Koning Hendrik de Vierde

Part 1

Chapter 13,968 wordsPublic domain

KONING HENDRIK DE VIERDE.

EERSTE DEEL.

PERSONEN:

Koning Hendrik de Vierde. Hendrik, prins van Wales, } John van Lancaster, } zonen des Konings. De Graaf van Westmoreland. Sir Walter Blunt. Thomas Percy, Graaf van Worcester. Hendrik Percy, Graaf van Northumberland. Hendrik Percy, bijgenaamd Heetspoor, zijn zoon. Edmond Mortimer, Graaf van March. Richard Scroop, Aartsbisschop van York. Archibald, Graaf van Douglas. Owen Glendower. Sir Richard Vernon. Sir John Falstaff. Sir Michaël, een vriend van den Aartsbisschop van York. Poins. Gadshill. Peto. Bardolf.

Lady Percy, gemalin van Heetspoor, zuster van Mortimer. Lady Mortimer, dochter van Glendower, gemalin van Mortimer. Vrouw Haastig, waardin van een herberg in Eastcheap.

Lords, Officieren, een Sheriff, een Wijntapper, een Laarzenpoetser, Herbergbedienden, twee Voerlieden, Reizigers, Bedienden en Gevolg.

Het tooneel is in Engeland.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in 's Konings paleis.

Koning Hendrik, Westmoreland, Sir Walter Blunt en Anderen komen op.

KONING HENDRIK. Hoe diep geschokt, hoe bleek van zorg wij zijn, Tijd vinden wij, dat de opgejaagde vrede Uitblaze en hijgend spreek' van nieuwen strijd, Te voeren aan een ver verwijderd strand. Niet langer zal de dorstige aard haar lippen Met harer eigen kindren bloed hier verven, Niet langer scherpe krijg haar velden ploegen, Haar bloemen kneuzen met den ijz'ren tred Van 's vijands ros; die tegenstandersoogen, Die, als eens donkren hemels meteoren, Van één natuur, uit ééne stof verwekt, Zich pas in 't stormen en de woeste worstling Der burgerslachting op elkander stortten, Zij zullen nu, eendrachtig, saamgeschaard, Denzelfden weg gaan, langer niet in twist Met landgenooten, magen en verbond'nen; Niet langer zal het krijgszwaard, als een mes In slechte scheê, zijn eigen meester wonden. Dies, vrienden, naar het verre graf van Christus,-- Wiens heilig kruis de vaan is, die tot krijgers Van hem ons wijdt en ons tot strijden roept,-- Vereen'gen wij met spoed een Engelsch leger, Welks armen in den moederschoot zich vormden Ter jacht op heidnen in dat heilig land, Betreden door die zegenrijke voeten, Die, ons tot heil, voor veertienhonderd jaar Genageld werden aan het bitter kruis. Doch dit ons plan, twaalf maanden is 't reeds oud, En zeiden we enkel dit: "wij gaan", 't waar' nutt'loos; Niet daarom zijn wij hier; laat dus mij hooren, Van u, mijn waarde neef van Westmoreland, Wat gistren avond onze raad besloot, Om dien ons dierb'ren tocht nu door te zetten.

WESTMORELAND. Mijn vorst, die spoed werd ijvrig overwogen, En van de midd'len tot den krijg was gistren Reeds veel bepaald, toen ons te kwader uur Een bode uit Wales recht booze tijding bracht; Het ergst is dit, dat de eed'le Mortimer Die met zijn troep, in Herefordshire gelicht, Glendower, den woesten Welschen hoofdman, aangreep, Dien ruwen krijger zelf in handen viel; Een duizendtal der zijnen werd geslacht; En Welsche vrouwen hebben hunne lijken Mishandeld, ja, zoo schandlijk en zoo dierlijk Verminkt, dat schaamte een elk beletten moet, Dit te beschrijven of er van te spreken.

KONING HENDRIK. En het bericht van dezen strijd,--zoo schijnt het,-- Heeft onze zaak van 't Heilig land geschorst?

