Part 10
FALSTAFF. En het getuigt van baardigheid, baardigheid, baardigheid.
OPPERRECHTER. Gij vergezelt den prins overal als zijn kwade engel.
FALSTAFF. Dat niet, mylord; een kwade engel is te licht; en ik hoop, dat ieder, die mij ziet, mij voor volwichtig zal aannemen; en toch, ik moet het erkennen, ben ik in sommige opzichten niet geldig genoeg, niet genoeg in tel. De deugd is in deze kruidenierstijden zoo weinig in aanzien, dat echte dapperheid berenhoeder moet worden. Scherpzinnigheid wordt tot een tapper gemaakt en moet haar vlug vernuft aan het optellen van rekeningen verspillen; en alle andere gaven, die den mensch verleend zijn, worden door de boosaardigheid dezer tijden zoo verknoeid, dat zij geen kruisbezie meer waard zijn. Gijlieden, die oud zijt, hebt geen oog voor de talenten van ons, die jong zijn; gij meet de hitte van onze lever naar de bitterheid van uw gal af; en wij, die in de vaag zijn der jeugd, zijn, ik moet het erkennen, aartsguiten.
OPPERRECHTER. Durft gij uw naam op de lijst der jeugd zetten, gij, die met alle kenmerken van ouderdom geteekend zijt? Hebt ge niet een vochtig oog, een droge hand, gele wangen, een witten baard, een afnemend been en een toenemenden buik? Is uw stem niet gebroken, uw adem kort, uw kin dubbel, uw verstand simpel, en alles om en in u aan het verouderen? en wilt gij toch nog jong heeten? Foei, foei, foei, Sir John!
FALSTAFF. Mylord, ik werd, tegen drie uren na den middag, met een wit hoofd en een tamelijk rond buikje geboren. Wat mijn stem betreft, die heb ik door toejuichingen en het zingen van lofzangen bedorven. Verder mijn jeugd bewijzen wil ik niet; de waarheid is, dat ik alleen oud ben in verstand en doorzicht, en wie met mij om een duizend mark luchtsprongen wil maken, moge mij het geld leenen en dan toezien. Wat de oorveeg betreft, die de Prins u gegeven heeft, die gaf hij als een ruwe prins, en gij hebt die ontvangen als een verstandig edelman. Ik heb hem er duchtig over onderhouden, en de jonge leeuw doet boete, wel is waar niet in zak en assche, maar in oude sek en nieuw atlas.
OPPERRECHTER. Nu, God geve den Prins een beter makker!
FALSTAFF. God geve den makker een beteren prins! Ik kan niet van hem afkomen.
OPPERRECHTER. Nu, de koning heeft u en prins Hendrik gescheiden. Gij trekt, naar ik hoor, met prins John van Lancaster tegen den aartsbisschop en den graaf van Northumberland op.
FALSTAFF. Ja, dat heb ik aan uw lieve zoete wijsheid te danken. Maar gij moogt wel bidden, gij allen, die jonkvrouw Rust te huis blijft kussen, dat onze legers niet een heeten dag samen te doorstaan hebben; want bij God in den hemel, ik neem slechts twee hemden mee, en ben niet van plan, mij buitengewoon in het zweet te vechten. Als het een heete dag wordt en ik zwaai dan iets anders dan mijn flesch, dan wil ik nooit meer met blaasjes spuwen. Geen gevaarvolle onderneming kan het hoofd opsteken, of ik word er op afgestuurd. Nu, ik kan niet eeuwig duren. Maar het is altijd een gril van ons Engelsch volk geweest, als zij iets goeds hebben, het voor alles te gebruiken. Als gij volstrekt wilt volhouden, dat ik een oud man ben, dan moest men mij rust gunnen. Gave God, dat mijn naam bij den vijand niet zoo geducht ware als hij is, ik wierd liever van roest geheel verteerd, dan tot niets afgeschuurd door eeuwigdurende beweging.
OPPERRECHTER. Nu, houd u goed, houd u goed, en God zegene uw onderneming!
FALSTAFF. Wil uwe lordschap mij een duizend pond leenen voor mijn uitrusting?
