Kijkjes in het dierenleven

Part 6

Chapter 64,044 wordsPublic domain

Of zijn groote onbenulligheid, die zijn vijanden ontwapent en hem uit tallooze gevaren redt, waar slimheid niet baten zou, evenals die schijnheilige onnoozelheid van den opossum slechts een masker is voor de diepste wijsheid; of dat hij net zoo dom is als hij er uitziet en handelt, is ook nog niet opgelost. Ik begin meer en meer tot de eerste mogelijkheid over te hellen. Onbewust heeft hij geleerd hoe veilig het is stil te blijven liggen. Wel duizend geslachten van dikke, gezonde stekelvarkens hebben hem leeren inzien hoe dwaas al die zorg, al dat gedraaf en getob in een andermans wereld toch is, waar die ander klaarblijkelijk ook de verantwoordelijkheid voor heeft. Hij geeft zich dus maar geen moeite en leeft in ongestoorde rust. Juist dit feit echter doet ook weer een vraag bij u oprijzen, die u misschien meeneemt over de zee om de wijsheid der Hindoes te bestudeeren. Het gaat er zoo mee: hebt ge één vraag gesteld bij uw eerste ontmoeting met Unk-Wunk, dan zult ge er twintig hebben nadat ge hem eens een maand of wat hebt waargenomen. Zijn kolom in de boschcourant begint met een vraagteeken en eindigt met een vraagteeken, en puntjes staan er voor wat nog ongeschreven bleef. Het eenige, wat mij er bij Unk-Wunk op scheen te wijzen dat hij zich moeite gegeven, overleg gepleegd had, was toen hij twee jongen de eenvoudige kunst van zwemmen leerde—waarvan stekelvarkens, tusschen twee haakjes, zelden gebruik maken en die ze niet erg noodig schijnen te hebben.

Ik dreef in mijn kano langs den oever, toen mijn aandacht getrokken werd door een moeder-stekelvarken met twee jongen op een boomtronk, die gedeeltelijk in ’t meer lag. Een stekelig spannetje! Zij had ze daar gebracht om ze eens van de lelieknoppen te laten proeven, zoodat haar de taak van ’t spenen wat lichter viel. Toen ze alle knoppen en stengels die ze maar bereiken konden bij elkaar hadden gegaard en opgegeten, duwde ze de beide kleintjes doodkalm het water in. Als ze terug poogden te krabbelen, stootte ze hen weer van den kant af en daarna liet ze zichzelf ook in ’t water zakken, om ze een eind stroomaf naar een anderen boomstam te brengen, waar nog meer leliebladen dreven.

Al die holle pennen maakten dat ze als op kurken hoog op het water dreven, en ’t zwemmen kostte hun lang zoo’n moeite niet als andere jonge dieren, die ik verder wel eens in ’t water gezien heb. Het blijft echter de vraag nog of dit nu eigenlijk een zwemles was, of een ruwe vingerwijzing hoe ze zichzelf maar moesten redden en hun eigen eten vinden. Dit was het eenige blijk van een beetje voorzorg en aardig overleg, dat ik ooit bij een stekelvarken heb aangetroffen. Een uitzondering echter maakte die eenzame, oude slimmerd, die er een merkwaardige manier op nahield om zichzelf te vermaken en alle andere boschbewoners een schrik op ’t lijf te jagen.

HOE EEN LUILAK ZICH VERMAAKTE.

Eens op een laten middag klom ik langs de helling met de beukeboomen, om te zien welk boschvolkje ik er al zoo betrappen kon, bezig zich aan dien overvloed van beukenootjes te goed te doen, toen ik plotseling stilstond, getroffen door een vreemd geluid, een snorrend bladergeritsel. Pr-r-r-r-usj, pr-r-r-r-usj!—een eigenaardige mengeling van ’t geritsel dat eekhoornpootjes maken en ’t zachte, knetterende gesnor van adelaarsvleugels—dat nader en nader kwam en elk oogenblik duidelijker werd. Stilletjes glipte ik achter den eersten den besten boom, om uit te kijken en te luisteren.

