Ingrid

Part 5

Chapter 54,270 wordsPublic domain

Achter de keuken was een heel klein kamertje met blauw geruite gordijnen. Daar werden ze binnen gebracht en juffrouw Stava gaf haar eten en koffie.

Moeder Stine begon al gauw over haar boodschap te praten. Ze sprak lang en zei dat ze wist, dat haar zuster in zoo hoog aanzien stond bij de Genadige Vrouw op de Monnikshut, dat ze haar had opgedragen, op het landgoed de dienstboden te kiezen, die ze goed vond. Juffrouw Stava antwoordde niet, maar zond Ingrid een blik, die zei dat ze zulk een vertrouwen zeker niet verworven zou hebben, als ze dienstmeisjes gekozen had zooals zij er een was.

Moeder Stine prees Ingrid en zei, dat ze een flink meisje was. Ze had tot nu toe in een pastorie gediend, maar nu ze volwassen was, had ze lust om wat meer te leeren en toen had Moeder Stine haar bij iemand willen brengen, die meer kende dan iemand anders voor zoover ze wist.

Juffrouw Stava antwoordde ook hierop niet. Maar haar oogen zeiden duidelijk, dat ze er zich over verwonderde dat iemand die in een pastorie gediend had, geen eigen kleeren had, maar die van de oude Stine had moeten leenen.

De oude vrouw begon te vertellen hoe ze het in ’t bosch had, zoo eenzaam, door de haren verlaten. En dan was dit meiske menig avond en morgen de heuvels op komen springen om eens naar haar te kijken. Daarom had ze nu gedacht en gehoopt, dat ze ’t eens zoo voor haar zou kunnen schikken, dat ze ’t goed kreeg.

Nu zeide juffrouw Stava, dat ’t jammer was dat ze zoover gegaan waren om een betrekking te zoeken. Als ’t meisje flink was zou ze zeker wel een plaats kunnen vinden op een of ander landgoed in haar eigen woonplaats.

Nu begreep Moeder Stine, dat haar zaak slecht stond en nam dus haar toevlucht tot groote woorden. „Hier heb je nu al dien tijd in welstand verkeerd en ’t gemakkelijk gehad, Stava! en ik heb me in groote armoede door de wereld moeten slaan. En nooit heb ik je om iets gevraagd voor vandaag. En nu zal je me weer wegsturen als een bedelares, die je een maal eten toestopt en verder niets.”

Juffrouw Stava glimlachte even en zei toen: „Zuster Anna Stine, je zegt de waarheid niet. Ik ben ook van Roglanda en ik zou wel eens willen weten in welk boerenhuis in die gemeente zulke oogen en zulk een gezicht te vinden zijn.”

En op Ingrid wijzend ging ze voort: „Ik kan me zoo heel goed begrijpen, Anna Stine, dat je iemand die er zóó uitziet wilt helpen, maar ik kan me niet begrijpen, dat je meent, dat je zuster Stava zoo dom geworden is, dat je haar wat voor kunt liegen.”

Moeder Stine werd hierdoor zóó verschrikt, dat ze geen woord kon zeggen, maar Ingrid besloot juffrouw Stava in vertrouwen te nemen, en begon dadelijk met haar mooie, zachte stem haar geschiedenis te vertellen.

En nauwelijks had Ingrid met een paar woorden er van gesproken, dat ze in ’t graf gelegen had en hoe de man met de viool haar gered had, of de oude juffrouw Stava kreeg een kleur en boog zich haastig voorover om dat te verbergen. ’t Was maar een oogenblik, maar ’t moest toch wat goeds beteekenen, want ze zag er daarna veel vriendelijker uit.

Spoedig begon ze ook allerlei nauwkeurige vragen te doen over alles; vooral wilde ze meer weten van den krankzinnige—of Ingrid niet bang voor hem geweest was.

„Ach neen, hij was in ’t geheel niet gevaarlijk. Hij was niet gek,” zei Ingrid, „hij kon best koopen en verkoopen. Hij was alleen maar schuw.”

