Kijkjes in het dierenleven

Part 5

Chapter 54,048 wordsPublic domain

Nu was Quoskh meester van het terrein. Toen haar vijand wegstrompelde, was het of er een hevige, een ziedende woede in haar oplaaide, die het eerst zoo koele, berekenende van de verdediging verteerde. Ze schoot achter den zwarten marter aan, eerst loopend, daarna met zware vleugelslagen, tot ze hem voor was; toen dreef ze hem met nijdige slagen van wiek en snavel weer terug naar het water. Hij kon niets zien en werd slechts geleid door vrees en door zijn instinct. Nog een minuut of vijf joeg ze hem door het platgetreden gras heen en weer en dreef hem van ’t water naar ’t kreupelhout en van ’t kreupelhout naar het water, terwijl ze bij elken draai naar hem stak, totdat bladgeritsel hem lokte en hij zich blindelings in de dichte boschjes stortte, waar haar breede wieken niet konden volgen. Toen zag ze mij met haar wonderbaarlijke scherpzinnigheid daar in mijn kano staan, en schijnbaar zonder een oogenblik aan den jongen reiger te denken die daar zoo stil in ’t gras naast haar lag, breidde ze haar gehavende vlerken uit en vloog zwaar klapwiekend de jongen achterna die meer geluk hadden gehad.

Ik volgde het spoor van den marter door het bosch en vond hem ineengerold in een holle boomstomp. Hij bood maar weinig tegenstand, toen ik hem te voorschijn haalde. Al zijn kwaadaardigheid was in slaap gesust in die vage, droomerige verdooving, die de natuur altijd aan haar getroffen schepselen zendt. Hij leed niets, ofschoon hij vreeselijk gewond was; hij verlangde slechts alleen gelaten te worden. Zijn beide oogen waren er uit. Ik kon niet anders doen dan barmhartig voltooien wat Quoskh ongedaan had gelaten.

Toen het September werd en de zorgen voor ’t gezin geleden waren, raakte de kolonie aan den overkant van ’t bevermeer wijd en zijd verstrooid; alle reigers keerden terug tot het schuwe, wilde, eenzame leven dat Quoskh het liefst leidt. Bijna overal, in de afgelegenste plaatsen, ontmoette ik een eenzamen reiger, die op de kikvorschenjacht was of vischjes ving, of hoopvol als een schelpenvisscher over de zachte modder wandelde, om met zijn lange teenen te zoeken waar de mossels verscholen zaten, of hij stond daar zoo van den slaperigen zonneschijn te genieten, tot het laat op den middag werd; dan is hij het liefst heelemaál buiten.

Ze sliepen niet meer op het groote nest, waar ze als schildwachten stonden afgeteekend tegen ’t avondrood en den glans van de ondergaande maan; maar elk zocht een geschikt plekje op het strand en sliep zoo goed en kwaad als ’t ging op éen poot, en wachtte tot hij in de vroegte kon gaan visschen. Ik verbaasde er mij over hoe zorgvuldig zelfs de jonge vogels een veilige schuilplaats uitpikten. Overdag stonden ze als beelden in de schaduw van een oeverrand, of te midden van ’t hooge gras, waar ze door hun zachte kleuren bijna onzichtbaar waren, urenlang te wachten tot er visch of kikkers bij hen kwamen. ’s Nachts zocht elk zich een plaatsje op den onbegroeiden oever uit, gewoonlijk een eind van een landtong af, waar hij om zich heen kon kijken, waar geen gras een vijand aan ’t oog kon onttrekken, en het kreupelhout zoo ver weg was dat hij het minste bladergeritsel kon hooren, eer het dier dat het veroorzaakte dicht genoeg bij was om den sprong te wagen. En daar stond hij den heelen nacht veilig te slapen, behalve als mijn kano of iets anders dat nader sloop hem stoorde. Reigers kunnen ’s nachts bijna even goed zien als overdag. Daarom kon ik er nooit, hoe stilletjes ik ook pagaaide, dicht genoeg bij komen om ze te verrassen. Het eenige wat ik hoorde was een verschrikt vleugelgeklepper en daarna een vragenden kreet als ze over mij heenzeilden, voordat ze wegwiekten naar kusten waar ze niet gestoord werden.