OPPERRECHTER. Geen penning, geen penning! Gij staat niet vast genoeg op uw beenen, om zooveel pond te dragen. Vaarwel; breng mijn groeten over aan mijn neef Westmoreland.
(De Opperrechter met zijn Dienaar af.)
FALSTAFF. Eer ik dat doe, laat ik mij liever met een driemansmoker een knip voor mijn neus geven. Een mensch kan even zoo weinig ouderdom en gierigheid van elkander houden, als iemand jonge leden en liederlijkheid; maar de jicht plaagt den een, en de Fransjesziekte knijpt die anderen, en zoo komen beide levenstrappen mijn verwenschingen voor.--Jongen!
PAGE. Heer?
FALSTAFF. Hoeveel geld is er in mijn beurs?
PAGE. Zeven groot en twee penningen.
FALSTAFF. Ik weet geen middel tegen die uittering van de beurs; borgen rekt en rekt de ziekte, maar de kwaal is ongeneeslijk.--Ga, breng dien brief aan mylord van Lancaster, dezen aan den Prins en dien aan de oude juffrouw Ursula, aan wie ik beloofd heb, dat ik haar zou trouwen, week op week, sinds ik het eerste witte haar op mijn kin bespeurde. Vlug! je weet, waar je mij kunt vinden. (De Page af.)--Dat de Fransjesziekte die jicht knijpe! Of de jicht die Fransjesziekte! want één van beide speelt den schelm met mijn grooten teen. Het doet er niets toe, of ik hink; ik heb den oorlog, om er een kleurtje aan te geven, en mijn pensioen wordt er des te rechtmatiger door. Een goede kop maakt van alles gebruik, en ik wil met mijn kwalen zaken doen.
(Falstaff af.)
DERDE TOONEEL.
York. Een kamer in het paleis van den Aartsbisschop.
De Aartsbisschop van York, de Lords Hastings, Mowbray en Bardolf komen op.
AARTSBISSCHOP. Thans kent gij onze taak en onze middelen; En, eed'le vrienden, nu bid ik u allen, Zegt vrij, wat gij van ons vooruitzicht denkt;-- Vooreerst, lord maarschalk, wat zegt gij er van?
MOWBRAY. Dat onze krijg gegrond is, geef ik toe; Doch gaarne ontving ik meerder zekerheid, Dat wij, met onze midd'len, 't kunnen wagen, Met stout en dreigend voorhoofd en met kracht, De macht des konings te gemoet te treden.
HASTINGS. Wij hebben naar de monsterrollen reeds Een vijfentwintigduizend flinke krijgers, En hoop op veel versterking, door den steun Des machtigen Northumberland's, wiens borst Van vuur, door krenkingen ontstoken, gloeit.
LORD BARDOLF. Dus is, Lord Hastings, nu de ware vraag, Of onze vijfentwintigduizend man Volstaan, ook zonder Lord Northumberland.
HASTINGS. O, mèt hem stellig.
LORD BARDOLF. Dit is juist de zaak; Want, achten wij ons zonder hem te zwak, Dan raad ik, dat wij niet te verre gaan, Aleer zijn bijstand werkelijk ons gewordt; Want bij een plan van zulk een bloedig uitzicht Moet reek'nen, bouwen op onzeek're hulp, Moet hopen, gissen uitgesloten zijn.
AARTSBISSCHOP. Zeer juist, Lord Bardolf; want de jonge Heetspoor Was juist in dit geval bij Shrewsbury.
LORD BARDOLF. Geheel, mylord; hij voedde zich met hoop, Met de' ijdlen klank van toegezegden bijstand, Zich vleiend met het droombeeld eener macht, Die minder bleek zelfs dan zijn minste raming; Zoo, met des waanzins stouten overmoed, Bracht hij zijn krijgers in den dood, en sprong Zelf met gesloten oogen in 't verderf.
HASTINGS. Maar, met verlof, waarschijnlijkheid te wegen, En hoop te voeden, heeft nog nooit geschaad.