Ingrid vond het ’t moeilijkste te vertellen wat ze haar pleegmoeder had hooren zeggen. Maar ze sprak ook daar volkomen oprecht over, hoewel de tranen haar in de keel zaten. Maar juffrouw Stava ging naar haar toe, streek haar hoofddoek achterover en zag haar in de oogen. Toen streelde zij haar over de wang. „Sla dat maar over, als u dat liever doet,” zeide ze, „dat behoef ik niet te weten.”

„Ja, nu moeten mijn zuster en juffrouw Ingrid ’t me niet kwalijk nemen,” zei ze daarop,—„maar ik moet nu naar binnen om Mevrouw de koffie te brengen. Ik zal gauw terugkomen en wil dan graag verder hooren.”

Toen zij terugkwam, zeide ze, dat ze aan Mevrouw verteld had van het jonge meisje, dat in het graf gelegen had. En nu wilde Mevrouw haar zien.

Zij werden door juffrouw Stava de trap opgeleid naar het kleine salon van de Genadige Vrouw.

Moeder Stine bleef aan de deur staan van die mooie kamer, maar Ingrid was niet verlegen. Ze ging dadelijk naar de oude dame toe en nam haar hand. Ze had verlegen kunnen zijn voor anderen, die veel minder voornaam waren, maar hier in huis was ze niet verlegen. Ze voelde ’t alleen maar als een eindeloos groot geluk, dat ze hier gekomen was.

„Is dit nu ’t jonge meisje, dat begraven geweest is?” vroeg de oude barones en knikte haar vriendelijk toe. „Wil je nu zoo vriendelijk zijn mij je geheele geschiedenis te vertellen? Ik zit hier zoo alleen en hoor zoo niets van buiten af, moet je weten.”

En Ingrid begon op nieuw te vertellen. Maar ze was nog niet lang bezig, toen haar verhaal werd afgebroken. De oude barones deed precies als juffrouw Stava: zij stond op, schoof den hoofddoek terug en zag haar in de oogen. „Ja, ja,” sprak ze, als in zichzelf, „dat kan ik begrijpen. Ik begrijp wel, dat hij die oogen gehoorzaamde.”

Voor ’t eerst in haar leven werd Ingrid nu om haar moed geprezen. Mevrouw de barones meende, dat ze heel moedig was, dat ze zich aan een krankzinnige durfde toevertrouwen.

Ze was ook wel een beetje bang geweest, zei ze, maar ze was er nog banger voor geweest, dat de menschen haar zouden zien, zooals ze er toen uitzag. En hij was niet gevaarlijk. Hij was bijna wijs en hij was zoo goed.

Mevrouw de barones wilde weten hoe hij heette, maar dat wist Ingrid niet. Zij had nooit een anderen naam gehoord dan „Geitebok”.

Verscheidene malen vroeg de oude barones hoe hij deed als hij kwam om te verkoopen. En had zij hem niet uitgelachen en vond ze niet, dat hij er vreeselijk uitzag—de Geitebok. Er was iets vreemds in, de barones dat woord: „Geitebok” te hooren zeggen. Ze zei het met oneindige bitterheid, en toch zei ze het telkens weer.

Neen, dat vond Ingrid niet. En zij lachte niet om ongelukkigen.

Mevrouw de barones keek hoe langer hoe vriendelijker.

„Je moet slag hebben om met krankzinnigen om te gaan,” zei ze. „Dat is een groote gave. De meesten zijn bang voor zulke arme menschen.”

Zij had Ingrids verhaal nu geheel aangehoord en zat in gepeins verzonken.

„Je hebt nu toch geen eigen huis, meisjelief,” zei ze. „Wil je nu niet bij mij blijven?

„Ik zit hier zoo alleen en je zoudt mij gezelschap kunnen houden. Ik zal zorgen dat je alles krijgt, wat je noodig hebt. Zou je daarmee tevreden kunnen zijn?”

„Er kan wel een tijd komen,” ging ze voort, „dat we je ouders moeten zeggen, dat je nog leeft; maar vooreerst zal alles blijven zooals het is, zoodat je tot rust kunt komen. En dan moest je tegen mij tante zeggen. Maar hoe moet ik jou noemen?”

