Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

Part 15

Chapter 15 3,474 words Public domain Markdown

Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons, die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat, zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven is, en wat wij met betrekking er toe zijn."

Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen?

Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun persoonlijken aanleg.

Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen, en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging, vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht, dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar der _arbeidende_ kleine burgerij.

Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten, maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41] der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en _literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en de Jacobijnen aan een "Etre suprême," een opperste-abstraktie, samenvattend al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeële en materiëele klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poëtisch-opgesmukte deïsme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard."

Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft gekozen."

De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen versterken.

* * * * *

In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours," de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen") heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen op den menschelijken staat behandeld.

Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme. Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social." Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het "Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken. In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen, dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede "Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n. "natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te demonstreeren van het absolutisme.

Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke, boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische, terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt. Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair, gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den inhoud van het bewustzijn dat ís.

Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden, voorzichtigen kleinburger.

De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als _burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet onderworpen.

Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden? Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene; maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar, de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.

De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk. Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt.

De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig vorst.

Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden, het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust. Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz. van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties verkiezen.

Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering 't meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een slechte haar vermindering.[42]

Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van den souverein, dat is van den volkswil.

Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er thans mee zijn belast.

Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.

Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn. Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en denkbeelden schepten.

De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was; industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen gering.

Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het "Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre à d'Alembert" verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het "laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie, uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting. Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze, zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van hinderlijken dwang.

Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer 10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne persoonlijke.

Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.

Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren. Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden, echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen was voorafgegaan.