LORD BARDOLF. Toch wel, indien de krijg, zooals 't nu is, Een reeds begonnen zaak, een werk op gang, Van hoop moet leven; 't is, alsof we in Maart De knoppen zien verschijnen; voor hun rijpen Geeft hoop min zekerheid, dan vrees het doet, Dat vorst ze dooden zal. Vóór wij gaan bouwen, Bezien wij eerst het erf, en teek'nen 't plan; En, als wij de gedaante zien van 't huis, Dan ramen wij de kosten van den bouw; En zijn die al te hoog voor onze midd'len, Wat doen wij dan? Op nieuw een plan ontwerpen, Met minder kamers, of, in 't ergst geval, Zien wij van 't bouwen af. Zoo moeten wij Veel meer in dit groot werk, dat schier een rijk Moet nederrijten en een nieuw rijk stichten, De plaats, de ligging en het plan beschouwen, Het eens zijn, hoe wij alles stevig gronden, Bouwmeesters vragen, onze midd'len kennen, Of zij volstaan om zulk een werk te wagen, Elk tegenstander kunnen keeren; anders Versterken wij ons met papier en cijfers, Met menschennamen slechts en niet met menschen, Als iemand, die een plan maakt van een huis, Ver boven zijn vermogen, 't bouwt ter helfte, Het opgeeft, en zijn stukwerk-kostlijkheid Aan 't weenend zwerk als naakte speelpop laat, Aan 's barren winters will'keur als een buit.
HASTINGS. Gesteld, de hoop, die nu zooveel belooft, Bleek doodgeboren, en wij hadden nu Den laatsten man reeds, die te wachten is, Dan acht ik onze macht nog sterk genoeg, Om, zonder meer, den koning 't hoofd te bieden.
LORD BARDOLF. Zijn macht is ook slechts vijfentwintigduizend?
HASTINGS. Voor ons niet meer, zelfs niet zooveel, lord Bardolf. Hij moet die, om der tijding woeling, deelen In drieën: één deel moet de Franschen staan; Eén Owen Glendower; en dus, één derde slechts Kan ons bestrijden. Dit dus splitst den koning, Reeds zwak, in drieën; en zijn koffers klinken Van bedelarmoê en van leegheid hol.
AARTSBISSCHOP. Dat hij die drie gedeelten samentrekt, En met zijn gansche macht op ons zich werpt, Valt niet te duchten.
HASTINGS. Deed hij dat, dan ware Zijn rug ontbloot, en dit, nu Welsch- en Franschman Hem aan de hielen bast;--neen, ducht dit niet.
LORD BARDOLF. Wie, denkt gij, voert zijn leger tegen ons?
HASTINGS. De prins van Lancaster, met Westmoreland; Hijzelf rukt op naar Wales met Hendrik Monmouth; Doch wie voor hem de Franschen tegentrekt, Kwam ik nog niet te weten.
AARTSBISSCHOP. Voorwaarts dan; En luid verkondigd, wat ten strijde ons drijft! Reeds walgt het land van wat het zelf zich koos; Zijn liefde, steeds te gulzig, at te veel.-- Een duiz'lig en onveilig huis bewoont Wie op het harte van de menigt' bouwt. O stikziend volk! Wat deed uw luid gejubel Met "Heil u, Bolingbroke!" den hemel daav'ren, Eer hij, wat gij hem hebben wildet, was! En nu hij u bereid is naar uw wensch, Hebt ge u, vraatzuchtig vee, zoo volgebrast, Dat gij u kittelt om hem uit te spuwen. Zoo, lage hond, hebt ge uit uw slempersborst Den koninklijken Richard uitgeworpen; En nu zoudt gij het doode braaksel eten, En huilt er naar. Wie kan deze eeuw betrouwen? Die, toen hij leefde, Richards dood begeerden, Zijn nu verliefd geworden op zijn graf. Gij, die hem 't edel hoofd met stof bewierpt, Toen hij door 't fiere Londen Bolingbroke's Gevierde hielen zuchtend volgen moest, Roept nu: "O aard, geef ons dien koning weer; Neem dezen!" Booze vloek, dat wij 't verleden En 't morgen prijzen, 't heden stâag vertreden!
MOWBRAY. Dus trekken we op, den vijand te gemoet?
HASTINGS. De tijd beheerscht ons, en de tijd eischt spoed.
(Allen af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een straat.
De Waardin komt op, met Klauw en zijn Handlanger; Strik volgt.
WAARDIN. Sinjeur Klauw, hebt gij de klacht ingeschreven?
