Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken
Part 23
In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen, hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht bij Parijs.
De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden aan te nemen.
Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld, hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam. Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken, schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig heeft, mijn lichaam of mijn geest."
Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen. Zijn geestverwanten uit Genève--waar de inwendige beroeringen voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering, als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad.
Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze wetenschap bevatten.
Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die hij in Trye had aangenomen.
In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis, hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en haar beleedigden.
Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is. "Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen."
De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel een deel van zichzelven.
Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn? Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die verlichting ten minste nooit ontbeerd.
* * * * *
In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti. Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in '62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen; Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met rust.
Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St. Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren, beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:
"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met ons pratend.
"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel, een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid, vrede en eenvoud, die 't hart goed deed."
Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen te zijn."
Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren besteedde hij aan 't kopieëren van muziek en 't drogen, schikken en opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd was 't gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn. Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij, maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden. Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers, bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet overzetten. Steeds meer kategorieën van personen hadden de machtige samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen, verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en waarachtigheid, de "Dialogen."
Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen; zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was: de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen, die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk. Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele. Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen" uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de "Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered. Maar hoe zulk een mensch te vinden?