Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

Part 7

Chapter 7 3,602 words Public domain Markdown

Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse- aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe, waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen _iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een bewonderenswaardig heroïsme--met _tragisch_ heroïsme, want zij moesten in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun vleesch en bloed van hun bloed was.

De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven, hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij gingen stem krijgen in Rousseau.

II. HET MOEIZAME LEVEN.

In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift in cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te lezen.

Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De "commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was. Hij voelde zich diep verongelijkt.

Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever, maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij, soezende knaap, door Milaan gedwaald had.

Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon; af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle, Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.

Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm, gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen: zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een neiging tot paradoxen.

Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve), is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.

Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief, droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig, opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.

Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij, komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder, hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.

Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld. Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon, Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd secretaris van den franschen gezant in Venetië.

[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).]

Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was, vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris, een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te Venetië geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een souvereine stad, bestuurd dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genève een oude republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde, terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciërs berustte. Zijn werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.

Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man, wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten slotte kwam 't tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden. Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den gezant zelf.

Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat; nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.

Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft vooral.

Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger, eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht. Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste); tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg; hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.

Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22]

Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den levensbond met het plebeïsch natuurkind--Thérèse was in buitengewone mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten, in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van hart.

Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk. Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maîtressen--aristokratische dames of vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse! Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig opzicht meest essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk een kiem van vervreemding.

Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die afschuwelijke Thérèse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke "idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de "onbeschaafde wasch-vrouw" Thérèse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders: hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen hoogmoed.

Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid. Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook doen. Maar daaraan denkt niemand.

Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat 't volgende; staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende," hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische aangelegenheden bleek altijd goed.

En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.

Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle, waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels, arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien, tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste, trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?

Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden. Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken--zijn denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vóór begrijpen. En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen, hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware, moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot haar sprak.

Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in 't begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard."