Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken
Part 13
Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre à d'Alembert" en de "Nouvelle Héloïse" hadden hem een bescheiden sommetje opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die schatten verdiende aan de "Nouvelle Héloïse," verzocht hem om toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid knellend en rukte zich los.
Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geëischt en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste onaangenaamheden op den hals.
Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, waartegen zij te pletter moest slaan.
Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had; dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag."
Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen; een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk door het feit dat de "Nouvelle Héloïse," waarin evenals in den "Emile" de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.
Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde zoo sterk, in "Emile" vóór den godsdienst, tegen de materialistische philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't plan uitgesteld.
De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de verschijning der "Nouvelle Héloïse;" d'Alembert schreef hem om hem geluk tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar hem dreigde.
In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.
De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren, tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, waarmee de hertog naar die sleutel greep.
Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.
* * * * *
Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot een idylle in den trant van Gessner.
Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.
Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun houding te zeggen?
Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan, maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_.
Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd, zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.
Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn meerderen waren.
Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.
III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN.
De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de voorstelling troonde van het eigen ik.
In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle Héloïse," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften, met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. Wat de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre à Monseigneur de Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne." Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rêveries" zijn, zuiver als woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de "Confessions" en de "Rêveries" boven de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.
In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling (staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse- verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Héloïse" en de "Lettre à d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal. Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot levenswerk.
Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle Héloïse") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en jong-meisje tot elkaar behandelen.[34]
De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dààr lag zijn vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen.
Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Héloïse" toepaste, was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35]
In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar- overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle opzichten het meest origineele zijner werken.
In de "Lettre à d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.