Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

Part 20

Chapter 20 3,703 words Public domain Markdown

Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan, welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven, niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten, want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Maréchal had uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting; als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte, dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de "Lettre à monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne." (Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der "Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen" de protestantsche wereld in rep en roer bracht.

Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten getroffen te worden.

Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig- verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk, schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen werd te erkennen "ik herken den burger van Genève niet meer," maar het werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij Voltaire volkomen ontbrak.

Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont" weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering, komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie, boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren. Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.

Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit. Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn, zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.

De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste die in de "vrije republiek" Genève regeerde, bleek even beducht voor de vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.

De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit négatif," dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden. Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.

Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de spits der burgers stellen zou.

Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid, maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken. Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.

Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne" (Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren. Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de democratische leiders om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen) op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard gebleven.

De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau, en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de "gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende politieke kwestie: het "droit négatif." Deze beschouwing gaf Rousseau gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze, waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.

De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genève in lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke ketterij.

Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag. Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen, eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen 't hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin, in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek, het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is. Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid, de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen, noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen."

Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots, de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op bepaalde gemeenschappelijke daden....

Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten- bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in den Haag en in Genève in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou, de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen" lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen, liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus, die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"), dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.

Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reëel en konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de grooten hem een gevaarlijk dier.

Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem laaghartig, verraderlijk te bespringen.

Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn: Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch: Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd jegens zijn groote mededinger.

Door de verschijning van de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile" was Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk- revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden. Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke aangelegenheden.

Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.