„Ingrid,—Ingrid Berg.”

„Ingrid,” zei de oude dame nadenkend. „Ik zou je liefst anders willen noemen. Zoodra ik je zag, met je sterreoogen, dacht ik, dat je eigenlijk Mignon heeten moest.”

Toen nu ’t meisje begreep, dat zij hier een werkelijk thuis vinden zou, werd dit voor haar een nieuw bewijs, dat ze op een bovennatuurlijke manier hierheen geleid was en zij fluisterde een woord van vurigen dank aan haar onzichtbaren beschermer, eer ze de oude barones, Juffrouw Stava en moeder Stine bedankte.

Ingrid lag in een ledikant met een hemel, en wiegde zich op een veeren bed, dat anderhalf el dik was. Aan de lakens waren breede, sierlijk genaaide zoomen, en een zijden deken, met zweedsche kronen en fransche lelies er op geborduurd, lag op het bed, dat zóó breed was, dat ze naar keus in de lengte of in de breedte liggen kon, en zóó hoog dat ze er met een trapje in moest klimmen. Boven aan den hemel zat een engeltje en liet bonte gordijnen over haar neervallen en op de bedstolpen zaten andere engeltjes, die de gordijnen in groote plooien ophielden. In dezelfde kamer, waar het ledikant stond was een oude commode, met citroenhout ingelegd, waaruit Ingrid zooveel wit geurend linnengoed mocht krijgen als ze maar wilde. En er stond ook een kast met vele fraaie, kleurige mouselinen kleertjes, die daar hingen en er nieuwsgierig naar waren, welke van hen ’t haar zou behagen aan te doen.

Toen ze in den morgen wakker werd, stond er naast haar een blaadje met koffie, glinsterend van zilver en oud indisch porselein. En iederen morgen zette ze haar kleine, witte tandjes diep in ’t fijne wittebrood en ’t heerlijke amandelgebak. Iederen dag kleedde ze zich in een licht mouselinen kleedje en een fichu, van achteren dichtgeknoopt. Heur haar werd hoog in den nek opgestoken, maar rond om het voorhoofd droeg zij een krans van fijne krulletjes.

Aan den wand, tusschen de vensters had zij een spiegel met een smal glas en breeden lijst. Daarin kon ze soms zichzelf aanzien en toeknikken en vragen. „Ben je daar? Ben je ’t werkelijk? Hoe ben je toch hier gekomen?”

Overdag, als Ingrid de kamer met dat mooie bed verlaten had, zat ze gewoonlijk in het prachtig salon en borduurde of schilderde op zij. En als ze daar geen lust meer in had, speelde ze op de guitaar en zong liedjes, of praatte met de oude barones, die haar fransch leerde en er zich in verheugde haar tot een beschaafde dame op te kunnen voeden.

Maar ’t was een betooverd slot, waar ze gekomen was. Die gedachte kon ze niet loslaten. Van ’t eerste oogenblik was dat gevoel over haar gekomen en ’t kwam telkens terug.

Geen mensch kwam er ooit een bezoek brengen. En niemand ging er ooit uit. In ’t groote huis werden alleen maar een paar kamers bewoond. In de anderen kwam nooit iemand. Niemand wandelde ooit in den tuin en niemand onderhield dien. Op de hoeve waren enkel een jongen en een oude man, die hout hakte. En juffrouw Stava had maar twee dienstmeisjes, die haar in de keuken en in de schuur hielpen.

Maar er waren altijd uitgezochte spijzen op tafel en Mevrouw de barones en Ingrid werden altijd bediend en gekleed als voorname dames.

En al was er nu ook niets anders, dat tierde op het landgoed, toch was er een vruchtbare bodem voor droomen. En al werden er geen gewassen gekweekt, Ingrid plantte er haar droomenrozen.

Zij groeiden op om haar heen, zoo vaak ze alleen was. Dan was ’t haar als vormden de roode droomrozen een troonhemel boven haar hoofd.