WESTMORELAND. Ja, dit, met meer ontrustend nieuws, mijn vorst, Want ruwer tijding, nog veel meer onwelkom, Kwam uit het noorden aan, van dezen inhoud: Op kruisverheffingsdag stiet dapp're Heetspoor, De jonge Hendrik Percy, daar op Douglas, Den immer strijdb'ren en beproefden Schot, Bij Holmedon, Waar zij een boos en bloedig uur doorleefden, Zooals de bode naar 't kanongebulder En verdren schijn van 't slaggewoel vermeldt, Want die de tijding bracht, steeg in de hitte En hoogste woede van den strijd te paard, Toen de afloop nog geheel onzeker was.

KONING HENDRIK. Hier staat een trouw en onvermoeibaar vriend, Sir Walter Blunt, zoo pas van 't paard gestegen, Bespat met al het onderscheid van grond, Dat tusschen Holm'don is en onzen zetel. Die heeft ons glad en welkom nieuws gebracht. De graaf van Douglas is geheel verslagen; Tienduizend stoute Schotten, twintig ridders, In eigen bloed gestapeld, zag Sir Walter In Holm'dons veld; Heetspoors gevang'nen zijn: Mordake, de graaf van Fife en oudste zoon Van de' overwonnen Douglas, en de graven Van Athol, Murray, Angus en Menteith. Acht gij dit niet een buit, die eere brengt, En prijs voor hoogen moed? Spreek, neef, wat dunkt u?

WESTMORELAND. Voorwaar, Een zegepraal, waarop een prins kon bogen.

KONING HENDRIK. Thans maakt gij mij bedroefd en wekt de zonde Des nijds in mij, dat lord Northumberland De vader is van zulk een heilrijk zoon: Een' zoon, dien de eere steeds als voorbeeld prijst, In 't hooge woud den rijzigste' aller stammen, Den liev'ling en de trots van 't mild Geluk, Terwijl dat ik, zijn roem aanschouwend, zie, Hoe schande en woestheid mijnen jongen Hendrik Het voorhoofd smetten. O, liet zich bewijzen, Dat, spokend in de nacht, een elf de kindren, Toen ze in hun wiegjes lagen, had verruild, 't Mijn Percy, 't zijn Plantagenet genoemd! Dan had ik zijnen Hendrik, hij den mijnen.-- Doch weg daarmee!--Wat dunkt u van den trots Des jongen Percy's? de gevang'nen, die Hij in dit jongste treffen heeft gemaakt, Behoudt hij voor zichzelf, en zegt, dat ik Slechts Mordake, graaf van Fife, van hem krijg.

WESTMORELAND. Dat is de leering van zijn oom, 't is Worcester, Bij elken hemelstand uw booze ster; Die maakt, dat hem de kam der jeugd zoo zwelt, En hij zoo fier uw hoogheid tegentreedt.

KONING HENDRIK. Hoe 't zij, ik riep hem op ter rekenschap; En om die reden moet ons heilig plan Naar Palestina nog een wijle rusten. Aanstaanden Woensdag, neef, beleggen wij Te Windsor raad, verwittig dus de lords: Doch keer gijzelf terstond tot ons terug; Er valt nog meer te zeggen en te doen, Dan nu in gramschap kan besproken worden.

WESTMORELAND. Zeer wel, mijn vorst.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.

Prins Hendrik en Falstaff komen op.

FALSTAFF. Wel, Hein, wat tijd van den dag is het, jongen?

PRINS HENDRIK. Gij zijt zoo vet van brein geworden van het oude-sekdrinken, het kamizool-losknoopen na het avondeten, en het slapen op banken na den middag, dat gij verleerd hebt, werkelijk te vragen naar wat gij werkelijk weten wilt. Wat duivel hebt gij met den tijd van den dag te maken? Als niet uren glazen sek zijn' en minuten kapuinen, en klokken koppelaarsterstongen, en wijzerplaten uithangschilden voor liederlijke huizen, en de lieve zon zelve een mooie, hitsige deerne in vuurkleurige zijde, zie ik geen reden, waarom gij zoo buitensporig zoudt zijn van naar den tijd van den dag te vragen.