Er kwam iets den heuvel af, maar wat? ’t Was geen voortsnellend dier, want geen beest dat ik kende zou dunkt me ooit zoo’n rumoer maken, om Jan en alleman te verkondigen waar hij was, of ’t zou plotseling gek moeten zijn geworden. Het waren geen spelende eekhoorntjes, of hazelhoenders die in de pasgevallen bladeren krabbelden, want de manier waarop deze zich afwisselend stilhouden en weer verder ritselen maakt geen vergissen mogelijk. Het was geen beer, die de rijpe beukenootjes naar beneden schudde—daarvoor was ’t niet zwaar genoeg; en ’t was toch ook weer te zwaar voor den tred van eenig roofdier in ’t bosch, als hij sluipend aan ’t jagen is. Pr-r-r-usj! z-z-z-z-t! boms! Er kwam iets zwaars tegen een stam in ’t kreupelhout en deed een regen van bladeren naar beneden ritselen; toen rolde er van onder de lage takken iets te voorschijn dat ik nog nooit te voren gezien had: een zware, grijsachtige bal, zoo groot als een halve schepelsmand en zoo van onder tot boven met bladeren bedekt, dat niemand zou kunnen raden wat er binnenin zat. Het was alsof iemand een grooten ketel met lijm had bestreken en hem den heuvel af had laten rollen, zoodat er onderweg dorre bladeren aan waren blijven plakken. Zoo duikelde dat wonderlijke ding daar snorrend en knetterend langs mijn voeten en werd al grooter en haveloozer, naarmate het meer blaren verzamelde, totdat het den voet van een steile helling bereikte en stil bleef liggen. Ik sloop het voorzichtig achterna. Plotseling bewoog het, daarna ontrolde het zich, en de havelooze massa ontpopte zich als een groot stekelvarken. Het schudde zich, rekte zich eens uit, waggelde een oogenblik rond, alsof dat lange gerol hem duizelig gemaakt had en ging toen doelloos rondscharrelen onder langs de helling, met zijn pennen vol dorre bladeren, zoodat hij er groot en zonderling genoeg uitzag, om iedereen verschrikt te maken die hem in ’t bosch mocht ontmoeten.

Dat was een nieuw kunstje, weer een raadsel omtrent een der domste boschbewoners. Wanneer ge een stekelvarken ontmoet en hem plaagt, zal hij zich gewoonlijk als een reusachtig speldenkussen met alle punten naar buiten gericht oprollen, zijn snuit met zijn stekeligen staart bedekken en stil blijven liggen, want hij weet best dat ge hem nergens kunt aanraken zonder er bekaaid af te komen. Was hij nu wellicht lastig gevallen door ’t een of andere dier en had hij zich in elkaar gerold op een plaats, waar ’t zoo steil was dat hij zijn evenwicht had verloren en zonderdat hij het wilde de helling af was geduikeld? Of was hij met zijn buikje vol zoete beukels vadsig naar beneden komen rollen, om zich de moeite van ’t gaan te besparen? Of is Unk-Wunk snuggerder dan hij er uitziet en heeft hij ontdekt hoe heerlijk het is zich van een helling te laten rollen, en hoe ’n grappig, duizelig gevoel dat naderhand geeft?

Boven op den heuvel was niets—geen geritsel, geen spoor van een jagend dier om een antwoord op die vraag te geven. Ik volgde Unk-Wunk dus maar op zijn doelloozen zwerftocht onder langs de helling. Daar werd mijn aandacht getrokken door een lichte beweging een eind voor me uit, en ik zag een haas door de donkere varens glijden en huppelen. Hij kwam langzaam onzen kant uit, nu eens springend, dan weer poozend; bij elken struik dien hij tegenkwam begon zijn neus te werken, tot hij ons hoorde aankomen en hij een mannetje maakte om te luisteren. Hij sprong een el in de lucht, toen Unk-Wunk in ’t zicht kwam, van onder tot boven met dorre bladeren bedekt, die zijn hakige pennen opgeprikt hadden terwijl hij den heuvel afrolde, en ging daarna stilletjes op een plaatsje liggen, waar hij dacht dat de varens hem wel verbergen zouden.

De vertooning kwam nader. Heel nieuwsgierig stak Moktaques voorzichtig zijn kop uit de varens en ging weer overeind zitten, met zijn voorpooten over elkaar geslagen, en oogen die glommen van angst en nieuwsgierigheid om dat vreemde beest, dat daar heenritselde en de blaren meenam. Van verbazing stond hij een poosje stokstijf als de boomstronk naast hem, maar toen duikelde hij met groote, verschrikte sprongen het kreupelhout in en ik hoorde hem als een dolleman in een halven cirkel om ons heen rennen.

