Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken
Part 6
De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer, die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die wolven, bevindt zich de koning.
Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt, in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op; "sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneën, in de Provence, in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van Rouaan enz. enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje blijft het dan weer stil.
De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende, sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in genietingen, stikkend in geilheid.
* * * * *
Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen, gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.
Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar zit tevens vast aan het oude.
In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd, maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate: het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7]
De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën. Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als hùn levensleer.
De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine, de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur, Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te stellen,--getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist, wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de industrie.[10]
Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20 tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiëele bourgeoisie in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon, de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie. Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in 1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine Antillen had geakkapareerd.[12]
Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke, staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel: aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme, dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de regeering en van alle officiëele instellingen en denkbeelden hun hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter. Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13]
De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren, omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.
De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn. Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de machtsverheffing der bourgeoisie voor.
Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot '31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol," de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten een einde maakte. Nog vóór de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721, waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos- felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend.
Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het "algemeen handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot één philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust. Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de instelling van een konstitutioneele regeering;--met één woord, om de praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_, in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot." Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is aangestoken;--vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid dorstende klasse.
Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_ ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten uit de deïsten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16]
Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken --immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling --ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse- tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het ondergaand regiem.
De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van dien tijd--de finantiëele--belichaamt hij als geen ander, als geen ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing, --Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam, altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig, ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met onfeilbare intuïtie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant zich tegen alle materialistische en atheïstische denk-excessen zijner dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk _en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17] levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen dwang, vóór de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als van de finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur d'affaires et grand remueur d'idées,"[18] gelijk Jaurès' gelukkige omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen, als het egoïsme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage _uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt.
Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur, de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het egoïsme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theoriën natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen, evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de eenige waardevormende kracht is.
* * * * *
De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750, naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.