Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken
Part 18
Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot voorwerp heeft.
Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme. Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en diens redelijk egoïsme.
De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l. Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.
* * * * *
Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd, ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven --maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen, zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven, zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare bewoners terug.
In de "Nouvelle Héloïse," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld. Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scène waarin Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost; --tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle Héloïse" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die omschaduwde sfeer.
De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen; de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal, regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid, soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden, de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten, over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het, die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar en principieel formuleerde.
In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken, niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen. Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle Héloïse."
Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" ook verhoudingen uit het gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen en weer.
Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel. Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon der burgerlijke vrijheid.
De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht, daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen, was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk, omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling, omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en proletariaat.
Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk hij de tyrannen haatte.
* * * * *
Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen oproepen voor onzen geest.
De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen; een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst- mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen, de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede.
In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering. De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie, geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en proletariërs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der menschheid en het bestieren van het gemeenebest.
De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft gegrift.
Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw. Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.
Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood, door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden, als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen.
Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.
Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij- krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde, het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land zijner verloren kindsheid.
Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme, maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke verachtten en verwierpen.
Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven. Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister, vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte, die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke ondoorgrondelijkheid.
[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie Jenvernay 1801).]
NOTEN:
[30] Haar meest bekende werk zijn de "Mémoires de Madame d'Epinay," die langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald (Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot, dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de Rousseau," blz. 188-189).
[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den "Tristan" maakte.
[32] Mme d'Epinay beschuldigt Thérèse van 't schrijven van een anonymen brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St. Lambert _moesten_ bereiken.
[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen: hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had gebracht.
[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst; en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is.
[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den "franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare. Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot, zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de traditie.
[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.
[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis en de eeuw der omwentelingen."