FALSTAFF. Ja, waarlijk, Hein, daar hebt gij mij een teêr punt aangeroerd; want wij, die beurzen snijden, wij gaan uit bij de maan en het zevengesternte, en niet bij Phoebus, "den dolenden ridder fijn". En, ik bid u, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt,--wat God uwe genade,--majesteit wilde ik zeggen, want op genade hebt gij niet te hopen,--

PRINS HENDRIK. Wat! in het geheel niet?

FALSTAFF. Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde.

PRINS HENDRIK. Nu, wat verder? ga voort, vrijuit, vrijuit!

FALSTAFF. Nu dan, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt, laat dan niet toe, dat men ons, die schildknapen zijn van de nacht, ooit dagdieven noemt; laat ons heeten: Diana's houtvesters, ridders van de schemering, lievelingen van de maan; en laat men zeggen, dat wij mannen zijn van een besten levenswandel, want wij regelen ons, evenals de zee, naar onze edele en kuische meesteres, de maan, en het is onder haar mantel, dat wij stelen.

PRINS HENDRIK. Zeer goed gezegd, en zeer juist bovendien; want het geluk van ons, die dienaars zijn der maan, heeft zijn eb en vloed als de zee, en wordt, evenals de zee, door de maan bestuurd. Bij voorbeeld aldus: een goudbeurs wordt Maandagnacht zeer vastberaden gekaapt, en Dinsdagmorgen zeer onberaden doorgebracht; veroverd met een vloek: "draai bij, afgeven!" en verdaan met het geschreeuw: "kom hier, aannemen!" nu eens, ebbe zoo laag als de voet van de ladder, dan weer, vloed, zoo hoog als het dwarshout van de galg.

FALSTAFF. Bij God, gij hebt gelijk, jongen. En is mijn waardin van het wijnhuis niet een allerzoetst bekje?

PRINS HENDRIK. Als de honing van Hybla, mijn oude schermersbaas. En is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleêren wambuis?

FALSTAFF. Hoe zoo, hoe zoo, dolle guit? hebt gij alweer uw invallen en uitvallen? wat voor den duivel heb ik met boeiende mannen te doen?

PRINS HENDRIK. En wat weêrgâ heb ik met de waardin van het wijnhuis te doen?

FALSTAFF. Nu, gij hebt toch aardig dikwijls met haar afgerekend.

PRINS HENDRIK. Heb ik er u ooit bijgeroepen, om uw deel te betalen?

FALSTAFF. Neen, dat moet ik u tot uw eer nageven, gij hebt altijd alles betaald.

PRINS HENDRIK. Ja hier, en elders ook, zoover mijn geld reikte; en waar dit niet toereikte, heb ik mijn krediet gebruikt.

FALSTAFF. Ja, en opgebruikt ook, zoodat, als gij niet de vermoedelijke troonopvolger waart, vermoedelijk,--maar ik bid u, zeg mij, mijn lieve guit, zullen er in Engeland nog galgen overeind blijven staan, als gij koning zijt, en zullen zij, die wat durven, evenals nu, beetgenomen worden met den roestigen breidel van den ouden zotskap, de wet? Neen, hang geen dief meer op, als gij koning zijt.

PRINS HENDRIK. Neen, gij zult het doen.

FALSTAFF. Ik? o voortreffelijk! Bij God, ik zal een kostelijk rechter zijn.

PRINS HENDRIK. Er is rechten en rechten, en uw oordeel is nu al verkeerd; ik bedoel, dat gij de dieven zult hangen, en dus een man van gewicht, een scherprechter zult worden.

FALSTAFF. Mooi, Hein, mooi; ik zeg u, het is al evenveel naar mijn smaak, als aan het hof te verschijnen.

PRINS HENDRIK. Als mijn getrouw aanhanger?

FALSTAFF. Dat zou wel zoo wezen, want de scherprechter heeft, helaas! maar al te veel aan te hangen. Verduiveld, ik ben zoo melancholiek als een oude kater of een geneusringde beer.

PRINS HENDRIK. Of als een oude leeuw of een minnaarsluit.

FALSTAFF. Of als een baspijp van een Lincolner doedelzak.

PRINS HENDRIK. Zoudt gij niet zeggen, als een naargeestige haas, of een stilstaande stadsgracht?

