Koning Hendrik de Vierde

Part 11

Chapter 114,101 wordsPublic domain

POINS. Bij het licht der zon, van mij zegt men alles goeds; ik kan het met mijn eigen ooren hooren. Het ergste, dat zij van mij kunnen zeggen, is, dat ik een jonger broeder ben, en een flinke knaap, die de handen uitsteekt; en ik moet erkennen, die twee dingen kan ik niet veranderen. Bij het sacrament, daar komt Bardolf.

PRINS HENDRIK. En de jongen, dien ik aan Falstaff gegeven heb; als een christenjongen heeft hij hem van mij gekregen; en zie nu zelf, of de vette schelm niet een aap van hem gemaakt heeft.

(Bardolf en de Page komen op.)

BARDOLF. God vermeerdere uw genade.

PRINS HENDRIK. En de uwe, hoogedele Bardolf.

BARDOLF (tot den Page). Kom, gij deugdzame ezel, gij schaamachtige zotskap, waarom gaat gij blozen? Waarom wordt ge rood? Wat voor een meisjesachtige wapenknecht zijt gij geworden? Is dat zoo'n heldenstuk, den maagdom van een tweemaatsbierkan te veroveren?

PAGE. Mylord, hij riep mij zoo even aan, door een rood tralievenster, en ik kon geen enkel deel van zijn gezicht van het venster onderscheiden; ten laatste werd ik zijn oogen gewaar en ik dacht, dat hij in de bierwaardin haar nieuwen rok twee gaten gemaakt had, en daar doorhenen gluurde.

PRINS HENDRIK. Heeft de jongen niet geprofiteerd?

BARDOLF. Pak je weg, jij hondsvot van een rechtoploopend konijntje, pak je weg!

PAGE. Pak je weg, jij schurkachtige droom van Althea, pak je weg!

PRINS HENDRIK. Verklaar ons dat, jongen! welke droom?

PAGE. Wel Mylord, Althea droomde immers, dat zij van een brandende fakkel beviel; en daarom noem ik hem haar droom.

PRINS HENDRIK. Een verklaring, die wel een kroon waard is.--Daar heb je hem, jongen.

(Hij geeft hem geld.)

POINS. O, dat deze fraaie bloesem van den worm bevrijd mocht blijven!--Nu, daar heb je een halve schelling om je gaaf te houden.

BARDOLF. Als gij met mekaâr hem er niet toe brengt, dat hij gehangen wordt, dan krijgt de galg haar deel niet.

PRINS HENDRIK. En hoe maakt het je meester, Bardolf?

BARDOLF. Goed, genadige heer. Hij hoorde, dat uwe genade in de stad zou komen; en daar is een brief voor u.

POINS. Met allen eerbied besteld.--En hoe gaat het dien Sint-Maartens-zomer, je meester?

BARDOLF. Gezond van lijf en leden, heer.

POINS. Nu, voorwaar, zijn onsterflijk deel behoeft wel een geneesmeester. Maar dat bekommert hem niet; al is dat ziek, het sterft toch niet.

PRINS HENDRIK. Ik sta dien vetklomp toe, even gemeenzaam met mij te wezen als mijn hond; en hij is stout op zijn erf, want zie eens, hoe hij schrijft.

POINS (leest). "John Falstaff, ridder,"--dat moet ieder weten, zoo vaak hij gelegenheid heeft om zich te noemen, juist als zij, die met den koning verwant zijn; want die kunnen zich niet in den vinger prikken, of zij zeggen: "daar wordt koningsbloed vergoten;" "Hoe zoo?" zegt iemand, die zich houdt, of hij het niet begrijpt; en het antwoord is even grif bij de hand als de muts van iemand, die borgt: "ik ben een arme neef van den koning, heer."

PRINS HENDRIK. O, zij willen van ons geslacht zijn, al moesten zij het van Jafet afleiden.--Maar, de brief!

POINS. "Sir John Falstaff, Ridder, aan den zoon des konings, die zijn vader het naast is; aan Hendrik, Prins van Wales, heil!" Zoo, dat is een certificaat.

PRINS HENDRIK. Stil!

