Part 4
Daar waren alleen de predikantsvrouw en de dienstmeisjes thuis, juist zooals Ingrid gehoopt had. De predikantsvrouw had zich den geheelen morgen beziggehouden met het begrafenismaal. Nu verwachtte zij de gasten, maar nu was ook alles zoo goed als klaar. Ze was juist in haar slaapkamer geweest om haar zwarte kleeren aan te doen.
Zij keek den kerkweg op, maar nog kwam er niemand aanrijden. Toen ging ze nog eens naar de keuken om de gerechten te proeven. Ze was heel voldaan, want alles was goed gelukt en dat doet iemand toch altijd genoegen, ook al heeft men verdriet. In de keuken was maar één meisje en dat was een uit dezelfde gemeente als de predikantsvrouw, zoodat ze dikwijls vertrouwelijk met haar sprak.
„Mij dunkt, Lize,” zei ze, „dat ieder tevreden zou wezen met zulk een begrafenismaal.”
„Ik zou wel willen, dat ze ’t zien kon wat een eer u haar aandoet,” zei Lize. „Dat zou haar pleizier doen.”
„Ach neen,” zei de predikantsvrouw, „ik kon haar nooit pleizier doen.”
„Nu is ze dood,” zei ’t meisje, „en ik wil niets zeggen van iemand, die nauwelijks onder den grond ligt.”
„Ik heb dikwijls harde woorden van mijn man moeten hooren om harentwil,” zei de pleegmoeder.
De predikantsvrouw had behoefte om met iemand over de doode te spreken. Zij had gewetenswroeging gehad om harentwil en daarom had ze zulk een groot begrafenismaal klaar gemaakt. Ze meende, dat haar berouw door al die moeite, die ze gedaan had, wel zou overgaan. Maar dat was in ’t geheel niet gebeurd. En haar man had ook berouw en zeide, dat ze ’t meisje niet als een van hun eigen kinderen behandeld hadden, zooals ze toch beloofd hadden, toen ze het aannamen. En hij zei, dat ’t beter geweest was, dat ze haar nooit in huis genomen hadden, nu ze toch niet hadden kunnen laten haar te doen voelen, dat ze meer van hun eigen kinderen hielden. En nu had de pleegmoeder behoefte met iemand over ’t meisje te praten, om te weten te komen of de menschen ook vonden, dat ze haar slecht behandeld had.
Ze zag, dat Lize heftig in een pan begon te roeren, alsof ze met moeite haar ergernis bedwong.
’t Was een slim meisje, dat wel wist, hoe ze bij haar meesteres in de gunst kon komen.
„Men zou meenen,” begon Lize, „dat als men een moeder heeft, die altijd toeziet dat men heel en schoon is, dan moest men die willen gehoorzamen en haar pleizier doen. En als men in een goede predikantsfamilie wezen mag en als een dametje wordt opgevoed, dan moest men probeeren zich nuttig te maken en niet loopen suffen en droomen. Ik zou wel eens willen weten hoe het gegaan zou zijn, als u niet gekomen was en u ’t arme kind hadt aangetrokken. Dan had ze zeker rondgezworven met die koordedansers, en was op straat als een slet gestorven.”
Daar kwam een man de plaats over, met een zak op den rug, hoewel ’t Zondag was. Hij kwam stil door de geopende keukendeur en groette, toen hij binnenkwam. Maar niemand groette terug. De huismoeder en het dienstmeisje zagen hem allebei, maar toen ze zagen wie het was, bleven ze doorpraten. De predikantsvrouw wilde graag ’t gesprek voortzetten. Ze voelde, dat ze juist hooren zou, waar ze behoefte aan had, om haar geweten gerust te stellen.
„’t Is misschien maar goed, dat ze weg is,” zei ze.
„Ik wil Mevrouw wel zeggen,” zei ’t meisje levendig, „dat ik geloof, dat de dominé er ook zoo over denkt of ten minste er gauw genoeg zoo over denken zal. Nu komt er vrede in huis, dat zal Mevrouw wel zien. En daar zal de dominé ook wel blij om zijn.”
„Ach ja,” zei de pleegmoeder, „ik moest immers maat houden. Altijd moest er geld zijn voor haar kleeren. ’t Was al te gek. Hij was er zoo op gesteld, dat ze als de anderen gekleed zou gaan, dat ze soms nog meer kreeg dan zij. En ze had zooveel noodig, ze was al volwassen.”
„Nu laat Mevrouw Greta zeker haar neteldoeksche jurk dragen.”
„Ja, Greta krijgt die, of misschien neem ik die ook zelf.”
„Ze laat niet veel na, die stakker.”
„Niemand begeerde, dat ze veel na zou laten,” zei de pleegmoeder. „Men zou al blij zijn, als ze de herinnering aan een goed woord achterliet.”
Dat waren nu alleen maar zulke praatjes, die men houdt als men gewetenswroeging heeft en zich daartegenover verdedigen wil. ’t Was volstrekt niet, wat de pleegmoeder eigenlijk meende.