KLAUW. Zeker, ingeschreven.
WAARDIN. Waar is uw handlanger? is het een flink handlanger? staat hij zijn man?
KLAUW. Jongen, waar is Strik?
WAARDIN. O lieve God! Goed, die brave Strik!
STRIK. Hier, hier.
KLAUW. Strik, wij moeten Sir John Falstaff vatten.
WAARDIN. Ja, beste Strik, ik heb hem ingeschreven en alles.
STRIK. Het kan aan ettelijken van ons het leven kosten, want hij zal naar ons steken.
WAARDIN. O lieve tijd, ja; pas toch voor hem op; hij heeft naar mij gestoken in mijn eigen huis, en op beestachtige manier ook. Waarachtig, als hij eens van leer heeft getrokken, vraagt hij niet, wat kwaad hij doet, dan steekt hij om zich heen als de duivel; dan spaart hij man, vrouw noch kind.
KLAUW. Als ik hem maar aan het lijf kan komen, geef ik niets om zijn stooten.
WAARDIN. Neen, ik ook niet; ik zal u ter zijde staan.
KLAUW. Als ik hem eens te pakken kan krijgen, als hij maar eens in deze duimschroef komt,--
WAARDIN. Als hij weg komt, ben ik gerinneweerd; ik verzeker u, het is innorm, zooals hij bij mij in het krijt staat. Beste baas Klauw, houd hem sikkuur vast;--beste baas Strik, laat hem niet ontsnappen. Hij komt op het monement naar den Pasteihoek (met verlof van uw manbaarheid) om een zadel te koopen en hij is ten eten geïntiveerd in den Luipaardenkop op de Lommerdstraat bij den koopman Gladjes uit den zijdewinkel; ik bid je, nu mijn klacht is ingeschreven en mijn geval zoo openlijk aan de heele wereld bekend is, breng hem op, dat hij antwoord moet geven. Vijftig pond, dat is voor een arme weduwvrouw zwaar om te dragen; ik heb het uitgehouden en uitgehouden, en ik ben gefopt en gefopt en gefopt van den eenen dag op den anderen, dat het een schande is om er aan te denken. Dat is geen eerlijke manier van doen, of een vrouw wordt een ezel en een beest, om iederen schelm zijn schurkerij te verdragen.
(Sir John Falstaff komt op, met zijn Page en met Bardolf.)
Daar komt hij aan, met dien liederlijken malvezijneus, Bardolf, bij hem. Laat nu eens zien, dat je mannen zijt, baas Klauw en baas Strik; laat mij zien, laat mij zien, dat je mannen zijt.
FALSTAFF. Nu, wie zijn knol is hier dood? wat is er aan de hand?
KLAUW. Sir John, ik neem u in hechtenis ten verzoeke van vrouw Haastig.
FALSTAFF. Weg, rakkers!--Trek, Bardolf! sla mij dien schurk den kop af; smijt dat vrouwmensch in de goot!
WAARDIN. Mij in de goot smijten? Wacht maar, ik zal er jou in smijten! Kom maar op, kom maar op, jij schelm van een vrouwenverleider! Moord! moord! O jij schurk van een molligteerder! zou je de beambten van God en den koning willen vermoorden? O jij schelm van een hartenteerder! jij bent een hartenteerder, een manslager en een vrouweslager!
FALSTAFF. Jaag hen weg, Bardolf.
KLAUW. Assistentie! assistentie!
WAARDIN. Lieve menschen, haalt toch een hattustentie of twee!--kom maar op, kom maar op, ga je gang, ga je gang, jij schelm! ga je gang, jij achterteerder!
FALSTAFF. Weg, jij vatenwaschster! jij holle keel! jij mufmadam! ik zal je voor je catastrophe geven!
(De Lord Opperrechter komt op, met Gevolg.)
OPPERRECHTER. Wat is dat hier? Gij allen, rustig daar!
WAARDIN. Lieve beste heer, wees goed voor mij! Ik smeek u, sta mij bij!
OPPERRECHTER. Wat is 't, Sir John? Vind ik u hier aan 't twisten? Past zulk een doen uw rang, uw tijd, uw dienst? Gij moest reeds onderweg zijn, lang, naar York.--Terug daar, knaap! Wat hangt gij hem aan 't lijf?