POINS. "Ik wil de edele Romeinen volgen, in hun kortheid;"--hij meent zeker in kortademigheid;--"ik zeg u vaarwel, ik zeg vaarwel en ik verlaat u. Wees niet te vertrouwelijk met Poins, want hij maakt zoozeer misbruik van uw gunst, dat hij zweert, dat gij zijn zuster Leen moet trouwen. Doe boete in uw ledige uren, zoo goed gij kunt, en daarmede vaarwel;

De uwe, bij ja en neen,--dat wil zeggen, naarmate gij hem behandelt;--Hans Falstaff voor mijn vertrouwde vrienden; John, voor mijn broeders en zusters; en Sir John voor geheel Europa."

Mylord, ik wil dezen brief in sek doopen, en hij zal hem weer opeten.

PRINS HENDRIK. Dus, dan laat gij hem een paar dozijn van zijn woorden weer opeten.--Maar springt gij zoo met mij om, Edu? moet ik uw zuster trouwen?

POINS. God geve aan de deerne geen slechter partij! maar gezegd heb ik het nooit.

PRINS HENDRIK. Ja, zoo springen wij als zotskappen met den tijd om, en de geesten der wijzen zitten in de wolken en bespotten ons.--Is je meester hier in Londen?

BARDOLF. Ja, mylord.

PRINS HENDRIK. Waar eet hij van avond? Mest de oude beer zich nog in het oude kot?

BARDOLF. Op de oude plaats, mylord, in Eastcheap.

PRINS HENDRIK. In welk gezelschap?

PAGE. Met Efeziërs, mylord, van het oude geloof.

PRINS HENDRIK. Zijn er ook vrouwmenschen bij?

PAGE. Anders niet, mylord, dan de oude vrouw Haastig en juffer Doortje Scheurlaken.

PRINS HENDRIK. Wat voor een heidenmensch is dat?

PAGE. Een knap vrouwmensch, prins, en een nicht van mijn meester.

PRINS HENDRIK. Even zooveel nicht, als de gemeente-koeien het zijn van den stadsbul.--Willen wij hen eens bij hun avondmaal besluipen, Edu?

POINS. Ik ben uw schaduw, mylord, ik volg u.

PRINS HENDRIK. Zeg eens, jongen,--en jij, Bardolf;--geen woord aan je meester, dat ik reeds in de stad ben;--daar, voor je stilzwijgen!

(Hij geeft hun geld.)

BARDOLF. Ik heb geen tong, heer.

PAGE. En op de mijne, prins, zal ik passen.

PRINS HENDRIK. Vaart nu wel, gaat! (Bardolf en de Page af.)--Die Doortje Scheurlaken zal wel de een of andere publieke weg zijn.

POINS. Dat verzeker ik u, zoo publiek als de weg van Sint Albaans naar Londen.

PRINS HENDRIK. Hoe kunnen wij van avond Falstaff eens in zijn ware kleur zien, zonder zelf gezien te worden?

POINS. Wij doen elk een leêren wambuis aan en een schort voor en bedienen hem aan tafel als knechts.

PRINS HENDRIK. Van god tot stier? 't Is diep gedaald! 't Was Jupiters geval. Van prins tot leerjongen? Een verandering naar de laagte! 't Zij mijn deel; want in alle zaken moet de bedoeling de dwaasheid opwegen. Kom mede, Edu.

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Warkworth. Voor het kasteel.

Northumberland. Lady Northumberland en Lady Percy komen op.

NORTHUMBERLAND. Ik bid u, teed're vrouw en lieve dochter, Gunt aan mijn ruwe zaak een effen weg; Plooit niet ook gij 't gelaat als deze tijden, En maak mij niet als zij het hand'len zwaar.

LADY NORTHUMBERLAND. Ik geef het op en zal niet verder spreken; Doe wat gij wilt; uw wijsheid zij uw gids.

NORTHUMBERLAND. Ach, beste vrouw, mijn eer is ginds verpand, En enkel door mijn gaan is ze in te lossen.