Rond om het eiland, waar de boomen zich neerbogen over ’t water en lange takken uitzonden naar ’t riet en waar struiken en hooge boomen waren, liep een pad, waar Ingrid gewoonlijk wandelde. Wonderlijk vond ze het, de boomen vol letters gesneden te zien en de oude banken en rustplaatsen en een paar bouwvallige paviljoentjes, zóó vermolmd, dat ze er niet in durfde gaan.

Vreemd, dat hier menschen geweest waren, dat hier leven en beweging en liefde geweest was, dat het niet altijd een betooverd slot was geweest.

Hier bij dat water was de betoovering het sterkst. Hier kwam dat gezicht met dien glimlach weer bij haar. Hier kon ze heen en weer loopen en hem—den student—danken, omdat hij haar hier had laten komen, waar ze zoo gelukkig was, waar men haar liefhad, en haar deed vergeten hoe hard anderen voor haar geweest waren.

Als hij ’t niet geweest was, die ’t zoo had bestuurd, had ze hier zeker niet mogen blijven, dat was onmogelijk geweest.

Ze wist wel, dat hij ’t wezen moest. Ze had nooit te voren zulke vreemde gedachten gehad. Ze had altijd aan hem gedacht; maar nooit had ze gevoeld, dat hij bij haar was, dat hij haar met zorg omringde.

’t Eenige waar ze zich over verwonderde was:—wanneer hij zelf zou komen,—want komen zou hij zeker. ’t Was onmogelijk dat hij niet hier zou komen. In deze lanen had hij een deel van zijn ziel achtergelaten.

De zomer ging voorbij en de herfst ook, het liep tegen Kerstmis.

„Juffrouw Ingrid,” zei juffrouw Stava op zekeren dag, eenigszins geheimzinnig. „Mij dunkt, dat u weten moet, dat de jonge heer aan wien dit landgoed hoort, met Kerstmis thuis komt.—Dat doet hij ten minste gewoonlijk,” voegde zij er met een zucht bij.

„Mevrouw heeft mij nooit gezegd, dat zij een zoon heeft!” zei Ingrid.

Toch was ze niet verwonderd. Zij had bijna willen antwoorden, dat ze het al dien tijd geweten had.

„Niemand heeft hem ooit genoemd, juffrouw Ingrid,” zei juffrouw Stava, „want Mevrouw de barones heeft ons verboden over hem te spreken.” En meer wilde juffrouw Stava niet zeggen.

Ingrid wilde ook niet verder vragen. Ze was nu bang om iets zeker te weten. Ze had haar verwachtingen zóó hoog gespannen, dat ze zelf bang was, dat ze zouden breken. De waarheid was misschien prettig om te weten, maar die kon ook bitter zijn en alle schoone droomen bederven.

Maar na dat gesprek was hij nacht en dag om haar heen. Zij had nauwelijks tijd met iemand anders te spreken, ze moest zich voortdurend met hem bezighouden.

Op een dag merkte zij, dat men de sneeuw uit de groote laan opruimde. Ze werd bijna bang. Zou hij nu komen?

Den volgenden dag zat de oude dame al ’s morgens vroeg aan het venster, en keek den weg op.

Ingrid ging dieper in de kamer zitten. Ze durfde niet bij ’t venster komen: ze was niet kalm genoeg.

„Ingrid, weet je wien ik vandaag wacht?” vroeg de oude barones plotseling.

Het meisje knikte. Ze durfde haar stem niet vertrouwen.

„Heeft juffrouw Stava je gezegd dat mijn zoon vreemd is?”

Ingrid schudde het hoofd.

„Hij is heel vreemd.... hij.... Ik kan er niet over spreken. Ik kan het niet. Je moet ’t zelf maar zien.”

Dat klonk hartverscheurend. Ingrid werd angstig en diep ontroerd. Wat was er toch op de hoeve dat allen zoo wonderlijk maakte? Was er iets verschrikkelijks, dat zij nog niet wist? Leefden de barones en haar zoon in onmin? Wat was er? Wat zou er toch zijn?—

’t Eene oogenblik jubelend van vreugd, het volgende rillend van twijfel. Zij moest zich een reeks visioenen voor den geest roepen om weer te voelen, dat hij het zijn moest, die komen zou.