FALSTAFF. Gij hebt de onsmakelijkste vergelijkingen ter wereld, en zijt inderdaad de vergelijkendste, spitsboefachtigste,--aardigste jonge prins.--Maar ik bid u, Hein, val mij niet meer met ijdelheden lastig. Ik wenschte van God, dat gij en ik eene gelegenheid wisten, om een voorraad goeden naam te koopen. Een oude lord van den geheimen raad haalde mij onlangs op de openbare straat om uwentwille door, man; maar ik lette niet op hem, en toch, hij sprak zeer wijs, maar ik sloeg geen acht op hem; en toch sprak hij wijs, en bovendien op straat.

PRINS HENDRIK. Gij deedt wel; want de wijsheid verheft hare stem op de straten, en niemand slaat acht op haar.

FALSTAFF. O! gij hebt vloekwaardige aanhalingen en zoudt waarlijk in staat zijn, een' heilige te verleiden. Gij hebt veel schuld over mij gebracht, Hein;--God moge het u vergeven. Vóor ik u kende, Hein, wist ik van niets, en nu ben ik, als ik naar waarheid moet getuigen, weinig beter dan een van de goddeloozen. Ik moet van dit leven afstand doen, en ik wil er afstand van doen. Bij God, als ik het niet doe, ben ik een schurk; ik wil niet ter helle varen, voor geen enkelen koningszoon in de christenheid.

PRINS HENDRIK. Waar willen wij morgen een geldbuidel rooven, Hans?

FALSTAFF. Alle weêrgâ, waar gij wilt, jongen; ik ben er bij. Als ik het niet doe, noem mij dan een schurk en een lafaard en wat ge wilt.

PRINS HENDRIK. Ik zie daar een fraaie bekeering in u, van bidden tot beurzensnijden.

(Poins verschijnt op den achtergrond.)

FALSTAFF. Wel, Hein, 't is mijn beroep, Hein; en in zijn beroep werkzaam zijn is geen zonde.--Poins!--Nu zullen wij hooren, of Gadshill wat op touw heeft gezet.--O, als de menschen door verdiensten zalig worden, welk gat in de hel zou dan heet genoeg zijn voor hem? Hij is de meest doortrapte spitsboef, die ooit een eerlijken drommel "sta!" heeft toegeroepen.

PRINS HENDRIK. Goeden morgen, Edu.

POINS. Goeden morgen, beste Heintje!--Wat zegt Sinjeur Gewetensknaging? Wat zegt Sir John Sek-met-suiker? Hans, hoe staat het met den duivel en u, omtrent uw ziel, die gij hem den laatsten Goeden Vrijdag voor een roemer Madera en een koud kapoeneboutje verkocht hebt?

PRINS HENDRIK. Sir John houdt zijn woord; den duivel zal zijn recht geworden, want hij heeft nog nooit een spreekwoord gebroken; hij geeft zelfs den duivel het zijne.

POINS. Dan zijt gij vervloekt, omdat gij den duivel uw woord houdt.

PRINS HENDRIK. Anders was hij vervloekt geweest, omdat hij den duivel bedrogen had.

POINS. Maar jongens, jongens, morgen ochtend vroeg tegen vier uren, naar Gadshill! Er gaan pelgrims naar Canterbury met rijke offergaven, en er rijden kooplieden naar Londen met goedgespekte buidels; ik heb maskers voor u allen, paarden voor u hebt gijzelf. Gadshill blijft van nacht te Rochester; ik heb voor morgen avond eten besteld in Eastcheap; wij kunnen het even veilig doen als slapen. Wilt gij meegaan, dan stop ik u de zakken vol kronen; wilt gij niet, zoo blijf thuis en laat u hangen.

FALSTAFF. Hoor eens, Eduardus; als ik thuis blijf en niet ga, dan hang ik u voor het meêgaan.

POINS. Zoo, vleeschklomp?

FALSTAFF. Hein, doet gij mede?

PRINS HENDRIK. Wie? Ik stelen? Ik een dief? Neen, waarachtig niet.

FALSTAFF. Er is in u geen eerlijkheid, geen manhaftigheid, noch goede kameraadschap, en gij zijt ook niet van koninklijken bloede, als gij het hart niet hebt, een paar kronen in den zak te steken.

PRINS HENDRIK. Nu goed, ik wil eens in mijn leven een dollemansstreek begaan.