LADY PERCY. Toch, trek, om Gods wil, niet naar dezen krijg! Zie, vroeger, vader, hebt ge uw woord gebroken, Toen 't meer een deel was van uzelf dan nu; 't Was, toen uw eigen Percy, toen mijn alles, Mijn Hendrik, meen'gen blik naar 't noorden wierp, Waar toch zijn vader bleef; 't was ijdel wachten! Wie overreedde u toen om thuis te blijven? Twee eeren trof dit, de uwe, die uws zoons; Aan de uwe--haar verleen' de Hemel glans! De zijne,--o! stond hem, als de zon het doet Aan 't blauwe hemelwelf; en door haar glans Dreef zij de gansche ridderschap van England Tot dappre daden! Ja, hij was de spiegel, Waar heel de jeugdige adel zich voor tooide; Verlamd was hij, die zijnen gang niet had, En stootend spreken, van natuur hem eigen, Die feil werd nu de tongval van den moed; Want zij, die zacht en langzaam konden spreken, Verruilden voor zijn feil hun schoone gaaf, Opdat zij hem geleken. Zoo was hij In taal, in gang, in leefwijs, in vermaken, In oorlogskunst, in luimen van het bloed, Het oogwit en de spiegel, 't boek en 't voorschrift, Dat and'ren vormde. En hem,--dat puikjuweel, Dat wonder van een man,--hem gaaft gij prijs; Die week voor niemand, werd door u ontweken, En moest, in 't nadeel zijnd, den schrikbren krijgsgod In de oogen zien; hij moest een slag aanvaarden, Toen niets, dan slechts de klank van Heetspoors naam Nog weerbaar scheen;--zoo liet gij hem--alleen. Laad nimmer, nimmer op zijn geest den smaad, Dat gij uw eere meer nauwlettend hoedt Bij and'ren, dan bij hem; laat hèn begaan. De maarschalk, met den aartsbisschop, is sterk; O, had mijn Hendrik half hun macht gehad, Dan zou ik, aan mijn Heetspoor's hals nu hangend, Van 't graf van Monmouth spreken!

NORTHUMBERLAND. God vergeve u, Mijn dierbaar kind! Ge ontrooft mij allen moed Door nieuwe klacht om de oude plichtmiskenning. Gaan moet ik, ginds 't gevaar in de oogen zien, Of anders zoekt het elders mij, en vindt mij Veel slechter toegerust.

LADY NORTHUMBERLAND. O, vlucht naar Schotland, En wacht, tot de eed'len en 't gewapend volk Ten minste een proefje gaven van hun macht.

LADY PERCY. En winnen zij den koning voordeel af, Voeg dan u bij hen als een rib van staal, Die hunne sterkte sterkt. Doch laat hen eerst, Ja, om ons aller wil, hun kracht beproeven. Zoo deed uw zoon; zoo liet men hem begaan, Zoo werd ik weeuw, en leef nooit lang genoeg Om tot herinn'ring aan mijn eed'len gâ 't Herinn'ringskruid met tranen te besproeien, Zoodat het tot den hemel groeit en spruit.

NORTHUMBERLAND. Kom mede in huis. 't Is nu in mijn gemoed, Als met den vloed, die tot zijn hoogte zwol, Tot stilstand komt en her- noch derwaarts vliet Den aartsbisschop ging ik volgaarne helpen, Doch duizend gronden houden mij terug.-- Het zij; ik ga naar Schotland, waar ik wacht, Tot tijd en voordeel roepen: breng uw macht!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in de herberg "Het Zwijnshoofd", in Eastcheap.

Twee Tapperknechts komen op.

EERSTE TAPPERSKNECHT. Wat duivel heb je daar gebracht? pippelingen? Je weet, dat Sir John geen pippelingen kan uitstaan.

TWEEDE TAPPERSKNECHT. Sakrement, dat is waar ook. De Prins zette eens een schotel met pippelingen voor hem neer, met het zeggen, dat daar nog vijf andere pippelingen waren; en, terwijl hij zijn hoed afnam, zeide hij: "ik neem hiermede afscheid van deze zes droge, ronde, oude, gerimpelde pippelingen". Het ergerde hem in zijn ziel, maar hij is het nu wel weer vergeten.

EERSTE TAPPERSKNECHT. Nu, dek dan maar, en zet ze neer; en zie, of je Sluipert zijn muziektroep vinden kunt; juffrouw Scheurlaken wilde graag wat muziek hebben. Maak voort; de kamer, waar ze gegeten hebben, is snikheet; ze komen zoo dadelijk hier naar toe.

TWEEDE TAPPERSKNECHT. Kerel, straks komt de Prins hier en Sinjeur Poins, en zij willen twee van onze kielen en schorten aandoen en Sir John moet er niets van weten; Bardolf heeft de boodschap gebracht. 120

EERSTE TAPPERSKNECHT. Sakrement, dat zal een ouwerwetsche grap zijn; het zal een heerlijke hinderlaag wezen.

