Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken
Part 14
Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!
Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle zoete en sterke bewegingen van het gemoed.
Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn hoogmoedig hart.
Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn ouderdom, de "Confessions" en de "Rêveries." Naast de eenvoudige rijke levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne doorzichtigheid der "Rêveries" staan de werken der groote jaren als minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.
Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rêveries," ontbreekt.
Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken, vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel, de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten? En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze doordringt, de edele verheffing? Vanwaar?
Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij. Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters, had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.
De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in den weg stonden.
Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen, voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid hun ontzegde te zijn.[36]
Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het gevoel.
Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd.
Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige, door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en te versterken.
Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.
Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau révolutionaire," dat Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet! Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.
En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden geput.
* * * * *
Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling.
Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.
Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook, maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk, dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn, maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen van den mensch.
In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god, boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij, die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel, den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.
Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.
In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen (verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal, handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning voor het onderdrukken daarvan.
Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als "reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de materialisten door de hunne "er bestaat geen god."
Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme, in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven, verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het menschenhart geschreven had.
Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen. In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm, bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad; zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden. Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend! Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over- machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef hij aan een kennis uit Genève, "ik geloof aan God, en God zou niet rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven, alles wordt hersteld na den dood."
Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de laatste boeken van de "Nouvelle Héloïse" en in de belijdenis van den "Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.
De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god gelijk maakt"....
"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn hartstochten."
Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der maatschappelijke verplichtingen.