Ze kon eigenlijk in ’t geheel niet zeggen, waarom ze zoo zeker geloofde, dat hij juist de zoon des huizes zou zijn. Hij kon immers even goed iemand anders wezen voor zoover ze wist.

O, God! hoe vreeselijk toch, dat ze nooit zijn naam gehoord had.

’t Werd een lange dag. Zwijgend zaten ze te wachten tot den avond.

Toen kwam de jongen aanrijden met een vracht brandhout voor ’t Kerstfeest en ’t paard bleef op de plaats staan, terwijl het hout afgeladen werd.

„Ingrid,” zei de barones, heftig en bevelend, „ga gauw naar beneden en zeg Anders, dat hij het paard wegbrengt. Gauw, gauw!”

’t Meisje sprong de stoep af en kwam beneden in de veranda. Maar daar gekomen vergat zij den jongen te roepen. Vlak achter de lading hout zag ze een langen man met een witten pels aan en een grooten zak op den rug. Ze had niet eens noodig hem te zien stilstaan en aanhoudend groeten om hem te herkennen.

„Maar, maar,”—Ze bracht de hand aan het voorhoofd en haalde diep adem. Hoe zou ze ooit uit deze verwarring wijs kunnen worden. Had Mevrouw haar om dien man naar beneden gezonden? En de jongen, waarom bracht hij ’t paard zoo haastig weg? En waarom nam hij de muts af om te groeten? Wat hadden ze hier op het landgoed met den armen krankzinnige te maken?

En plotseling kwam het besef van de waarheid over Ingrid, zóó plotseling, zóó overweldigend, dat ze het wel had willen uitschreeuwen. ’t Was niet de geliefde, die over haar gewaakt had—de krankzinnige was het!—Ze had hier mogen blijven, omdat ze vriendelijk over hem gesproken had, omdat zijn moeder een goede daad, die hij begonnen had, wilde voortzetten.

De Geitebok daar—hij was de jonge heer!—Maar bij haar zou niemand komen,—niemand had haar geleid, haar wachtte niemand. ’t Waren droomen, grillen! niets dan gezichtsbedrog.

Ach, hoe bitter was dit! Had ze hem maar nooit verwacht!

Maar dien nacht, toen Ingrid in het prachtige ledikant lag, onder de bonte gordijnen, droomde ze telkens weer, dat ze den student thuis komen zag.

„Je waart het niet! je bent niet gekomen,” zei ze dan.

„Ja, zeker was ik het,” antwoordde hij haar.

En in haar droom geloofde zij hem.

VII.

’t Was ongeveer een week na Kerstmis. Ingrid zat aan het venster in het kleine salon te borduren. De oude barones zat op de sofa te breien, zooals ze nu voortdurend deed.

’t Was doodstil in de kamer.

De jonge Hede was een week thuis geweest. En al dien tijd had Ingrid hem niet ontmoet, hij leefde als een boer, ook in zijn eigen huis, sliep in de knechtskamer en at in de keuken. Hij kwam nooit binnen bij zijn moeder.

Ingrid wist, dat de barones en juffrouw Stava beiden verwachtten, dat ze iets voor Hede doen zou, dat ze tenminste zou probeeren hem thuis te doen blijven. En ze ergerde er zich over, dat het haar onmogelijk was te doen wat zij verlangden. Zij was wanhopend over zich zelf en over de machteloosheid, die over haar gekomen was sinds haar illusies vervlogen waren.

Dien dag was juffrouw Stava juist komen vertellen, dat Hede zijn ransel pakte om heen te gaan. Hij bleef deze keer niet eens zoolang als hij gewoonlijk bij zijn Kerstbezoek deed, zei ze met een verwijtenden blik op Ingrid.

Ingrid begreep zoo goed wat men van haar verwachtte, maar ze kon niet! Ze werkte door zonder iets te zeggen.

Juffrouw Stava ging heen en dezelfde doodsche stilte daalde weer neer over de kamer.

Ingrid vergat geheel, dat ze niet alleen was en een soort verdooving kwam over haar, waarin al haar droeve gedachten zich vormden tot een soort fantasie.