Als ik in ’t donker vischte, met een helderschijnend licht voor me in de kano, om eens te probeeren welk nachtelijk volkje ik aan den oever zou kunnen verrassen, was Quoskh de eenige op wien mijn lantaarn geen bekoring uitoefende. Herten en elanden, vossen en wilde eenden, kikkers en visschen—het leek wel of ze zonder uitzondering als met tooverkracht werden aangetrokken door dat groote wonder van een licht, dat rustig in de diepe duisternis scheen. Allemaal zag ik ze, elk uur van den nacht, en ik gleed zoo naar ze toe, eer hun schuwheid ze van dat vreemde lichtwonder terugdreef. Maar Quoskh hoefde je op zoo’n manier niet te bespieden, en met zulke kunstjes was hij ook niet te vangen. Meestal zag ik een vagen omtrek aan het uiterste eind van mijn lichtbundel, ving de heldere flonkering op, eerst van ’t eene, dan van ’t andere oog, wanneer hij zijn kop als een weerhaan zwaaide, en daarna glipte het vage beeld de diepste duisternis in. Een oogenblik later hoorde ik dan boven me, achter me, waar het licht zijn oogen niet verblindde, zijn nachtelijken kreet—waarin meer boosheid dan vraag doorklonk—en als ik mijn lantaarn naar boven richtte, ving ik nog net een glimp op van zijn breede wieken, zeilend over ’t meer. Hij zou ook nooit terugkomen, om nog eens te kijken of ik het wezenlijk wel was, en dat doet een vos aan den oever wel.

Toen de glanzende maannachten kwamen, woelde er een wilde onrust in Quoskh’s binnenste. Overdag riep hem het leven in de eenzaamheid dat hem ’t liefst is, maar ’s nachts trok het oude kudde-instinct hem weer naar zijn kameraden. Terwijl ik eens op het bevermeer dreef in het teedere maanlichtgetoover, hoorde ik een stuk of vijf, zes van die groote vogels opgewonden in de oude kolonie krassen, die ze weken geleden hadden verlaten. Het meer, maar vooral de eenzame kom waar het hertenpad eindigde, was liefelijker dan ooit; in ’t Zuiden was echter iets dat hem wegriep. Ik denk dat Quoskh ook maanziek was, net als zooveel dieren in ’t wild; want in plaats van rustig aan den oever te gaan slapen bracht hij zijn tijd door met doelloos boven het meer en de bosschen rond te kringen, terwijl hij luidkeels zijn naam riep of wild tot zijn makkers kreet.

Tegen middernacht van den dag, voordat ik mijn kampplaats opbrak, pagaaide ik voor het laatst in het maanlicht op het meer. ’t Was een ideale nacht—helder, koel, bladstil. Geen rimpeltje brak het glanzende oppervlak van ’t water, een zilveren baan strekte zich ver, ver uit voor den boeg van mijn voortglijdende kano, en leidde me daarheen waar het groote bosch zwijgend, vol verwachting stond te waken, al die geheimzinnig schemerende bogen overstroomd van wonderbaar licht. De wildernis slaapt nooit. Als ze zwijgt, is het om te luisteren. Dien nacht waren de bosschen in spanning, als een vos die op de loer ligt, om te zien welk ongekend wezen er uit het meer zou komen, of welk vreemd geheim ging geboren worden onder hun eigen zachte schaduwen.

Quoskh was ook op ’t pad, door ’t maanlicht betooverd. Ik hoorde hem roepen en pagaaide er heen. Hij herkende me, lang voordat hij mij nog niet meer was dan een stem in den nacht, en kwam naar me toe zwenken. ’t Was de eerste keer dat ik hem na ’t invallen van de duisternis zag—een vage, grijze schaduw slechts, met zachte zilverglansen aan de omtrekken, die een kring beschreef boven mijn kano en er inkeek. Toen verdween hij; en van ver, ver over den zoom van het wachtende bosch, waar ’t zoo diep geheimzinnig was, kwam een kreet, een uitdaging, een raadsel, de wilde vraag van den nacht, waar geen mensch tot nog toe ooit antwoord op heeft gegeven—Quoskh? quoskh?

UNK-WUNK, HET STEKELVARKEN.

Een geritsel in de varens vlak bij mijn tentje wekte mij uit een lichte sluimering. Daar had je ’t weer. ’t Gerucht van een zwaar dier, dat zich dicht bij me stilletjes door de ruigte trachtte te werken, terwijl uit de richting van het oude houthakkerskamp midden in het open land een zacht, knagend geluid opsteeg in den stillen nacht. In een oogwenk zat ik overeind om te luisteren, maar ’t was weer stil geworden bij die plotselinge beweging. De nachtelijke zwervers hadden mij gehoord en waren op hun hoede.