WAARDIN. O mijn hoogwaardige heer, met verlof van uwe genade, ik ben een arme weduwe uit Eastcheap, en hij gaat op mijn aanklacht in de gijzeling.
OPPERRECHTER. Voor wat voor een som?
WAARDIN. Niet voor sommige dingen, Heer; maar voor alles, voor alles wat ik heb. Hij heeft mij mijn huis en hof uitgevreten; hij heeft mijn geheel vermogen in zijn vetten buik daar gestopt.--Maar ik wil er wat van terughebben, of ik zal je 's nachts drukken als een nachtmerrie.
FALSTAFF. Nu, mij dunkt, ik zal nog eer een merrie drukken; 't is maar de kunst er boven op te komen.
OPPERRECHTER. Hoe komt dit, Sir John? Foei, welk een rechtgeaard man zou zulk een storm van verwenschingen dulden? Schaamt gij u niet, dat gij een arme weduwe tot zulke middelen dwingt om aan het hare te komen?
FALSTAFF. Wat voor een groote som is het dan, die ik u schuldig ben?
WAARDIN. Bij mijn ziel, als gij een eerlijk man waart, uzelf en het geld er bij. Gij hebt het mij gezworen op een halfvergulden beker, in mijn Dolfijnenkamer, aan de ronde tafel, bij een steenkolenvuur, op Woensdag na Pinkster, toen de prins u een gat in het hoofd had geslagen, omdat gij gezegd hadt, dat zijn vader op een voorzanger uit Windsor geleek; toen hebt gij mij gezworen, terwijl ik uw wond uitwiesch, dat ge mij trouwen zoudt en mij tot uw mevrouw maken. Kunt ge dat ontkennen? Kwam buurvrouw Ongel, de slachtersvrouw, toen niet binnen en noemde zij mij niet buur Haastig? en wilde zij niet een halve flesch azijn borgen, en zeide zij niet, dat zij een goeden schotel garnalen had? waarop gij lust kreegt er van te eten, waarop ik zeide, dat zij niet goed waren voor een versche wond? en hebt gij niet gewild, toen ze de trap af was, dat ik met zulke minne lieden niet meer zoo familiariteit zou wezen, en gezegd, dat ze mij binnen kort mevrouw zouden noemen? En hebt gij mij toen niet gekust, en gezegd, dat ik u dertig schellingen moest geven? Ik zet u nu eens voor uw eed; ontken het, als gij kunt.
FALSTAFF. Mylord, dit is een arme malende ziel; en ze zegt, de geheele stad door, dat haar oudste zoon op u gelijkt. Zij is in goeden doen geweest, en de waarheid is: armoede heeft haar in de war gebracht. Maar wat die domme gerechtsdienaars betreft, verzoek ik u, mij genoegdoening tegenover hen te verschaffen.
OPPERRECHTER. Sir John, Sir John, ik ken zeer wel uw manier van doen, van de ware toedracht van een zaak te verdraaien. Geen stoutmoedige blik, noch ook de vloed van woorden, die gij met meer dan onbeschaamde driestheid uit, zullen mij van een onpartijdige beoordeeling afbrengen. Gij hebt, naar het mij voorkomt, het toegefelijk hart van deze vrouw bewerkt, tot zij u met haar beurs en met haar persoon ten dienste is geweest.
WAARDIN. Ja juist, mylord, ja juist.
OPPERRECHTER. Ik bid u, stil!--Betaal haar de schuld, die gij aan haar hebt, en maak het kwaad goed, dat gij haar gedaan hebt! het eene kunt gij doen met klinkende munt, het andere met gangbaar berouw.
FALSTAFF. Mylord, ik kan mij deze terechtwijzing niet stilzwijgend laten welgevallen. Gij noemt een roemwaardige stoutmoedigheid onbeschaamde driestheid; als iemand een nederige buiging maakt en niets zegt, is hij deugdzaam. Neen, mylord, bij alle plichtmatig ontzag voor u, wil ik geen smeekeling zijn; ik zeg u, dat ik van deze gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden, daar ik in 's konings belang een dringende opdracht te vervullen heb.