De man met de viool deed precies alsof hij wat kwam verkoopen. Hij bleef een poosje staan en zag rond in de keuken, legde toen heel voorzichtig den zak op de tafel en begon het hengsel en de riemen los te gespen. Toen keek hij nog eens rond om te zien, of hij ook overvallen kon worden door een kat of een hond, richtte zich op en begon de twee lederen deksels los te maken die met ontelbare gespen en knoopen vast zaten.
„Je hoeft dien zak niet open te maken vandaag,” zei Lize. „’t Is immers Zondag en dan weet je wel, dat we geen handel doen.”
Maar ze lette er niet verder op, dat de arme dwaas voortging de riemen los te maken.
Zij wendde zich weer tot de predikantsvrouw. Dit was een mooie gelegenheid om bij haar in een goed blaadje te komen.
„Ik weet niet eens of ze wel goed voor de kinderen was. Dikwijls hoorde ik ze schreien en jammeren in de kinderkamer.”
„Zooals ze tegen hun moeder was, zal ze ook wel tegen hen geweest zijn,” zei de predikantsvrouw, „maar nu schreien ze natuurlijk omdat ze dood is.”
„Ze kennen hun eigen best niet,” zei het meisje, „maar Mevrouw kan er wel zeker van zijn, dat over een maand niemand meer om haar schreit.”
Op dat oogenblik keerden zij zich van de pan af en zagen naar de tafel, waar de man met de viool zijn grooten zak stond open te maken. Ze hoorden een vreemd geluid—iets als een zucht of een snik. De man deed juist het deksel open en uit den zak kwam de pas begraven pleegdochter, juist zooals ze haar in de kist gelegd hadden.
Maar ze zag er zoo wonderlijk uit. Nu leek ze veel meer op een doode, dan toen ze haar neerlegden. Toen had ze nog meer de tint van een levende, nu was haar gezicht aschgrauw, blauwzwart om de lippen, en de oogen griezelig ingezonken.
Ze zei niets. Maar de grootste wanhoop lag op haar gezicht, en de hand waarin zij den mirten-bouquet hield, die ze van haar pleegmoeder gekregen had, strekte ze verwijtend en smeekend naar haar uit.
Dat was meer dan een mensch verdragen kon. De pleegmoeder viel onmiddellijk bewusteloos neer. ’t Dienstmeisje stond een oogenblik naar moeder en dochter te kijken, sloeg toen de handen voor de oogen en vloog naar haar kamertje, dat ze afsloot.
—„Neen,” zei ze, „om mij komt ze niet. Daar hoef ik niet bij te zijn.”
Maar Ingrid wendde zich weer tot den man met de viool. „Doe je zak weer dicht en breng me weg van hier. Hoor je? Hoor je ’t wel? O, breng me hier van daan. Breng me weer waar je me van daan gehaald hebt.”
Toevallig zag de man met de viool naar buiten. Daar kwam een lange rij wagens aanrijden de laan in en de plaats op. Neen! dan wilde hij hier niet blijven. Dat stond hem in ’t geheel niet aan.
Ingrid kroop ineen in den zak. Ze vroeg niets meer, ze snikte alleen. Het deksel ging toe: riemen en gespen werden vastgemaakt en ze werd opgelicht en weggedragen.
Zij die aan kwamen rijden, lachten hartelijk om den Geitebok, die zoo hard wegliep als hij kon en ieder paard, dat hem voorbijging, eerbiedig groette.
V.
Moeder Stine was een oude vrouw, die diep in het bosch woonde. Ze kwam helpen in de pastorie van zelf, alsof ze geroepen was zoodra er gebakken of gewasschen moest worden. ’t Was een vlugge, verstandige oude vrouw en zij en Ingrid waren goede vrienden. Zoodra het meisje weer denken kon, besloot ze bij haar hulp te zoeken.
„Hoor nu eens,” zei ze tegen den man met de viool, „als je op den grooten weg komt moet je ’t bosch ingaan. Loop dan door tot je aan een hek komt en sla dan links af. Dan ga je recht door tot je bij den grooten zandkuil komt. Daar vandaan kun je een huisje zien. Daar moet je me heen dragen en daar zal ik voor je spelen.” Die korte, gebiedende toon, waarin ze haar bevelen gaf, deed haar zelf pijn. Maar zóó moest ze wel tegen hem spreken; anders hielp het niet. Maar ze zei tegen zichzelf: „Ik ben wel de rechte om een ander te commandeeren, ik—die niet eens recht heb om te leven.”