FALSTAFF. Zie, dat is verstandig gesproken.

PRINS HENDRIK. Neen, er gebeure wat er wil, ik blijf thuis.

FALSTAFF. Bij God, dan pleeg ik hoogverraad aan u, als gij koning zijt.

PRINS HENDRIK. Ga uw gang.

POINS. Sir John, ik bid u, laat den prins en mij alleen; ik zal hem zulke gronden voor deze onderneming geven, dat hij meêgaan moet.

FALSTAFF. Nu, God geve u den geest der overreding en hem de ooren der leergierigheid, opdat, wat gij spreekt, moge treffen en, wat hij hoort, geloof vinden, zoodat de echte prins, voor tijdverdrijf, een valsche dief wordt, want de arme misbruiken der wereld behoeven bescherming! Vaarwel; gij vindt mij in Eastcheap.

PRINS HENDRIK. Vaarwel, herfstlente! vaarwel, allerheiligenzomer!

(Falstaff af.)

POINS. Hoor, mijn beste suikerprins, rijd morgen met ons mede; ik heb een grap voor, die ik niet alleen ten uitvoer kan leggen. Falstaff, Bardolf, Peto en Gadshill moeten die lieden berooven, waar de strik reeds voor gespannen is; gij en ik zullen er niet bij zijn; en, hebben zij den buit, mijn kop af, als wij tweeën hun dien niet afzetten!

PRINS HENDRIK. Maar hoe komen wij bij het rijden van hen af?

POINS. Nu, wij rijden voor of na hen af en wijzen hun een plaats van bijeenkomst aan, waar wij desverkiezende van daan blijven. Dan zullen zij het schelmstuk zonder ons wagen, en nauwelijks zijn zij er mee klaar, of wij overvallen hen.

PRINS HENDRIK. Goed, maar waarschijnlijk kennen zij ons aan onze paarden, aan onze kleederen, aan honderd andere dingen meer, dat wij het zijn.

POINS. O, onze paarden zullen zij in het geheel niet zien, die bind ik in het bosch vast; wij doen andere maskers voor, zoodra wij hen verlaten hebben, en dan heb ik hanssoppen van stijf linnen bij de hand, om onze kenbare kleeding geheel te vermommen.

PRINS HENDRIK. Goed, maar ik vrees, dat zij ons te sterk zullen wezen.

POINS. 't Mocht wat; twee van hen ken ik als zoo volbloed-lafaards, als er ooit de hielen gelicht hebben; en de derde,--als hij langer vecht dan hij raadzaam acht, wil ik nooit meer een zwaard ter hand nemen. Het vermakelijkste van de grap zullen de ontzettende leugens wezen, die deze vette schelm ons op zal disschen, als wij bij het avondeten elkaâr ontmoeten; hoe hij met ten minste dertig man gevochten heeft, wat parades, wat stooten, wat levensgevaren hij heeft doorgestaan; en hem dan in eens te logenstraffen is de grap.

PRINS HENDRIK. Nu, ik ga mede; breng al het noodige voor ons in orde; en kom morgen avond bij mij in Eastcheap; daar wil ik dien avond eten. Vaarwel.

POINS. Vaarwel, prins.

(Poins af.)

PRINS HENDRIK. Ik ken u allen en ik steun een poos Den teugelloozen moedwil van uw nietsdoen, Ik volg hierin het voorbeeld van de zon, Die aan oneed'le, kwade wolken toelaat, Haar schoonheid voor de wereld te verduist'ren, Opdat men na 't gemis haar meer bewonder', Wanneer het haar behaagt zichzelf te zijn, En zij door al de booze neev'len breekt Van dampen, die haar dreigen te verstikken. Ware ieder dag van 't jaar een feest- en speeldag, Langwijlig wierd het spelen, als het werken; Doch 't zelden komen maakt een feest gewenscht, En niets behaagt, dan wat zeer enkel komt. Zoo, als ik dezen lossen wandel afzweer, De schuld betaal, waarvan ik niets beloofde, Beschaam ik eens, wat elk verwacht, te meer, Naarmate ik beter dan mijn woorden blijk; En als een blank metaal op donkren grond, Zal mijn bekeering, op mijn feilen blinkend, Veel schooner stralen, meer elks oogen trekken, Dan wat door de' achtergrond niet wordt verhoogd. Mijn zondig doen zij eens als kunst geacht; Den tijd herwin ik, als dit niemand wacht.