OPPERRECHTER. Gij spreekt alsof gij machtiging hadt om onrecht te plegen; maar houd metterdaad uw goeden naam op en stel de arme vrouw tevreden.
FALSTAFF. Kom hier, waardin.
(Hij neemt haar ter zijde.)
(Gower komt op.)
OPPERRECHTER. Gij daar, Heer Gower? wat meldt gij?
GOWER. De koning, heer, en Hendrik, prins van Wales, Zijn reeds dichtbij, het verd're meldt dit blad.
FALSTAFF (tot de Waardin). Zoo waar ik een edelman ben,--
WAARDIN. Ja, dat hebt ge vroeger ook gezegd.
FALSTAFF. Zoo waar ik een edelman ben; kom, geen woord er meer over.
WAARDIN. Bij dezen hemelschen grond, waar ik op sta, ik moet er mijn zilver en de gewerkte wandtapijten uit mijn eetkamer voor verpanden.
FALSTAFF. Glazen, glazen, dat is het ware drinken! En wat uw wanden betreft, een aardige kleine snakerij, of de geschiedenis van den Verloren Zoon, of de Duitsche Zwijnenjacht in waterverf is meer waard dan duizend van zulke beddebehangsels en mottige tapijten. Laat het tien pond zijn, als je kunt. Kom, als ge die kuren niet hadt, was er geen beter wijf in heel Engeland. Ga, wasch je gezicht af en trek die klacht in. Kom, je moet niet zoo boos tegen mij wezen. Ken je mij niet? Kom, kom, ik weet, dat je er toe opgestookt bent.
WAARDIN. Ik bid u, Sir John, laat twintig nobels genoeg zijn; waarachtig, ik zie er tegen op, mijn zilver te verpanden, in vollen ernst, ja!
FALSTAFF. Nu, laat het dan; ik zal mij wel ergens anders redden; je bent en blijft toch een zottinnetje!
WAARDIN. Nu, gij zult het hebben; al moest ik er mijn rok ook voor verpanden. Ik hoop, dat gij van avond komt eten. Gij wilt mij alles in eens betalen?
FALSTAFF. Wil ik in 't leven blijven?--(Tot Bardolf.) Ga mee, ga mee; haak aan, haak aan!
WAARDIN. Wilt gij Doortje Scheurlaken ook bij het avondeten hebben?
FALSTAFF. Geen praatjes verder; laat haar komen.
(De Waardin, Bardolf, de Gerechtsdienaars en de Page af.)
OPPERRECHTER (tot Gower). 'k Heb beter nieuws vernomen.
FALSTAFF. Wat is het nieuws, mijn waarde heer?
OPPERRECHTER (tot Gower). Waar was de koning deze nacht gelegerd?
GOWER. Te Basingstoke, mylord.
FALSTAFF. Ik hoop, mylord, dat alles wel is; wat is er voor nieuws, mylord?
OPPERRECHTER. En komt zijn gansche macht terug?
GOWER. Tweeduizend man, waarvan vijfhonderd ruiters, Zijn naar mylord van Lancaster, en zullen Northumberland en den prelaat bestrijden.
FALSTAFF. Komt de koning uit Wales terug, geëerde heer?
OPPERRECHTER (tot Gower). Ik maak de brieven daad'lijk u gereed. Kom met mij mede, bid ik u, heer Gower.
FALSTAFF. Mylord!
OPPERRECHTER. Wat is er?
FALSTAFF. Mag ik u uitnoodigen, hedenmiddag mijn gast te zijn, heer Gower?
GOWER. Ik moet den edelen lord hier ten dienste staan; ik dank u, goede Sir John.
OPPERRECHTER. Sir John, gij talmt hier te lang; gij hebt in de streken, die gij doortrekt, soldaten te lichten.
FALSTAFF. Wilt gij dan van avond bij mij eten, Heer Gower?
OPPERRECHTER. Welke dwaze leermeester heeft u die manieren geleerd, Sir John?
FALSTAFF. Als zij mij niet goed staan, Heer Gower, dan was het een dwaas, die ze mij leerde.--Dit is schermen naar den eisch, mylord; tik voor tak, en zoo in eere van elkaâr.
OPPERRECHTER. Nu, de Heere verlichte u! gij zijt een groote zotskap!
