Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

Part 9

Chapter 9 3,766 words Public domain Markdown

Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.

Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping tusschen beginsel en praktische konsekwenties.

Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend; zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.

Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is. Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.

Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours," dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom: zachtheid had hij nog niet teruggevonden.

Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur, uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest vermoedde hij niet.

Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours."

In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener samenleving "waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt; waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk: hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt, het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen."

Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de Carmagnole:

"Ça ira, ça ira, ça ira, Celui qui s'élève, on l'abaissera,"

en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau, wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen, nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten te voorkomen, te genezen of te verzachten?"

De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop nog vleugellam in dat der daad.

Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.

* * * * *

In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede "Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde--nl. van algemeen ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten hem ziek.

Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong, nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen, de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon.

Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog zeldzamer is, hij zette het door.

Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen; Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.

Hoe zou hij nu leven?

De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach, geschonken.[28]

Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in 't verkondigen zijner beginselen.

En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die, wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt, nederschrijft."

Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd muziek-copiïst.

Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.

Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet, die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.

Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien in hun binnenste; naast 't samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.

Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thérèse--hielp hem daar weldra van af.

Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem 't hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen op zich tegen hun "begunstigers," die maar één doel kenden: de hen immer najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protégés moesten ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden alles koopen, waarom dan ook niet dit?

Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke moeder.

Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.

En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk- gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan. Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een anderen.

Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren lang zijn leven zijn.

Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de zachtheid des levens zijn.

In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau weigerde op audiëntie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel- artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij "een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen.

Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind naar 't vondelingen-huis brengen.

Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in zijn wezen.

Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te vestigen, waar hij in '54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij werd opnieuw protestant en burger van Genève.

Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou 't er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.

Noten:

[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV, boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeën de drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.

[2] Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel lager geweest zijn.

[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.

[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.

[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l'Industrie en France.

[6] Mémoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII.

[7] Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40.

[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats, terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.

[9] Levasseur, bl. 536.

[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI.

[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den Franschen handel een geweldigen knak toebracht.

[12] Levasseur, bl. 549.

[13] F. Rocquain, L'Esprit révolutionaire avant la Révolution.

[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.

[15] Windelband, bl. 359.

[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte der neueren Philosophie.

[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.

[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.

[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1 allen" uit.

[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles; brûlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die tegen Lodewijk de XVIde.