(Prins Hendrik af.)

DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Northumberland, Worcester, Heetspoor, Sir Walter Blunt en Anderen komen op.

KONING HENDRIK. Te koel en te gematigd was mijn bloed, Niet vatbaar om bij zulk een hoon te koken; En dit hebt gij ontdekt, want daarom treedt gij Op mijn lankmoedigheid; maar, wees verzekerd, Van nu af wil ik meer zijn naar mijn rang, Geweldig, schrikbaar, niet zoo naar mijn aard, Die glad als olie, zacht als dons geweest is, En daarom dat ontzag niet heeft erlangd, Dat enkel trots aan trotsche harten afdwingt.

WORCESTER. Ons huis verdient het luttel, heer en vorst, Dat hoogheid met haar geeselroê het treff', En wel een hoogheid, die onze eigen handen Tot zulk een peil verhieven.

NORTHUMBERLAND. Eed'le vorst,--

KONING HENDRIK. Worcester, van hier; want in uw oogen lees ik Miskenning van uw vorst, en boos verzet. Uw houding is te driest; zij wil bevelen; En majesteit moet nimmer 't nukkig trotsen Verdragen van eens dienaars grammen blik. Gij hebt verlof tot gaan; wanneer we uw dienst En raad behoeven, zullen we u ontbieden.

(Worcester af.)

(Tot Northumberland.) Gij wildet spreken.

NORTHUMBERLAND. Ja, mijn waarde vorst, De krijgsgevang'nen, namens u geëischt, Die Hendrik Percy hier bij Holm'don maakte, Zij werden, zegt hij, niet zoo stout geweigerd, Als aan uw majesteit geboodschapt werd; En daarom zijn òf nijd òf misverstand Van dit vergrijp de schuld, en niet mijn zoon.

HEETSPOOR. Gevang'nen heb ik niet geweigerd, heer; Maar ik bezin mij, toen 't gevecht voorbij was En ik, van woede en fellen strijd verhit, Mat, hijgend, op mijn zwaard daar stond te leunen, Verscheen een zeker heer, net, opgesmukt, In bruigomstooi; zijn pasgemaaide kin Geleek een stoppelveld op 't feest van de' oogst. Hij rook naar geurtjes als een modekramer, En tusschen duim en vinger hield hij spelend Een muskusdoosje, dat hij aan zijn neus Afwiss'lend reikte en daad'lijk weer onttrok; En die trok toornig, als de doos weer kwam, Er zich voor op; hij lachte en praatte aldoor; En toen het krijgsvolk dooden langs hem droeg, Schold hij hen uit voor plompe, lompe kerels, Dat zij een morsig, aak'lig lijk zoo tusschen Den wind en zijnen adel durfden brengen. Met jonkvrouwpraatjes en met zondagswoorden Vroeg hij mij uit, en vorderde onder andren Mijn krijgsgevang'nen voor uw majesteit. Ik toen, verbolgen, met mijn koude wonden, Dat zulk een zwetsend papegaai mij plaagde, Gaf in mijn ergernis en ongeduld Een antwoord, dat mij inviel, 'k weet niet wat Van ja of neen; hij had mij dol gemaakt, Dat hij zoo smetloos blonk, zoo heerlijk rook, En als een snappend kamermeisje relde Van vuurroers, trommen, wonden,--help' mij God!-- En zeide, dat voor innerlijke kneuzing, Niets, neen, ooit boven spermaceti ging; En dat het eeuwig jammer was, doodjammer, Dat uit het ingewand der schuldlooze aard Het schandlijk boos salpeter werd gegraven, Dat meen'gen kloeken borst lafhartig velt; En als dat boos geschut maar niet bestond, Dan zou hijzelf soldaat geworden zijn. Op dit onzinnig, laf gebazel, heer, Gaf ik, zooals ik zeide, losweg antwoord; En ik bezweer u, dat, wat hij bericht, Nooit als een aanklacht tusschen mijne liefde En uwe hooge majesteit zich dring'!