Zij stelde zich voor, dat ze door heel het groote huis rondzwierf. Zij ging door een massa zalen en kamers en zij zag ze vóór zich, met grijze linnen overtrekken over de meubels, en in gaas gehulde schilderijen en lichtkronen, en op de vloeren een dikke laag stof, dat opvloog waar ze ging. Maar eindelijk kwam ze in een kamer, waar ze nooit geweest was. ’t Was een heel klein kamertje, waar de muren en de zolder zwart waren. Maar toen ze goed toekeek zag ze, dat de kamer niet zwart geschilderd was, ook niet met zwart doek behangen, maar dat aan den wand en aan den zolder een menigte vleermuizen zaten, dicht op elkaar gedrongen. De heele kamer was niets anders dan één groot vleermuizennest. Uit het venster was een ruit gebroken, zoodat men begrijpen kon hoe de dieren in zulk een ongeloofelijke massa binnen hadden kunnen komen, dat ze de geheele kamer bekleedden. Zij hingen daar onbeweeglijk in hun winterslaap en geen een verroerde zich toen zij binnenkwam.

Maar zelf werd ze door zulk een ontzetting aangegrepen, dat ze over ’t geheele lichaam begon te beven. ’t Was vreeselijk, die massa dieren daar te zien hangen. Allen hadden de zwarte vleugels als mantels om zich heen geslagen. Allen hadden een lange klauw in den muur vast gezet en hingen daaraan, onbeweeglijk slapende. Zij zag het zoo duidelijk, dat ze er zich over verwonderde of juffrouw Stava wel wist, dat een heele kamer was ingenomen door vleermuizen.

In gedachten ging zij naar juffrouw Stava en vroeg haar, of ze in die kamer geweest was en als die dieren gezien had.

„Ja zeker heb ik ze gezien,” antwoordde juffrouw Stava. „Dat is hun kamer. Weet juffrouw Ingrid niet, dat er geen enkel oud landgoed hier in ’t land is, waar niet een kamer voor de vleermuizen is ingericht?”

„Neen, dat heb ik nooit gehoord,” zei Ingrid.

„Als u zoolang in de wereld geleefd hebt als ik, zult u wel zien, dat ik waarheid spreek,” zei juffrouw Stava.

„Ik kan niet begrijpen, dat men zoo iets dulden kan,” zei Ingrid.

„Wij moeten dat,” zei juffrouw Stava. „Die vleermuizen zijn de vogels van vrouw Zorg en zij heeft ons bevolen ze hier te ontvangen.”

Ingrid zag, dat juffrouw Stava niet verder over de zaak wilde spreken en ze ging weer zitten borduren, maar ze kon niet laten er over te peinzen, wie vrouw Zorg toch wel wezen kon, die zulk een macht hier had, dat ze juffrouw Stava dwingen kon een kamer voor vleermuizen open te houden.

Terwijl ze daarover dacht, zag ze een zwarte koerierslede door zwarte paarden getrokken, oprijden tot voor de veranda.

Ze zag juffrouw Stava buiten komen en diep buigen. Uit de slee kwam een oude dame, die een langen, zwart fluweelen mantel droeg met vele kragen over de schouders. Ze was gebocheld en liep moeilijk. Ze kon nauwelijks de voeten zoover oplichten, dat ze de trap opkomen kon.

„Ingrid,” zei nu de barones, en keek van haar breiwerk op. „Ik meende te hooren, dat vrouw Zorg kwam. ’t Moet haar belletje zijn geweest dat luidde. Heb je opgelet, dat haar paarden nooit groote bellen aan hebben? Enkel een heel klein belletje; maar je hoort ’t wel, je hoort het wel.... Ga nu naar beneden in de vestibule, Ingrid, en heet vrouw Zorg welkom.”

Toen Ingrid beneden in de vestibule kwam stond vrouw Zorg met juffrouw Stava te praten buiten op de veranda. Zij lette niet op haar.