TWEEDE TAPPERSKNECHT. Ik ga zien, of ik Sluipert vinden kan.

(Tweede Tappersknecht af.)

(De Waardin en Doortje Scheurlaken komen op.)

WAARDIN. Waarachtig, mijn hartje, mij dunkt, je bent nu in een overheerlijke temperamentuur, je pols slaat zoo innorm, als het hart maar kan wenschen, en je kleur, ik verzeker je, is zoo rood als er één roos is; maar wezenlijk, je hebt wat veel kanariesek gedronken en dat is een wonderlijk opzetterige wijn en die gaat in het bloed zitten, eer men zeggen kan: "wat is dat?"--Hoe gaat het je nu?

DOORTJE. Beter dan straks, hum!

WAARDIN. Nu, dàt doet goed. Een gezond hart is goud waard. Zie, daar komt Sir John aan.

(Falstaff komt op, zingend.)

FALSTAFF. "Toen Arthur pas ten hove kwam",--Gooi den nachtspiegel uit!--

(Eerste Tappersknecht af.)

"En een wakker koning was",-- Hoe gaat het, juffer Doortje?

WAARDIN. Ze is niet wel; zij is schrikkelijk gecalmeerd, ja waarachtig.

FALSTAFF. Zoo zijn alle vrouwen, als zij eerst gecalmeerd zijn, worden zij ziek.

DOORTJE. Jij vette modderschelm, is dat al de troost, dien je mij geeft?

FALSTAFF. Jij sleept ons door de modder, juffer Doortje.

DOORTJE. Doe ìk dat? Slemperij en ziekten doen dat, ik niet.

FALSTAFF. Als de kok ons aan het slempen helpt, dan help jullie ons aan de ziekte, Doortje; wij nemen wat van jullie mee; erken dat, lieve maagd, erken dat.

DOORTJE. Nu, zeker, onze kettingen en juweelen.

FALSTAFF. Ja "robijnen en karbonkels";--want je weet, wie wakker dient, komt hinkend thuis; dapper uit de bres met gevelde piek en dapper naar den heelmeester; dapper op de geladen kanonnen af,--

DOORTJE. Laat je hangen, jij modderaal, laat je hangen!

WAARDIN. Op mijn woord, het oude liedje, jullie tweeën komt niet bij elkaâr, of je hebt het aan den stok. Jullie beiden bent waarachtig zoo raspig als twee sneden geroosterd brood; de een kan de confirmiteiten van den ander niet verdragen. Wel lieve tijd, een van beiden moet dragen en (Tot Doortje.) dat moet jij zijn; jij bent het zwakke vat, om zoo te zeggen, het leêge vat.

DOORTJE. Kan een zwak, leêg vat zulk een reusachtig, vol okshoofd dragen? Hij heeft een geheele Bordeauxlading in 't lijf; geen scheepsruim kan beter volgestuwd zijn.--Kom, ik wil goede vrienden met je zijn, Hans; je trekt in den oorlog; en of ik je ooit weer zien zal, daar bekommert zich geen sterveling om.

(De Tappersknecht komt weer op.)

TAPPERSKNECHT. Heer, vaandrig Pistool is beneden en wil u spreken.

DOORTJE. Naar de galg met dien schoft van een blaaskaak! laat hem niet binnenkomen; hij zet den grootsten schurkenmond op in heel Engeland.

WAARDIN. Als hij een blaaskaak is, laat hem dan niet binnen; neen, bij mijn ziel niet; ik moet met mijn buren leven; ik moet van blaaskaken niets hebben. Ik sta te goeder naam en faam bij de beste luî.--Sluit de deur toe;--hier komen geen blaaskaken binnen. Ik ben niet zoo oud geworden, om hier nu leven te hebben.--Doe de deur toe, bid ik je.

FALSTAFF. Wil je hooren, waardin?

WAARDIN. Ik bid u, houd uw gemak, Sir John! blaaskaken komen hier niet binnen.

FALSTAFF. Maar hoor dan toch; het is mijn vaandrig.

