Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

Part 24

Chapter 24 3,708 words Public domain Markdown

Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan, want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen, verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders, dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten, tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.

Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden, die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters: "Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft." Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen, zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.

Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden, die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, 't denkende, voelende, willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd, maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.

Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social," dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers, niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.

Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel, schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon: als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried, deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.

Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster, vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden, smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft hij immers, dit is zijn levensdoel.

Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke vooroordeelen.

O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.

Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien, had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden harten, en hij niets zag als vertwijfeling.

En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als één man opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun verzet verbitterd; zouden zij één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte zijn waan va nvervolging èn grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis, in hem roemen als in een Groote?

Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is. Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels. Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid, maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam, de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.

Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende, schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den dageraad.

Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten weemoed van het leven scheiden kan!

* * * * *

Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.

Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug, dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.

[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).]

Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel. Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag hij daar.

Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van zijn grooten tegenstander Voltaire.

* * * * *

Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden, de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten, de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord, hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit de diepten der oneindigheid.

De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen, overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden, tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten bevruchten door het leven.

En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten, hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen, harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters, stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den man maken dien hij werd in die poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd- gespletene en toch naar één doel stroomende jaren der jongelingschap.

De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--èn de maatschappij-kracht: de begeerten, de aspiraties, de energieën en de gedachten die de maatschappij- beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te tooveren tot schoonen droom.

Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis. Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef, hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was, dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de roepstem en volgde haar.

Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,--èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.

Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen, broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang, niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp nauwkeurig en volledig als hij kon.

Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde: het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij vervallen in schaamteloos cynisme.

Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.

Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.

De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap, den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren, vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hùn vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren. Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat, ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.

De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke, en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit 't een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was, bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.