Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken
Part 16
Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk, op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom, die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit.
* * * * *
De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid, zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen _bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk, wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de moeurs verpersoonlijkt in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken, zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik, ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten, vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo hoort het."[45]
Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.
Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie, hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin 't einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar. In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.
De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen. "Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen."
Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam. Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma: "het eenige goede in de liefde is het lichamelijke."
Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Héloïse." Het boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden. Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd, lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen, verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij kunnen niet weerstaan.
Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen persoonlijkheid.
Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.
"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis, zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen."
Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde met de schaamtelooze wellust van Marivaux!
Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig, door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.
In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.
De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste in onze persoonlijkheid.
Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.
De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling, waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur, zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Héloïse" in beeld heeft gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken, de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te leven volgens hooge zedelijke beginselen.
Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen, koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben, dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen der rede die uw gave in mij is."
Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid, bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen, zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.
In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin (want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en van een talrijk personeel.
Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende, allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij 't wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.
Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" het recht der persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk; hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde, ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan. Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!
"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid, vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief, des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik zachte en sociale zeden."[48]
Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie; òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield 't leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling: daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in.
Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet in alle vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid. Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.
Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen, huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk, en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat. Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen, zoovelen tot zegen zijn.
Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd? Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken? En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze?
Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen. Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit alleen erkennen wij als het ideaal.
Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der "Nouvelle Héloïse." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.
In de "Nouvelle Héloïse" zien wij de vrouw optreden als de genoote van den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.