WAARDIN. Larifari, Sir John, spreek er mij niet van; uw vaandrig-blaaskaak komt mijn deur niet in. Voor een dag of wat was ik bij den heer Spichtig, den heer van de buurt; en die zeide,--het is niet langer dan verleden Woensdag,--"Buurvrouw Haastig", zeide hij; onze heeroom Stom was er ook bij;--"Buurvrouw Haastig", zei hij, "neem alleen fatsoenlijke lieden op, want", zeide hij, "je staat in een slechten naam",--nu, dat zeide hij, en ik weet wel waarom;--"want", zeide hij, "je bent een brave vrouw en men denkt goed over je; let daarom wel op, welke gasten gij opneemt; neem" zeide hij, "geen levenmakers op".--Ik laat er geen binnen;--ge zoudt een kruis slaan, als ge gehoord hadt, wat hij zeide.--Neen, geen blaaskaak in mijn huis.

FALSTAFF. Hij is geen blaaskaak, waardin; een makke zwendelaar is hij, waarachtig; hij laat zich van je zoo geduldig streelen als een schoothondje; hij zou niet blazen tegen een kalkoensche hen, wanneer zij haar veêren maar even opzet, alsof zij hem wil aanvliegen.--Roep hem boven, man.

WAARDIN. Een zwendelaar zegt gij? Voor een fatsoenlijk man wil ik mijn huis niet sluiten, en voor een zwendelaar ook niet; maar een blaaskaak mag ik niet lijden. Waarachtig, ik krijg het te kwaad, als iemand maar spreekt van een blaaskaak. Voelt maar eens, vrienden, hoe ik sidder; ziet gij? ik verzeker het u.

DOORTJE. Dat doe je, waardin.

WAARDIN. Niet waar? Ja, wis en zeker doe ik het, als een espeblad. Ik kan blaaskaken niet uitstaan.

(Pistool, Bardolf en de Page komen op.)

PISTOOL. God zegen u, Sir John!

FALSTAFF. Welkom, vaandrig Pistool. Hier, Pistool, ik laad u met een glas sek; trek gij af op onze waardin.

PISTOOL. Ik zal op haar aftrekken, Sir John, met twee kogels.

FALSTAFF. Zij is tegen pistoolkogels bestand, man, uw kaliber zal haar geen leed doen.

WAARDIN. Loop, ik drink geen bestands en geen kalibers. Ik drink niet meer dan mij dient, om niemands wil, ik niet.

PISTOOL. Dan geldt het u, juffer Dorothea; dan is de lading voor u.

DOORTJE. Voor mij? Loop heen, jij smerige hondsvot! Wat! Zoo'n arme, gemeene, schelmachtige, zwendelende sinjeur Zonderhemd! Weg, jij beschimmelde schavuit, weg! Ik ben een lekkerbeetje voor uw meester.

PISTOOL. Ik ken u, juffer Dorothea.

DOORTJE. Pak je weg, jij gauwdief, jij smerige schelm van een beurzensnijder! Bij dezen wijn, ik stoot je mijn mes tusschen je schimmelige kinnebakken, als je bij mij wilt kapen. Loop heen, jij bierslungel, jij versleten stompdegentrekker, jij!--Sinds wanneer? dat zou ik wel willen hooren, man!--Wat weerlicht! met twee nestels op den schouder! 't is wat moois!

PISTOOL. Dat kost aan je halskraag het leven!

FALSTAFF. Niet verder, Pistool; pas op, zeg ik, dat je hier niet afgaat: trek af, Pistool, buiten ons gezelschap.

WAARDIN. Neen, beste hopman Pistool, niet hier, lieve hopman.

DOORTJE. Hopman? jij afschuwelijke, vervloekte gauwdief, schaam jij je niet, dat men je hopman noemt? Als hoplieden er over dachten zooals ik, dan knuppelden zij je de deur uit, omdat jij hun namen aanneemt, voor je die verdiend hebt. Jij een hopman, jij vlegel! waarvoor? omdat je een arme deerne in een bordeel haar kraag durft afscheuren?--Hij een hopman! hang hem op, den schelm! hij leeft van beschimmelde gestoofde pruimen en oudbakken koeken. Een hopman! zulke spitsboeven zullen het woord "hopman" even zoo gehaat maken als het woord "onderhouden", dat een kostelijk goed woord was, eer het in slecht gezelschap kwam; daarom moeten hoplieden er het oog op houden.

BARDOLF. Ik bid je, ga naar beneden, goede vaandrig.

FALSTAFF. Hoor eens hier, juffer Doortje.

PISTOOL. Naar beneden, ik! ik zal u wat zeggen, korporaal Bardolf, ik zou haar kunnen verscheuren; ik wil wraak op haar nemen.