Gij hoeft niet bang te zijn voor de dieren die ’s nachts op bezoek komen. Zij zijn veel schuwer dan gijzelf en kunnen u beter zien, zoodat ze uw slechte gezicht, als ge in den blinde op hen toeschiet, voor moed houden en zich ijlings uit de voeten maken. Toen ik naar buiten trad, snelde er wat weg in ’t struikgewas achter mijn tent, en bij ’t schijnsel van de maansikkel zag ik nog net even een berin met haar jong heenspringen, om in ’t bosch weg te schuilen.

Nog altijd hoorde ik het geknaag achter de oude schuur aan de rivier. „Nog een jong!” dacht ik—want ik was nog nooit eerder in de groote bosschen geweest—en sloop er heen om eens om den hoek te kijken van de oude nederzetting, waar ik op het erf kampeerde, dien eersten nacht buiten in de wildernis.

Net om den hoek lag een oud stroopvat met een opening die gitzwart leek in ’t maanlicht, en uit de schaduw klonken de schrapende, knagende geluiden maar gestadig voort. „Hij zit er in, en is bezig aan de suikerkorst te knabbelen,” was mijn opwindende gedachte; „als ’k hem nu eens kon krijgen...”

Stilletjes liep ik om de loods heen, om den dichten kant van het vat tusschen mij en mijn buit te krijgen, sloop ademloos naderbij en hief met een snellen zet het oude vat overeind—het beest zat er in. Een bons, een verschrikt gekrabbel en gefrutsel, het vat dat ik neer trachtte te houden begon hevig te schudden, en toen was alles in de val weer rustig. „Ik heb hem!” dacht ik, de heele berenmoeder vergetend, en riep Simmo toe dat hij de bijl mee zou brengen.

We sloegen een paalheg stevig om het vat heen, belastten het met zware blokken en gingen weer naar binnen om te slapen.

Toen wij den volgenden morgen de zaak eens kalmer bekeken, kwamen wij tot de slotsom, dat een berenjong toch te lastig is om als speelkameraad in een tent te hebben; ik ging er dus met een geweer bij staan, terwijl Simmo er de blokken aftilde, de palen doorhakte en mij ondertusschen in ’t oog hield, om te zien in hoeverre hij zijn leven aan mijn zelfbeheersching kon toevertrouwen. Daar viel een paal om, het vat kantelde ondersteboven, door een duw van binnen; Simmo ging met een schreeuw op den loop, en daar waggelde een groot stekelvarken te voorschijn—zoo’n groot als ik nog nooit gezien had, dat er tuimelend van doorging, regelrecht op mijn tent toe. De Indiaan achter hem aan! Met lange armzwaaien poogde hij het stomme dier met zijn bijl te raken en mopperend gaf hij aan zijn verachting lucht voor dat berenjong van mij.

Halverwege de tent struikelde Unk-Wunk over een stukje zwoord en stond stil om het kieschkeurig te besnuffelen. Ik greep Simmo bij zijn arm en voorkwam den slag, die anders een eind zou hebben gemaakt aan het leven van mijn slachtoffer. Toen ging Unk-Wunk tusschen ons in op zijn hurken zitten, nam ’t zwoord in zijn voorpooten en zoog er het zout uit, alsof er op de heele wereld geen zorg of geen vijand bestond. Een halfuur later kwam hij in mijn tent neuzen, waar ik een van mijn lievelingsvliegen, die ik voor zalmvisschen gebruikte en die een hongerige forel aan flarden had getrokken, zat te verstellen—en verdreef me zonder plichtplegingen uit mijn eigen gebied, op zoek naar meer zout.

Zoo’n wijsgeer, die door geen gevangenis uit zijn gemoedsrust is te brengen en wien geen gevaar van zijn bescheiden genoegens kan berooven, verdient meer aandacht dan de zoölogen hem ooit geschonken hebben. Ik nam oogenblikkelijk het besluit hem nauwkeuriger te bestudeeren. Maar, alsof hij elke poging in die richting wilde afschrikken en zichzelf tot mikpunt van mijn geweer maken, vernielde hij den volgenden nacht mijn kano bijna, door een gat dwars door het omhulsel en de ribben heen te knagen, omdat ’t er ergens naar zout scheen te ruiken, wat alleen zoo’n begeerige neus als de zijne kon hebben ontdekt.