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een andere straat in Londen.
Prins Hendrik en Poins komen op.
PRINS HENDRIK. Geloof mij, ik ben door en door moe.
POINS. Is het zoo ver met u? Ik heb altijd gedacht, dat moeheid iemand van zoo hoogen bloede niet aan zou durven.
PRINS HENDRIK. Nu, inderdaad; zij durft mij aan, al moet mijn hoogheid ook van kleur verschieten, nu het erkend moet worden. Staat het mij niet recht gemeen, dat ik naar dunnebier verlang?
POINS. Ja, een prins moest niet zoo nalatig gestudeerd hebben, dat hij zich zulke ellendige brouwsels kon herinneren.
PRINS HENDRIK. Misschien dan, dat mijn trek niet van vorstelijke afkomst is; want, op mijn woord, ik herinner mij nu dien armen duivel, dat dunnebier. Maar, waarachtig, die nederige overdenkingen doen mij afkeerig zijn van mijn grootheid. Wat schande moet het voor mij zijn, dat ik mij uw naam herinner! of morgen uw gelaat nog ken! of opmerk, hoe veel paar zijden kousen gij hebt, namelijk deze, en die eens uw perzikbloesemroode waren! of de lijst bijhoud van uw hemden, namelijk een voor overdaad en een voor het gebruik! Maar dit weet de kaatsbaanhouder beter dan ik, want het is lage eb in uw linnen, als gij daar het raket niet ter hand neemt, zooals gij in langen tijd niet gedaan hebt, omdat uw Hollandsche bezittingen, bij wijze van redmiddel, door uwe overige lage landen verslonden zijn. En God weet, of de kleine schreeuwers, die nu uit de overblijfselen van uw linnen zich laten hooren, zijn koninkrijk zullen beërven; maar de bakers zeggen, dat de kinderen het niet kunnen helpen; en ondertusschen neemt de menschheid toe en worden de familiën verbazend sterk.
POINS. Hoe kwalijk rijmt die ijdele praat op uw zwaren arbeid van vroeger! Zeg mij, hoeveel jonge prinsen zouden dit wel doen, als hun vaders zoo ziek waren, als de uwe op dit oogenblik is?
PRINS HENDRIK. Wil ik u wat zeggen, Poins?
POINS. Ja, voorwaar, maar laat het iets bijzonder goeds zijn.
PRINS HENDRIK. Het zal voor geesten, die niet hooger staan dan gij, zijn dienst kunnen doen.
POINS. Ga voort, ik zal den schok wel doorstaan van dat iets, wat gij mij zeggen wilt.
PRINS HENDRIK. Waarachtig, ik zeg u,--het zou niet goed staan, als ik bedroefd was nu mijn vader ziek is; hoewel ik u zou kunnen zeggen,--als tot iemand, wien ik, bij gebreke van beter, goedvind mijn vriend te noemen,--dat ik bedroefd zou kunnen zijn en oprecht bedroefd bovendien.
POINS. Moeilijk toch om zulk een reden.
PRINS HENDRIK. Bij deze hand, gij denkt, dat ik even boos in 's duivels boek sta als gij en Falstaff, wat halsstarrigheid en verstoktheid betreft. Het eind zal 't leeren. Maar ik zeg u: mijn hart bloedt inwendig, dat mijn vader zoo ziek is; en dat ik met zulk slecht gezelschap omga als gij zijt, dit ontzegt mij om goede redenen alle uiterlijke vertooning van smart.
POINS. Die redenen?
PRINS HENDRIK. Wat zoudt gij van mij denken, als ik weende?
POINS. Ik zou denken, dat gij een echt prinselijke huichelaar waart.
PRINS HENDRIK. Dat zou iedereens gedachte zijn; en gij zijt een gezegend schepsel, dat gij denkt, zooals iedereen denkt; van geen sterveling houden de gedachten beter den grooten weg dan de uwe. Iedereen zou denken, dat ik een huichelaar was, inderdaad. En wat dringt uw hoogwaardige gedachten om zoo te denken?
POINS. Wel, dat gij zoo loszinnig zijt geweest en zoo vergroeid met Falstaff.
PRINS HENDRIK. En met u.