PAGE. Ik bid u, ga naar beneden.

PISTOOL. Eer zie ik haar verdoemd Tot Pluto's jammermeer en hellepoel, Met Erebus en schand'lijke tortuur. Houdt lijn en hoek gereed, zeg ik. Daalt, honden, diep! verzinkt, gij schikgodinnen! Is hier Irene niet?

WAARDIN. Beste hopman Pistool, wees bedaard; het is al recht laat; ik smeek u, inflammeer uw drift!

PISTOOL. Recht fraaie nukken! zouden zich pakpaarden En knollen, voos en log, van Asia, Die op een dag nauw dertig mijlen loopen, Met Caesars en met Kanibaals hier meten, En met Trojaansche Grieken? Eer verdoem' Hen koning Cerberus en loeie 't zwerk! Om zulk een speelpop twist!

WAARDIN. Bij mijn ziel, hopman, dat zijn recht harde woorden.

BARDOLF. Ga toch heen, beste vaandrig, anders komt hier nog een kloppartij van.

PISTOOL. Slaat menschen dood als honden! geeft vrij kronen Als spelden weg! Is hier Irene niet?

WAARDIN. Op mijn woord, hopman, zoo iemand is hier niet. Wel, mijn lieve tijd! denkt gij, dat ik haar zou verloochenen? Om Gods wil, wees bedaard.

PISTOOL. Zoo eet dan en word vet, mijn gâ Calipolis! Kom, geef wat sek.

(Hij bekijkt het lemmet van zijn zwaard.)

"Si fortune me tormente, sperato me contente." Wij bang voor kruit? Laat vrij den duivel vuren! Geef mij wat sek; en gij, mijn lief, lig hier.

(Hij legt zijn zwaard af.)

Zijn wij aan 't eind? blijft elk "et cet'ra" weg?

FALSTAFF. Pistool, ik wil rust hebben.

PISTOOL. Ik kus de knuist u, beste ridder mijn.-- Och kom, wij hebben samen het zevengesternte gezien.

DOORTJE. Om 's hemels wil, gooit hem de trap af! ik kan zulk een snoevenden schoft niet uitstaan.

PISTOOL. De trap af? Nu, huurknollen kennen we ook!

FALSTAFF. Smijt hem de trap af, Bardolf, als een keisteentje. Als hij niets doet, dan wat niets is spreken, zal hij hier ook niets wezen.

BARDOLF. Kom, scheer je de trap af.

PISTOOL. Wat! moeten we aderlaten? vloeren drenken?

(Hij neemt zijn zwaard op.)

Dood, wieg me in slaap dan! kort mijn jammerdagen! Welaan dan, wonden, grievend, gruw'lijk, gapend, Ontboeit der Zust'ren trits! kom, Atropos, zeg ik!

WAARDIN. Wat! dat is een fraaie vertooning!

FALSTAFF. Geef mij mijn rapier, jongen.

DOORTJE. Ik bid je, Hans, ik bid je, trek niet.

FALSTAFF. De trap af, jij daar!

(Hij trekt.)

WAARDIN. Dat is een fraai tumult! Ik wil het herberghouden afzweren, liever dan in zulke angsten en terreuren leven.--Nu, dat geeft nog moord, zeg ik u.--Ach, ach, steekt uw naakte wapens op!

(Bardolf en Pistool af.)

DOORTJE. Ik bid je, Hans, wees bedaard; de schoft is weg. O, jij vervloekte kleine dappere hondsvot, jij!

WAARDIN. Ben je niet gewond in de lies? mij docht, hij deed een leelijken stoot naar uw buik.

(Bardolf komt weder op.)

FALSTAFF. Heb je hem de deur uitgezet?

BARDOLF. Ja, heer; de schoft is dronken. Gij hebt hem gewond, heer, aan den schouder.

FALSTAFF. Welk een schoft, mij te trotseeren!

DOORTJE. O jij allerliefste kleine schelm, jij! Ach, arm aapje, is dat zweeten! Kom, laat mij je gelaat eens afwisschen;--komaan, jij liederlijk stuk vleesch!--O, schelm, waarachtig, ik bemin je. Je bent zoo dapper als Hector van Troje, vijf Agamemnons waard, en tienmaal beter dan de negen Londensche optochthelden.--O die spitsboef!

FALSTAFF. Die schavuitige vlegel! Ik wil den schoft op een deken jonassen.