Unk-Wunk schonk geen aandacht aan deze stoornis, maar laveerde zijn dommen neus achterna. Evenmin als de andere stekelvarkens die ik nagegaan ben scheen hij iets te doen te hebben, geen taak die hem riep in de wijde wereld. Hij liep lui rond te boemelen, te verzadigd om van de beukenootjes te eten, die hij kieschkeurig uit de bladeren snuffelde. Hier en daar proefde hij eens van een stukje schors, maar alleen om het weer uit te spuwen. Eens begon hij tegen den heuvel op te klimmen, maar deze was te steil voor een luilak met zijn buikje vol. Hij probeerde het nog eens, maar ’t was niet glooiend genoeg om er naderhand weer af te rollen. Daar keerde hij zich plotseling om en kwam terug, om eens te kijken wie hem toch zoo overal achternaliep.

Ik hield me doodstil en hij liep mij twee of drie keer rakelings langs de beenen, terwijl hij me slaperig opnam. Daarna begon hij snuffelend een beukenootje onder mijn voet uit te werken, alsof ik hem net zoo min belang inboezemde als Alexander aan Diogenes.

Ik had nooit vriendschap gesloten met een stekelvarken, want ’t is een te prikkelig heer om vertrouwelijk mee te zijn, maar nu begon ik hem zachtjes met een stokje te onderzoeken, me afvragend of ik onder dat dikke harnas van stekels en punten niet een plekje zou kunnen vinden, waar hij graag gekrabbeld zou willen worden. Bij de eerste aanraking rolde hij zich op, zoodat al zijn stekels aan weerszijden uitstaken als van een reusachtigen kastanjebolster. Ik kon hem nergens aanraken, of een dozijn pennen dreigden mij te doorboren. Toen ik echter zachtjes met mijn stok aan hem kwam en de plekken onder zijn harnas uitzocht waar ’t hem jeukte, begon hij zich langzamerhand te ontrollen en stak hij zijn neus weer onder mijn schoen. Het was hem niet te doen om dat beukenootje, maar om het er onder uit te snuffelen. Want Unk-Wunk is net als een varken: hij heeft weinig anders te doen dan eten; maar als hij ergens op uittrekt, het een of ander gaat ondernemen, volbrengt hij het ook. Toen bukte ik om hem met mijn hand aan te raken.

Dat had ik niet moeten doen, want hij voelde ’t verschil in aanraking onmiddellijk, rook ook het zilte van mijn hand, en als Unk-Wunk daar een proefje van kan krijgen, zet hij alle luiheid op zij en zou hij er wel een mijl voor loopen als ’t moest. Eerst trachtte hij mijn hand met zijn klauwen te grijpen, daarna met zijn bek, maar ik was veel te bang voor zijn groote snijtanden om hem zijn gang te laten gaan. In plaats daarvan aaide ik hem achter zijn ooren en zocht voorzichtig hoe ik gaan moest door het dikke stekelbosch, en probeerde behoedzaam hoe makkelijk de pennen uit te trekken waren.

Ze stonden heel los ingeplant en elke schacht was van een pijl voorzien zoo scherp als een naald. Al wat er hard tegen aangedrukt werd zou stellig doorboord worden; de pennen zouden zich losrukken uit de huid en snel doordringen in de ongelukkige hand of poot of neus, die ze aanraakten. Elke pen was als het zwaard van de bewoners der Zuidzee-eilanden, dat halverwege met haaietanden is bedekt. Eens in het vleesch zou ze haar eigen weg wel vinden, tenzij ze met vaste hand, pijn en vreeselijke verwonding ten spijt, er uit werd getrokken. Geen wonder dat Unk-Wunk geen angst of vrees kent, wanneer hij zich tot een bal samenrolt en aan alle kanten door zulke verschrikkelijke wapens beschermd wordt. Ik ging heel behoedzaam te werk, terwijl ’k met mijn hand langs zijn flank naar beneden streek en binnen ’t bereik kwam van zijn snelle, eenige wapen. Daar groeiden duizenden stekels, zoo gekarteld als een zaag, in alle richtingen over en door elkaar en toch allemaal met de punten naar buiten. Unk-Wunk was waarschijnlijk prikkelbaar, omdat hij ’t zout niet kon krijgen dat hij hebben wou, en toen mijn hand binnen ’t bereik van zijn staart kwam, klapte hij dien bliksemsnel op. Ik was op den slag bedacht en toch lang niet vlug genoeg. Toen ik het dreigende ruischen, net ’t geluid van een toeklappende stalen val, hoorde, trok ik snel als de wind mijn hand terug, maar twee van zijn staartpennen waren er in blijven steken, en nog een stuk of twaalf in de mouw van mijn jas. Ik sprong op zij toen hij zich omkeerde en ontsnapte zoo aan een snellen zwaai, tweemaal achter elkaar, van zijn staart naar mijn beenen. Toen rolde hij zich weer als een kastanjebolster ineen, en zijn heele wezen scheen spottend te tarten: „Raak me eens aan als je durft!”

