Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

Part 4

Chapter 4 3,689 words Public domain Markdown

Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een déclassé geworden." Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen, waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben. Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof.

Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker, die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers, voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden, onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig, menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte, aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar, zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet. Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers van het volk."

Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der massa's waren saamgegroeid tot één gevoel.

Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke ervaring en persoonlijke waardeering.

Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn handelen.

IV. GROEI

Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit, waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis. Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij te blokken op het "Traité de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit ontmoedigde hem niet.

Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie: magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland," van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging.

Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn. Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.

Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint, sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in 't verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.

Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in verzen uit het jaar '41, "l'Epitre à Parisot."

Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, 't scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.

Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille. Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam, heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis, idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel.

Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.

Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom, worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid, de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven, kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen, ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten, daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij, starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen. En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les Charmettes opsteeg, samen tot één droom.

In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten van zijn wezen waren er veel gerijpt.

Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genève waar hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen, terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke, rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en voor alles--in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel; de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet, en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen 't er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor 't eerst in zijn leven voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.

Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven, probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist, had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes, Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis, fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde; reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v. sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid." Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.