Eens dat hij op ’t pad was ontmoette ik hem een eind van ’t kamp af, en omdat ik niets beters te doen had, trachtte ik hem naar mijn tent te drijven. ’t Was mijn bedoeling geweest gastvrij met hem te deelen, hem een stuk spek te geven en hem gade te slaan, terwijl ik zelf aan ’t eten was. Nauwelijks had hij in de gaten dat hij voortgedreven werd, of hij keerde zich om, kwam recht op mijn beenen aan en voordat ik hem ontsnappen kon, had hij me een venijnigen klap met zijn staart gegeven en een paar van zijn pennen in me achtergelaten. Toen dreef ik hem de tegenovergestelde richting uit, waarop hij zich omkeerde en langs me heenschoot; en toen ik in ’t kamp aankwam, was hij druk bezig den steel van Simmo’s bijl te beknabbelen.

Hoe men hem ook neemt, Unk-Wunk is en blijft iets geheimzinnigs. Een onbeantwoorde vraag is zijn bestaan, een vraagstuk, dat hoe langer hoe raadselachtiger wordt naarmate gij het tracht op te lossen.

Hij is het eenige in ’t wild levende dier dat niet bang voor den mensch is en dat zijn nabijheid nooit leert schuwen: niet door zijn instinct en niet door zijn ondervinding. Overal in de wildernis houdt hij zich op, totdat hij ’t eens anders in zijn kop krijgt (overleggen zou hij het zelf misschien noemen) en dan is hij spoorloos verdwenen, kunt ge hem nergens vinden. Hij geniet van de eenzaamheid en geeft niets om zijn soortgenooten, maar toch zou ’t u wel eens een paar maal kunnen gebeuren dat ge plotseling voor een heele verzameling stekelvarkens kwaamt te staan, aan den voet van een rotsigen heuvel, waar ze loopen rond te boemelen, met hun pennen te klapperen, hun naam: Unk-Wunk, Unk-Wunk, te knorren en den heelen, lieven, langen dag niets anders uitvoeren.

Den eenen dag dat ge hem tegenkomt is hij zoo bang als een wezel, en den volgenden dringt hij maar brutaalweg uw tent binnen, en als hij u toevallig snapt, zonder dat er een dikke stok bij de hand is, jaagt hij er u uit. Een bepaald doel of een vaste bezigheid heeft hij nooit. Wanneer doet er niet toe, maar probeer hem eens tegen te houden; dan zal hij er zijn leven voor wagen om nog net even een duimbreed verder te komen. Tracht hem dan nog een eindje die richting uit te drijven, en hij zal terugspringen, zoo eigenwijs als een varken dat naar stal moet, zoo’n Jantje Contrarie, en zich liever laten dooden, dan den weg te nemen dien hij nog geen oogenblik geleden uitging. Hij zal geen schepsel kwaad doen, maar als de bloeddorstige vischmarter hem aanvalt, gaat hij stilliggen om hem dood te slaan, en zoo doet hij zelfs met den grooten Canadeeschen lynx, wien geen andere boschbewoner aan zou durven.

Maar boven al deze raadselachtige tegenstrijdigheden staat toch de vraag die het eerst bij ons opkomt: hoe de natuur er ooit toe kwam zoo’n wezen te scheppen, en wat ze toch met hem voorhad? Want hij schijnt eigenlijk voor niets te dienen, nergens te passen in het natuurlijk verband der dingen. In Maine [7] is onlangs een wet uitgevaardigd, waarbij het schieten van stekelvarkens verboden werd, heel eigenaardig op grond hiervan, dat een stekelvarken het eenige makkelijk te vangen dier in de natuur is en zonder gevaar kan worden afgemaakt, zoodat iemand die in het bosch verdwaald is niet behoeft te verhongeren. Wanneer men het zuiver uit een oogpunt van nuttigheid beschouwt, is dit tot nog toe het eenige wat er op zou kunnen wijzen dat Unk-Wunk geen vergissing is, integendeel, wel eens zijn nut zou kunnen hebben.

Om die wet te keuren en om vast mijn voorzorgen te nemen tegen mogelijke gebeurtenissen in de toekomst, heb ik Unk-Wunk ook eens op mijn spijslijst gezet: een verachtelijke, kwalijkriekende aanwinst, waar een liefhebber van sterke kaas waarschijnlijk verrukt over zou zijn. ’t Is stellig een uitstekende wet, maar ik kan me nu niemand meer voorstellen die er dankbaar voor wezen zou, of hij moest onvoorwaardelijk hebben te kiezen tusschen dood of stekelvarken.