Met een paar flinke rukken trok ik de twee pennen uit mijn hand, schoof al de andere door de mouw van mijn jas en wendde me weer naar Unk-Wunk, terwijl ik op mijn gewonde hand zoog die me hevige pijn deed. „Alles je eigen schuld,” hield ik me zelf maar steeds voor, want ik moest me geweld aandoen om hem niet met mijn stok op zijn neus te slaan, zijn eenige kwetsbare plaats.

Unk-Wunk van zijn kant scheen het heele voorval vergeten. Hij ontrolde zich langzaam, en ging onder langs de heuvelrij scharrelen met uitgespreide, ruischende pennen, alsof er in ’t heele bosch niets bestond dat op een vijand of onderzoekend mensch geleek.

Hij had al weer een plannetje in zijn kop en zocht naar iets. Terwijl ik vlak achter hem aankwam, zag ik hoe hij op zijn achterpooten ging staan, tegen een boompje op, het een poosje ernstig beschouwde, om daarna onvoldaan weer verder te wandelen. Er was een bries van den berg komen waaien, die alle boomtoppen boven hem heen en weer wuifde. Ik zag hem nauwlettend naar de schommelende takken kijken, om daarna haastig naar ’t eerste ’t beste boompje te loopen, het onderzoekend op te nemen met zijn voorpooten tegen den stam aan, terwijl zijn slaperige oogen de beweging boven zich gadesloegen. Eindelijk vond hij wat hij wilde: twee hooge, jonge boomen, die dicht bij elkaar groeiden, en tegen elkaar aanwreven als de wind ze heen en weer zwaaide. Hij begon log in den eenen te klimmen, al hooger en hooger, tot de slanke top zich onder zijn gewicht naar den anderen boom overboog. Toen rekte hij zich uit om dien tweeden top met zijn voorpooten te grijpen, haakte de klauwen van zijn achterpooten stevig in den eersten en vormde zoo liggend een brug tusschen de boomtoppen, terwijl de wind opstak en hem in zijn wonderlijke wieg begon te schommelen.

Al wijder en wilder werden zijn zwaaien; nu eens, als de wind de boomtoppen uiteendreef, lag hij dun uitgestrekt als een elastiek, met zijn harde, gladde pennen langs zijn flanken; dan, als ze weer naar elkaar toe kwamen, werd hij ineengedrukt en samengeperst tot een platten ring, waar stekels rechtop uitstaken, als een platgetrapte kastanjebolster. En daar bleef hij wel langer dan een uur zwaaien, tot het te donker werd om hem te zien, uitgerekt en samengetrokken, alsof hij een harmonica was waar de wind op speelde. Het eenige geluid dat hij ondertusschen maakte was af en toe een zacht geknor van tevredenheid, als hij eens buitengewoon lekker was uitgerekt, of als de beweging zich wijzigde en beide boomen samen wild en vroolijk wijduit zwaaiden. Af en toe werd dit geluid beantwoord door een ander stekelvarken, dat heuvelafwaarts ook in zijn verheven wieg ging slapen. Er was storm op til en Unk-Wunk, die een van de beste weerglazen uit het bosch is, riep het uit dat iedereen ’t hooren kon.

Mijn vraag was dus onverwachts beantwoord. Unk-Wunk was er dien middag voor zijn plezier op uitgetrokken en had van den heuvel afgerold, om te genieten van de snelle beweging en het duizelige gevoel naderhand, net als andere boschbewoners. Ik heb wel jonge vossen, die hun hol aan een steile helling hadden, achter elkaar naar beneden zien rollen. Soms wisselden ze ’t programma eens af en keukelde een jong zoo snel als hij kon naar beneden, terwijl er een ander naast hem voorthuppelde, om naar hem te happen en ’t hem lastig te maken, als het hem bij dat holderdebolder naar beneden duikelen duizelde.

