Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

Part 17

Chapter 17 3,657 words Public domain Markdown

Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap: in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.

In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan het geestelijk leven van hun tijd.

Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies, deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing, vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat "de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen een soort van monster.

De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar één ding moest haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.

Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.

Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren, en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.

Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken en liefhebben zal.

Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij. Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in den dienst der gemeenschap.

* * * * *

Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri; maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires, dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder nationaal-beperkt.

Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in. Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen. Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en vrouwen, geen menschen.

Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming, moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden. Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier- hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt, des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes. Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen, want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet.

Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen. Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg; die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids- vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou, honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond."

Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties. Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.

Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers voort, maar slechts bourgeois.

Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v. Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf "bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf buiten- maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse- opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving, die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen. In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.

Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen. Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid, zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk, neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en rechtvaardig leven hebben geleid."

Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen. En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.

Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding, wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen. Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.

Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.

Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen, wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging, het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht, zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile," in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke gemeenschap toch weer op.

Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht, winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen, tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.

Hoe wordt nu dit doel bereikt?

Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind. Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.

Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde: dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden. Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal- mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken.

Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig Schepper, dien hij zegent en aanbidt.

De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire, aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.