De roofdieren die in de wouden rondsluipen zouden niets liever dan hem opeten, maar dit wordt hun streng belet. Ze kunnen hem zelfs niet aanraken of ze ondervinden er de gevolgen van. ’t Lijkt wel alsof de natuur, toen ze dit aartsdomme wezen in een vernuftige wereld schiep, zulke teedere voorzorgen met hem nam als ze voor een halfwijs of idioot kind zou hebben gedaan. Hij is het eenige dier dat het vreeselijke van hongersnood niet kent. Het heele bosch is zijn voorraadschuur. In den tijd van knoppen en jonge loten geniet hij daarvan, en wanneer de bittere kou gaat nijpen en een dikke sneeuwlaag alles bedekt en alle andere dieren mager en bloeddorstig van den honger worden, hoeft Unk-Wunk slechts in den eersten den besten boom te klimmen, met zijn sterke tanden het buitenste van den ruwen bast af te knagen en hij kan zich verzadigen aan den zachten binnenkant. Dan stapt hij zeer voldaan heen met een burgemeestersbuikje.

Voor hongerige dieren kent Unk-Wunk geen vrees. Ze laten hem gewoonlijk wel met rust, want ze weten dat het nog dommer zou zijn hem aan te raken dan in een zonnevisch of een „brompietje” [8] te happen. Wanneer ze in die moordende Maartsche dagen door den honger gedreven begeerig op hem afkomen, rolt hij zich doodgewoon op en blijft liggen. Hij wordt door een harnas beschermd, waar alleen een stalen handschoen zich veilig aan zou kunnen wagen en waar zelfs ’t scherpste oog geen voegje in zou kunnen ontdekken.

Een sluwe lynx of een wezel, door ondervinding wijs geworden, maar radeloos van den honger, laat zich wel eens naast Unk-Wunk plat op den grond vallen en werkt zijn neus voorzichtig onder het vreeselijke stekelomhulsel, om hals of onderkant van het lichaam, waar geen pennen zijn, te zoeken. Een greep van de sterke kaken, even den smaak van het bloed in den uitgehongerden bek—dan is ’t met allebei gedaan; want Unk-Wunk bezit een verdedigingsmiddel waar geen boschroover ooit op rekent, en dat is zijn breede, zware staart, met honderden weerhaken gewapend, wel kleiner dan die op zijn rug, maar ook veel sneller den dood veroorzakend, en hij zwaait dit wapen met dezelfde vlugheid als waarmee de boosaardige ratelslang op haar prooi toeschiet. Soms bedekt Unk-Wunk zijn snuit er mee als hij wordt aangevallen, maar meestal steekt hij zijn kop onder een boomwortel of in een hollen boomstronk en houdt zijn staart buiten klaar om toe te slaan. Nauwelijks raakt zijn vijand hem dan aan, of zoo vlug als de wind komt de staart vinnig neer, links, rechts, en drijft hem kop en flanken vol pennen. Er is geen ontkomen aan den dood, want zijn pijnlijk ineenkrimpen, zijn wrijven, elk zijner pogingen drijft ze dieper en dieper naar binnen, tot ze in hart of hersens terecht komen en hun taak volbrengen.

Mooween, de beer, is de eenige boschbewoner die het kunstje geleerd heeft om Unk-Wunk aan te vallen zonder dat hij zelf kwaad kan. Als hij heel hongerig is en hij vindt een stekelvarken, dan gaat hij het nooit dadelijk te lijf—daarvoor kent hij den doodelijken steek van de weerhaken te goed—, maar plaagt en tergt het door het met zand te gooien, tot het eindelijk al zijn pennen opsteekt en ineengerold blijft liggen. Dan schuift Mooween met de uiterste omzichtigheid een poot onder hem en smakt hem met een vluggen zwaai tegen den eersten den besten boom, en nog eens, en nog een keer, tot al het leven uit hem gegooid is. Wanneer hij Unk-Wunk in een boom ontdekt, zal hij hem soms achternaklimmen, tot hij net zoo dicht bij hem staat als de bovenste takken het veroorloven, en dan uit alle macht gaan schommelen en rukken om hem er uit te schudden. Al die drukte is gewoonlijk vergeefsch, want het beest, dat in de boomtoppen zorgeloos vast door den storm heen slaapt, bekommert zich niet hard om het geschud van een loggen beer. In zoo’n geval zal Mooween, als hij er dicht genoeg bij kan komen zonder gevaar te loopen—doordat de te dunne twijgen hem niet hielden—naar beneden te vallen, dien tak waar Unk-Wunk op ligt te slapen afbreken en hem op den grond gooien. Dit is gewoonlijk ook vergeefsche moeite, want voordat hij hem achterna kan klauteren naar beneden, ligt Unk-Wunk al weer in een anderen boom op een anderen tak te slapen, alsof er niets gebeurd was.