BLUNT. Wordt alles overwogen, beste vorst,-- Wat toen ook Hendrik Percy hebb' gezegd Tot een persoon als die, en op dien tijd En te dier plaats, met wat wij verder hoorden, Het moge sterven en herleve nooit Om hem te schaden; 't breng' hem geen verwijt, Wat hij toen sprak, als hij het nu herroept.

KONING HENDRIK. Welnu, hij blijft zijn krijgsgevang'nen weig'ren, Al zij 't voorwaard'lijk, en al stell' hij de' eisch Dat wij, voor onze reek'ning, fluks zijn zwager Loskoopen, dien verdwaasden Mortimer, Die, bij mijn ziel, de levens zijner volgers Moedwillig in den strijd verraden heeft Aan dien vervloekten toovenaar Glendower, Wiens dochter, zoo men zegt, de graaf van March Nu heeft gehuwd. Wat! zouden we onze schatkist Gaan leêgen, om verraders vrij te maken? Verraad gaan koopen? met wat immer dreigde En nu zichzelf ten val bracht, ons verdragen? Verhong'ren moog' hij op die kale bergen; Want nimmer houd ik dien man voor mijn vriend, Wiens tong een penning van mij beed'len durft Tot vrijkoop van de' oproer'gen Mortimer.

HEETSPOOR. De' oproer'gen Mortimer! Nooit viel hij van u af, mijn heer en vorst, Dan door het lot des krijgs; om dit te staven, Zij één tong slechts geleend aan al die wonden, Als monden open, stout door hem ontvangen, Toen hem des schoonen Severns biesrijke oever, Een vol uur bijna lang, een fellen strijd, Man tegen man, zwaard tegen zwaard, bestaan zag, Zich metend met den machtigen Glendower. Drie malen schepten ze adem, driemaal dronken Zij volgens afspraak uit den snellen stroom, Die dan, ontzet van beider bloedig uitzicht, Zich angstig in zijn trillend riet verschool, Zijn kroeshoofd bergend in den hollen oever, Bespat met dezer dapp're strijders bloed. Nooit kleurde lage, vuige veinzerij Haar heimlijk doen met zulke felle wonden, En nimmer ook zou de eed'le Mortimer Zoo velen er ontvangen, en gewillig; Daarom, hij zij van oproer niet beticht.

KONING HENDRIK. Gij liegt daar van hem, Percy, liegt van hem; Nooit heeft hij zich gemeten met Glendower. Ik zeg u, Den duivel bood hij even gaarne 't hoofd, Als in een echten strijd dien Owen Glendower. Wat! schaamt ge u niet? Onthoud, man, dat ik nimmer Een woord u spreken hoor' van Mortimer. Zend mij, zoo ras gij kunt, uw krijgsgevang'nen, Of dra hoort gij van mij het een en ander, Dat slecht u smaakt.--Mylord Northumberland, Gij hebt verlof, met uwen zoon te gaan.-- Zend uw gevang'nen, of gij hoort van mij.

(Koning Hendrik met Blunt en verder Gevolg af.)

HEETSPOOR. En kwam de duivel zelf en brulde om hen, Ik zond ze niet.--Ik wil terstond hem na, En zeg hem dit; het zal mijn hart verlichten, Al zet ik ook mijn hoofd er bij op 't spel.

NORTHUMBERLAND. Hoe is 't, van gal smoordronken? Wacht nog; blijf; Daar komt uw oom.

(Worcester komt weder op.)

HEETSPOOR. Van Mortimer niet spreken! Verdoemd! 'k wil van hem spreken; moog' mijn ziel Vervloekt zijn, als ik niet zijn zijde kies; Voor hem wil ik deze aad'ren alle leêgen, Mijn bloed vergieten, drup voor drup, in 't stof; Doch heffen wil ik mijn vertreden zwager, Hoog, tot de hoogte diens ondankb'ren konings, Dien giftigen, ondankb'ren Bolingbroke.

NORTHUMBERLAND (tot Worcester). De koning, broeder, heeft hem dol gemaakt.

WORCESTER. Wie heeft die vlam ontstoken, sinds ik ging?