Ingrid zag met verbazing, dat de oude dame iets verborgen hield onder al haar kragen, iets als zwart gekruld gaas. ’t Was zorgvuldig weggestopt. Ingrid moest goed toezien eer ze ontdekte, dat het een paar groote vleermuisvleugels waren, die ze op die manier trachtte te verbergen. ’t Meisje werd nog nieuwsgieriger naar vrouw Zorg dan te voren en probeerde haar gezicht te zien; maar ze stond in den tuin te kijken, dus dat was onmogelijk. Maar zooveel zag Ingrid toch, toen ze de hand naar juffrouw Stava uitstrekte, dat ze één vinger had, die veel langer dan de andere was en dat aan ’t eind daarvan een groote, kromme klauw zat.

„Is alles bij het oude hier op het landgoed?” vroeg ze.

„Ja, Mevrouw,” antwoordde juffrouw Stava.

„Jelui hebt geen bloemen geplant en geen boomen verzet? Je hebt de brug niet gemaakt, of ’t gras uit de laan geschoffeld?”

„Neen, Mevrouw.”

„Dat is zooals ’t behoort,” zei vrouw Zorg.

„Jelui hebt toch niet beproefd de ertsaders te vinden, of ’t bosch om te hakken dat over den akker groeit?”

„Neen, Mevrouw.”

„En de put is niet schoongemaakt.”

„Neen, de put is niet schoongemaakt.”

„Hier is het goed,” antwoordde vrouw Zorg. „Hier heb ik het uitstekend. Over een paar jaar zal ’t hier zoo zijn, dat mijn vogels in het heele huis kunnen wonen. Jelui zijt heel goed voor mijn vogels, juffrouw.”

Juffrouw Stava boog eerbiedig bij dien lof.

„Hoe gaat het hier verder?” vroeg vrouw Zorg. „Hoe heb jelui Kerstfeest gevierd?”

„Op onze gewone manier,” zei juffrouw Stava. „Mevrouw de barones zit stil te breien, dag in, dag uit, denkt alleen aan haar zoon en weet er niets van, dat ’t een feestdag is. Kerstavond is voorbijgegaan als ieder andere dag. Geen geschenken, geen lichtjes!”

„Geen denneboom, geen Kerstmaal?”

„Geen kerkgang ook, Mevrouw; niet eens een licht in ’t venster op Kerstmorgen.”

„Waarom zou Mevrouw de barones ook de geboorte van Gods zoon vieren, nu God haar zoon niet eens wil genezen?” zei vrouw Zorg.

„Ach neen, waarom zou ze!”

„Nu heb jelui hem weer thuis, denk ik. Is hij misschien wat beter?”

„Neen hij is niet beter. Hij is nog even schuw.”

„Doet hij nog steeds als een boer? Komt hij niet in de kamer?”

„Neen, wij kunnen hem niet in de kamer krijgen; hij is bang voor zijn moeder, zooals u weet.”

„Hij eet in de keuken, en slaapt in de knechtskamer?”

„Ja, dat doet hij.”

„En jelui weet niet, hoe je hem beter zult maken.”

„Neen, we weten niets, we kunnen niets.”

Vrouw Zorg zweeg een oogenblik. Toen ze weer sprak, klonk haar stem hard en scherp.

„Dat is nu alles wel heel mooi, juffrouw Stava, maar ik ben toch nog niet heelemaal tevreden hier.”

Op ’t zelfde oogenblik wendde ze zich om en keek Ingrid scherp aan.

Ingrid week verschrikt achteruit. Vrouw Zorg had een klein, rimpelig gezicht, van boven af ineengedrukt, zoodat de onderkaak haast niet zichtbaar was. Ze had tanden als die van een zaag en veel haar op de bovenlip. De wenkbrauwen liepen borstelig ineen. Haar huid was heelemaal bruin.

Ingrid vroeg zich verwonderd af of juffrouw Stava niet zien zou wat zij zag. Vrouw Zorg was geen mensch. Ze was maar een dier.

Vrouw Zorg opende de lippen, toen ze Ingrid zag, zoodat de tanden glinsterden.

„Toen zij daar hier aankwam,” zei ze tot juffrouw Stava, „geloofden jelui, dat ze gezonden was. Je zaagt het aan haar oogen, dat zij gezonden was om hem te redden. Zij had slag met krankzinnigen om te gaan. Nu, hoe is dat gegaan?”