Andere roofdieren, minder sterk en geslepen dan Mooween, bekomt het gewoonlijk slecht, als de honger hen noopt dezen nutteloozen boschbewoner, voor wien de natuur toch zoo liefderijk zorgt, aan te vallen. „Trappers” [9] hebben me verteld dat ze in den nawinter, wanneer de honger het felst is, wel eens een wilde kat of een lynx of vischmarter in hun vallen gevonden hebben, met bek en flanken vol pennen van ’t stekelvarken; duidelijk bewijs hoe radeloos ze in ’t nauw waren gedreven om toch maar aan eten te komen. Die paar gevangen dieren doen ons denken aan menige verborgen worsteling, waarvan slechts de boomen en de sterren getuigen zijn; en de val van den „trapper”, die snel en zeker neerslaat, is slechts het genadige besluit van een langen, tragen, smartelijken lijdensweg, die ten leste toch onder een neerhangenden sparretak, gedekt door de sneeuw, zou zijn ten einde geloopen.

Den vorigen zomer vond ik op een open plekje in de wildernis twee geraamten naast elkaar liggen: het een van een stekelvarken, het ander van een grooten lynx. In dat van den laatste lagen drie pennen, op de plaats waar de keel gezeten had; een andere schacht stond recht overeind in een ledige oogkas; nog een stuk of twaalf lagen er zóó omheen, dat het onmogelijk was na te gaan langs welken weg zij waren binnengedrongen. Er was geen groot voorstellingsvermogen toe noodig om daaruit de geschiedenis te lezen van een uitgehongerden lynx—te radeloos om eenige voorzichtigheid in acht te nemen—en een maaltijd die een leven kostte.

Ik heb ook eens een merkwaardig staaltje van dierenopvoeding gezien, waarbij Unk-Wunk betrokken was. In de vallende schemering waren twee jonge uilen onder leiding van hun moeder onder langs een heuvelrij aan ’t jagen. Van mijn kano uit zag ik een van de jongen plotseling neerstrijken op iets in ’t kreupelhout aan den oever. Even later volgde de groote moeder-uil hem met een boozen, doordringenden waarschuwingskreet: hoe-hoe-hoe-hoe! Het jong liet zich in ’t kreupelhout vallen, maar de moeder sloeg hem in haar suizende vlucht gewoon van zijn wild weg en bracht hem toen stilletjes naar het bosch. Ik toog dadelijk naar het kreupelhout waar de uil gestooten had, en vond er een jong stekelvarken, terwijl er een eind verder aan den oever nog twee aan ’t knabbelen waren van de leliestengels.

Kookooskoos, die instinctmatig op elk bewegend ding stoot, heeft waarschijnlijk van wijzeren geleerd dat het maar verstandiger is sommige dingen zorgvuldig te vermijden.

Dat het hem wel degelijk geleerd moet worden bleek ten duidelijkste aan een uil, dien mijn vriend eens in schemerdonker schoot. Een pen van een stekelvarken was bijna over de heele lengte in zijn poot gedrongen; nog twee werkten zich langzaam maar zeker in zijn lijf en de schacht van een vierde stak uit den hoek van zijn bek. Of het een jonge uil was, die nog geen les had gehad, of dat hij door den honger genoopt allen wijzen raad maar in den wind had geslagen en op Unk-Wunk gestooten had, zal nooit worden opgelost. Dat hij zoo’n groot beest als het stekelvarken aanviel, wees er wel op dat hij evenals de lynx er waarschijnlijk door den honger toe gedreven was de moederlijke lessen in den wind te slaan.

Wat Unk-Wunk betreft, die weet maar zoo weinig, dat het gerust betwijfeld mag worden of hij ooit de schooltucht in ’t bosch gevoeld heeft. Of hij zich uit instinct als een kastanjebolster oprolt, zooals de opossum zich dood houdt, of dat het een zaak is van langzamerhand leeren staat nog te ontdekken.