DOORTJE. Ja, doe het, als je het hart hebt; als je het doet, zal ik je tusschen twee lakens er over hooren.

(Er komen Muzikanten op.)

PAGE. Heer, daar zijn de muzikanten.

FALSTAFF. Laat hen spelen.--Speelt, mannen.--Kom op mijn knie zitten, Doortje.--Wat een ellendige pochvlegel! De schoft liep voor mij weg als kwikzilver.

DOORTJE. Ja, waarachtig en je zat hem achterna als een kerk. Jij liederlijk, klein, fijn Bartholomeus-biggetje, wanneer zul je ophouden overdag te vechten en 's nachts te schermutselen, en eens beginnen je oud lijf voor den hemel op te flikken?

(Op den achtergrond verschijnen Prins Hendrik en Poins, als tappersknechts verkleed.)

FALSTAFF. Stil, lieve Door, spreek niet als een doodshoofd; vermaan mij niet aan mijn einde te denken.

DOORTJE. Zeg mij eens, wat voor een soort van mensch is de Prins?

FALSTAFF. Een goed beperkt jongmensch; hij zou wel voor broodmeester gedeugd hebben; hij zou het brood goed hebben voorgesneden.

DOORTJE. Maar Poins, zegt men, heeft nog al geest.

FALSTAFF. Hij nog al geest? aan de galg met den baviaan. Zijn geest is zoo dik als Tewksburger mosterd, hij heeft niet meer vernuft, dan er in een wilden woerd zit.

DOORTJE. En waarom mag de Prins hem dan zoo graag lijden?

FALSTAFF. Omdat hun beenen van één dikte zijn, en omdat hij goed kan keilen; en hij eet zeepaling en venkel; en hij slikt brandende stompjes kaars met den wijn in, en speelt haasje-over met de tappersknechts, en springt op vouwstoelen, en vloekt met gratie, en hij draagt zijn laars zoo glad als een schoenmakers-uithangbeen; en hij bezorgt hem geen twist door het uitbrengen van fraaie geschiedenissen; en meer zulke hansworsttalenten bezit hij, die van een zwakken geest en een kloek lichaam getuigen, en daarom laat de Prins zich met hem in. Want de Prins is geheel als hij; het gewicht van een haar zal op de weegschaal aan den een of den ander den doorslag geven.

PRINS HENDRIK. Zou men dien spekklomp er de ooren niet voor afsnijden!

POINS. Laat ons hem afrossen voor de oogen van zijn slet.

PRINS HENDRIK. Kijk, laat de rimpelige oude kerel zich den kop niet krauwen als een papegaai?

POINS. Is het niet vreemd, dat de begeerte het volbrengen zoo veel jaren overleeft?

FALSTAFF. Kus mij, Doortje.

PRINS HENDRIK. Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. Wat zegt de almanak daarvan?

POINS. En zie eens, zijn knecht, de vurige triangel, staat die daar niet te fluisteren met het oude register van zijn heer, zijn schrijflei, zijn geheimboek?

FALSTAFF. Je geeft mij innige zoentjes.

DOORTJE. Ja waarlijk, ik kus je met een recht bestendig hart.

FALSTAFF. Ik ben oud, ik ben oud.

DOORTJE. Ik houd meer van jou dan van al dat jong geboefte bij elkaâr.

FALSTAFF. Van wat voor stof wil je een schortje hebben? Aanstaanden Donderdag krijg ik geld; morgen zul je een muts van mij hebben. Kom, een vroolijk lied; het wordt laat, wij willen naar bed. Je zult me vergeten, als ik weg ben.

DOORTJE. Bij mijn ziel, je brengt me aan het schreien, als je dat zegt; let maar op, of ik me ééns mooi zal aankleeden, tot je terug bent.--Kom, luister naar het slot.

FALSTAFF. Wat sek, Frans!

PRINS HENDRIK EN POINS (vooruittredend). Dadelijk, heer, dadelijk.

FALSTAFF. Ha! een basterdzoon van den koning!--En ben jij niet een broertje van Poins?

PRINS HENDRIK. O jij aardbol van zondige landen, wat is dat voor een leven, dat je leidt?

FALSTAFF. Een beter dan gij; ik ben een edelman en gij een tapper.

PRINS HENDRIK. Zeer juist, Sir, en ik kom om je den tap toe te doen en je de ooren te wasschen.