hansje Nachtwerk al bij den ouden Nachtwerk, voor ik aan Sint-Clemenshof kwam.
STIL. Dat is vijf en vijftig jaar geleden.
ZIELIG. O neef Stil, hadt gij eens gezien, wat deze ridder en ik hebben gezien!--Zeg, Sir John, heb ik geen gelijk?
FALSTAFF. We hebben de klokken te middernacht hooren spelen, vriend Zielig.
ZIELIG. Dat hebben we, dat hebben we, dat hebben we; waarachtig, Sir John, dat hebben we. Ons wachtwoord was: "vooruit, jongens!"--Komt, gaan wij aan tafel; komt, gaan wij aan tafel! O, die dagen, die wij gezien hebben! komt, komt!
(Falstaff, Zielig en Stil af.)
BULKALF. Lieve heer koppraal Bardolf, doe een goed woord voor me; en daar zijn vier tien-schellings-Hendriken in Fransche kronen voor u. 't Is de zuivere waarheid, heer, ik liet me even lief hangen, heer, als dat ik meega; en toch, van mijn kant, heer, geef ik er niet om; maar vooral omdat ik er geen lust in heb en van mijn kant verlang bij mijn vrienden te blijven; anders, heer, zou ik er van mijn kant zooveel niet om geven.
BARDOLF. Goed, ga daar ter zijde.
SCHIMMELIG. En, lieve heer korporaal hopman, ter wille van mijn oudje, doe een goed woord voor mij. Ze heeft niemand te huis, die haar helpt, als ik weg ben; en zij is oud en kan zichzelve niet helpen. Gij zult veertig schellingen hebben, heer.
BARDOLF. Goed, ga daar ter zijde.
SLAP. Op mijn woord, ik geef er niet om; een mensch kan maar eens sterven;--wij zijn God een dood schuldig. Ik zal nooit lafhartig wezen. Is het mijn lot, goed; is het mijn lot niet, ook goed. Geen mensch is te goed om zijn vorst te dienen; en laat het gaan, zoo als 't wil; wie dit jaar sterft, is er voor 't volgende van af.
BARDOLF. Goed gezegd! je bent een brave kerel.
SLAP. Waarachtig, ik zal niet lafhartig wezen.
(Falstaff en de Vrederechters komen terug.)
FALSTAFF. Nu, heer, welke mannen moet ik hebben?
ZIELIG. Vier, naar uw eigen verkiezing.
BARDOLF (zacht tot Falstaff). Een woordje, heer.--Ik heb drie pond om Schimmelig en Bulkalf vrij te laten.
FALSTAFF. Goed! best!
ZIELIG. Kom, Sir John, welke vier wilt gij hebben?
FALSTAFF. Kies gij voor mij.
ZIELIG. Nu dan: Schimmelig, Bulkalf, Slap en Schaduw.
FALSTAFF. Schimmelig en Bulkalf;--jij, Schimmelig, blijf te huis, tot je voor den dienst niet meer deugt;--en jij, Bulkalf, groei nog wat, tot je er voor geschikt zijt; ik wil geen van je tweeën hebben.
ZIELIG. Sir John, Sir John, gij doet uzelf schade; zij zijn uw knapste manschappen en ik zou u gaarne met de besten bediend hebben.
FALSTAFF. Wilt gij mij leeren, mijnheer Zielig, hoe ik een soldaat moet uitzoeken? Vraag ik naar de ledematen, de spieren, de lengte, de dikte, het forsch voorkomen van een man? Geest verlang ik, mijnheer Zielig.--Daar hebt ge Wrat; gij ziet, wat een armzalig voorkomen hij heeft; maar hij zal je laden en vuren op de maat van een tinnegietershamer, af- en aanloopen, vlugger dan een, die de brouwersemmers aan de putgalg hangt. En daar dien kerel met dat halve gezicht, dien Schaduw;--die man moet ik hebben; hij geeft den tegenstander geen mikpunt; de vijand kan met evenveel kans aanleggen op de snede van een pennemes. En, op een terugtocht,--hoe vlug zal die Slap, de vrouwenkleermaker, wegloopen! O, geef mij die magere lui en houd de zware voor uzelf.--Geef aan Wrat een handbus, Bardolf.
BARDOLF. Hier, Wrat. Opgemarcheerd! Zoo,--zoo,--zoo!
FALSTAFF. Kom, hanteer mij je vuurroer eens. Zoo;--zeer wel;--ga voort;--zeer goed;--uitstekend goed.--O niets beter dan zulk een kleine, magere, oude, rimpelige, kale schutter!--Goed gedaan, Wrat, waarachtig; je bent een brave schobbejak; hier, daar heb je een halven schelling.