Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken
Part 5
De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies, met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde. Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd. Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels; hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de "teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen en offers kunnen vergoeden.
Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder persoonlijk accent: dat is alles.
Maar alle kiemen--op één na--van den man dien hij worden en van de werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie, de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed, de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en onsterfelijkheidsgeloof.
Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.
TWEEDE HOOFDSTUK
PARIJS.
I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.
In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen. De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.
Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.
Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.
Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank, een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat, beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door 't fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten, hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.
Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen, waar elkeen van een droomt.[1]
Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789 doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën, althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven. Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.
Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang. Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse- verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk."
* * * * *
Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit, dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze. Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht, omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig, en ofschoon de uitgemergelde massa's àl zwaarder belast worden, het deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid, haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten.
De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30 millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden, verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen staat.
Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is. Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen.
Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt, stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. over de zoogenaamde "Charité" (de administratie van het armwezen, de hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.
Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de kerk keerde, dat het woord "écrasez l'infame," tot het parool van zijne propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur. Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning.
* * * * *
Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen, hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst: schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de "mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt. Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale, koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen. De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest- volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts één inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering, zonder verheffing.
Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij, en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud, waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson).
Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen, bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in ontaarding.
Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.
"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren --d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers; alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan de zijde der oppositie.
Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden, te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.
Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd. De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in één maand tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6]
En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk, vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.