Dat is nu alles goed en wel voor vossen, want zulke plannetjes zijn te verwachten van die verstandige kopjes, maar wie heeft Unk-Wunk van den heuvel leeren afrollen en allemaal droge bladeren aan zijn pennen prikken om de boschbewoners bang te maken? En wanneer leerde hij de boomtoppen als schommel gebruiken en den wind als drijfkracht?

Daar ’t meeste wat de boschbewoners kennen een zaak van onderwijs en niet van instinct is, heeft zijn moeder hem misschien wel een heeleboel dingen geleerd, zonder dat wij er ooit getuigen van geweest zijn. Als dit zoo is, bergt Unk-Wunk meer in zijn slaperigen, dommen kop dan wij van hem gedacht zouden hebben. En den eerste die de school der stekelvarkens ontdekt en er binnen treedt staat een belangwekkend onderricht te wachten.

UMQUENAWIS, DE MACHTIGE.

Umquenawis, de Machtige, is heer en meester in de bosschen. Onder de boschbewoners is niemand ook maar half zoo machtig als hij, niet een die zoo’n scherpen zin heeft om gevaren te ontdekken, of zoo’n vreeselijke kracht bezit om zich daartegen te verdedigen. Hij vreest dus niets, wanneer hij als een heerscher door de uitgestrekte wouden gaat. En wanneer ge hem voor ’t eerst in de wildernis ziet—hoe hij zich statig en zwijgend een weg baant tusschen de woudreuzen, of zich als een zware locomotief in ’t kreupelhout stort en omgewaaide boomen over snelt, met zijn neus in de lucht om den wind te onderzoeken, het breede gewei diep achterover op zijn machtige schouders, terwijl de doode boom die hem niet door wil laten krakend neerstort onder zijn stormende vaart en de elzen een snellen, kletterenden roffel op de bladen van zijn gewei slaan,—wanneer ge hem zoo ziet, rijst er een gevoel in u op als van een salueerend soldaat en ge zegt: „Zijn Hoogheid de Eland!” En al hebt ge uw geweer in de hand, nooit zult ge den doodenden loop opheffen.

De machtige kop met zijn zware gewei is voor elk huis te groot. Als hij daar zoo dwaas in een kamer vol snuisterijen aan den muur hangt, zooals ge ’t gewoonlijk ziet, met zijn verschrompelde ooren, eens levende trompetten, met zijn uitpuilende oogen, eens zoo klein en scherp, en zijn reusachtigen snuit die alle verhoudingen verstoort, is hij misplaatst: een afzichtelijke wanschapenheid. Het heeft nauwelijks meer beteekenis dan een skalp op den paal voor een Indiaansche wigwam. Slechts in de wildernis met die onweerstaanbare drijfkracht van dat lichaam, die twaalfhonderd pond vol ingehouden sterkte er achter, het krakende kreupelhout onder zich en de hemelhoogwelvende bogen der sparren boven zijn kop, is hij, door dat vorstelijk overwicht, in staat een siddering door uw lichaam te jagen, hij Umquenawis, de Machtige, in zijn Wildernis. Daar alleen hoort hij thuis, en slechts wanneer ge dien kop daar ziet, hoe hij in rustige majesteit op een eenzaam punt staat uit te kijken over het zwijgende meer, of in geweldige vaart door het opgeschrikte woud stormt, zal uw hart opspringen en uw zenuwen trillen, een siddering die het trage bloed sneller doet vloeien, tot ’t zelfs prikkelt in de toppen uwer vingers, en maakt dat ge kalm naar uw kamp terugkeert met rust in uw ziel. Het is u goed Umquenawis te laten waar hij is, liever dan hem voor uw bewonderende vrienden op een vrachtwagen naar huis te rijden. Al is Umquenawis heer en meester der wildernis, toch zijn er twee dingen—twee slechts en niet meer—waar hij soms bang voor is: de geur van den mensch en de ergerlijke knal van een geweer. Want er is op zijn Hoogheid den Eland gejaagd en hij heeft de vrees leeren kennen, die hem vroeger vreemd was. Maar wanneer ge diep de wildernis intrekt, waar nog nooit een jager is doorgedrongen en waar ’t geloei van een berkebast-roeper de avondstilte nog nooit verbroken heeft, kunt ge hem nog aantreffen zooals hij was voordat hij de vrees leerde kennen; daar zal hij op uw roep de berghelling nog afkomen, alles neertredend onder zijn voet en nooit in een kring gaan loopen om zijn vijand in den neus te krijgen; en wanneer hij uit zijn humeur is, zal hij u daar dan den eersten den besten boom injagen, dat ge om ’t lijf te bergen klimt als een eekhoorn die door een vos wordt nagezeten. Ik zag hem eens in zoo’n stemming op een kleinen, pezigen gids aanvallen, die een spar inklom met zijn sneeuwschoenen aan, niettegenstaande het breede netwerk waarin zijn voeten verward raakten; en geen beer zou den man dat grapje vlugger hebben nagedaan.

Wij boomden eens laat op een middag stroomop naar ’t groote meer in den bovenloop van een rivier in de wildernis. Behalve ’t gedonder van watervallen in de verte achter ons en ’t frutselen van den stroom vlakbij, waren het rhythmische plonzen der vaarboomen en ’t geklots tegen mijn kleine kano, terwijl ze ’t rimpelende water doorsneed, de eenige geluiden die de stilte in het woud verbraken. Wij zwegen. Dat doen de menschen aan wie de wouden hun diepste geheimenis hebben geopenbaard en die bij elke volgende bocht der rivier een huivering kan overvallen, als het onverwachte plotseling komt.

Opeens voeren we met den boeg van onze kano, bij ’t omschieten van een kleinen kaap, pardoes op een groote wijfjeseland aan, die bezig was de rivier over te steken. Bij Simmo’s uitroep van verrassing hield ze plotseling op en keerde zich bliksemsnel naar ons toe. En daar stond ze, één groot vraagteeken van den neus tot aan den staart, terwijl de kano zijdelings aanhield op de luwte van een zware rots en daar trillend aan de vaarboomen bleef hangen, die stevig in den bodem staken.

We waren al laat voor ’t kampeeren en ’t meer was nog een heel eind stroomop. Na een paar minuten van zwijgend wachten gaf ik eindelijk het sein en de kano schoot naar boven. Maar in plaats dat de kolossale eland er in het bosch van doorging, zooals het een fatsoenlijken eland betaamd had, kwam ze recht op ons aanplonzen. Simmo, die in den boeg zat, zwaaide met veel drukte zijn boom en we hieven een vereend geschreeuw aan, maar de eland naderde kalm en zeker, met het vaste voornemen om te onderzoeken wat voor een wonderlijk ding daarnet de rivier was opgekomen en de plechtige stilte had verbroken.

„’t Best maar stilhouden; zoo’n groote eland misschien kwaad doen,” mompelde Noel achter me, en we gleden weer stilletjes in de luwte van de beschermende rots terug, om nog een poosje te wachten en ’t groote beest zijn gang te laten gaan.

Wel tien minuten probeerden we op alle mogelijke manieren, door bedreigingen, door overreding, de eland uit den weg te krijgen, om haar per slot van rekening een kogel onder ’t lijf door te jagen dat ’t zoo kletste, maar een boos gestamp met haar hoeven was ’t eenige antwoord: geen de minste neiging te bespeuren dat zij den stroom aan ons wilde laten. Toen schoot me opeens een krijgslist te binnen, die ik eens heel vroeger bij toeval had leeren kennen. Ik liet mij op den naasten oever zakken, sloop door ’t kreupelhout verborgen tot achter de eland en begon takjes af te breken, eerst zachtjes, daarna hoe langer hoe harder, alsof er iets onbevreesd door het bosch naderde. De eland keerde zich op het eerste verdachte gekraak vliegensvlug om, aarzelde, stak plotseling met zenuwachtige haast de rivier over, terwijl haar neusvleugels trilden en haar groote ooren heen en weer bewogen, om er achter te komen wat dat kraken toch te beteekenen had. Ze haastte zich hoe langer hoe meer, want het scherpe geluid hinderde haar gevoelige zenuwen. Het volgende oogenblik was de rivier vrij en doorkliefde onze kano het ondiepe, fronselende water, nieuwsgierig bespied door de eland, die half verscholen in de elzen stond.

Dat is bij gelegenheid een mooie krijgslist, want alle dieren worden bang voor krakende takken. Maar probeer het nooit ’s nachts, in den bronsttijd, met een mannetjeseland, zooals ik eens deed zonderdat ik er erg in had. Dan is hij geneigd u voor zijn vurig begeerde wijfje te houden, komt als een wervelwind op u losstormen, jaagt u den kouden schrik op het lijf en is pas tevreden wanneer hij u als een aap den eersten den besten boom in heeft gedreven.