Ze kon na ’t gebeurde nooit meer voelen, dat ze recht had om te leven. En dat was het ontzettende van wat haar overkomen was. Nu was ze zes jaar in de pastorie geweest en ze had zich niet eens zoo bemind kunnen maken, dat ze haar in ’t leven terug wenschten. En hij, dien niemand liefheeft, heeft geen recht op ’t leven. Ze zou niet hebben kunnen zeggen hoe ze wist, dat het zoo was, maar ’t sprak immers van zelf. Ze wist het doordat ze, zoodra ze hoorde, dat ze niet van haar hielden, een gevoel had gekregen, alsof een ijzeren hand haar om ’t hart gegrepen en ’t samen geknepen had, als om ’t te doen stilstaan. Ja, ’t leven was voor haar afgesloten geworden. En in ’t zelfde oogenblik, dat ze uit den dood was teruggekomen en de levenslust hoog en krachtig in zich had voelen opvlammen, was juist dat wat een mensch recht van bestaan geeft van haar weggerukt.
’t Was erger dan een doodvonnis. Veel erger! Ze wist wel waar ze ’t mee vergelijken kon. ’t Was als wanneer men een boom velt, niet op de gewone manier dat men den stam afhakt, maar dat men in plaats daarvan de wortels afsnijdt, en hem dan in den grond laat staan om van zelf te sterven. En dan staat die boom daar en begrijpt niet, waarom hij geen sappen en voedsel meer krijgt. Hij strijdt en worstelt om het leven, maar de bladen worden al kleiner, hij schiet geen nieuwe loten, de bast schrompelt. En hij gaat dood, omdat hij van de levensbron is afgesneden. Daarom kan hij niet voortleven.
Eindelijk zette de man met de viool den zak neer op een grooten steen bij dat kleine huisje, dat midden in ’t woeste bosch stond. De kamerdeur was afgesloten, maar zoodra Ingrid uit den zak kwam, zocht ze den sleutel in een gaatje onder den drempel, deed de deur open en ging naar binnen.
Ze kende de kamer zoo goed, met alles wat er in was. ’t Was niet voor ’t eerst, dat ze daar haar troost ging zoeken. ’t Was niet voor ’t eerst, dat ze bij de oude Stine kwam om te vertellen, dat ze ’t thuis niet uit kon houden; dat haar pleegmoeder zóó hard voor haar was, dat ze niet meer naar de pastorie terug wilde.
Maar telkens als ze kwam, had de oude zoo verstandig met haar gesproken en haar weer tot bedaren gebracht. Ze had afschuwelijke koffie voor haar gekookt, waar geen enkele koffieboon in was, enkel erwten en cichorei. En eindelijk had ze er haar toe gebracht om alles te lachen, zoodat ze dansend over de heuvels weer naar huis was gegaan.
Maar al was moeder Stine nu ook thuis geweest en al had ze haar leelijke koffie voor Ingrid gekookt, deze keer zou ’t niet geholpen hebben. De oude was in de pastorie op de begrafenis van het meisje, want de dominésvrouw had niemand vergeten uit te noodigen, van wie haar dochter gehouden had. Dat kwam zeker ook door haar gewetenswroeging.
Maar in de kamer van de oude Stine was alles zooals gewoonlijk. En toen Ingrid de versleten canapé zag, de houten kastjes, de blank geschuurde tafel en de kat en de koffiekan, toen was ze nog wel niet getroost en opgebeurd, maar wel voelde ze, dat ze hier aan haar smart den vrijen loop mocht laten.
’t Was een verlichting, dat ze nu aan niets anders hoefde te denken dan om uit te schreien en te snikken.
Ze ging naar de sofa, wierp er zich op neer en lag daar te schreien—hoe lang wist ze zelf niet.
De man met de viool zat buiten op den steen, hij wilde liever niet in de kamer gaan om de kat, hij wachtte tot Ingrid naar buiten zou komen om voor hem te spelen en hij had de viool al voor den dag gehaald. Toen ze nog niet kwam begon hij zelf te spelen.
Hij speelde heel zacht, zooals hij gewoonlijk deed. Binnen kon men ’t maar flauw hooren.
Ingrid voelde de eene rilling na de ander door haar lichaam gaan. Zoo had ze zich gevoeld toen ze ziek werd. Ze dacht wel dat ze weer ziek zou worden. ’t Was ook maar het beste, dat de koorts nu terugkwam en haar dood maakte—echt dood, voor goed!—
Toen ze ’t vioolspel hoorde, ging ze overeind zitten en zag met verwilderde oogen rond. Wie speelde daar? Was dat haar student?—Was hij nu eindelijk gekomen?—
Maar ze begreep gauw, dat het de man met de viool moest zijn, en met een zucht ging ze weer liggen.
Ze kon niet volgen wat hij speelde; maar zoodra ze de oogen sloot, nam de viool de stem van den student aan. Ze hoorde ook wat hij zei: hij sprak tegen haar pleegmoeder en verdedigde Ingrid. Hij sprak even mooi als toen tegen Mijnheer en Mevrouw Blomgren. Ingrid had zooveel behoefte aan liefde, zei hij. Dàt had ze gemist. Daarom kon ze niet op haar werk letten, maar gaf zich aan droomerijen over. Maar niemand kon begrijpen, hoe ze zou kunnen werken en sloven voor iemand, die haar liefhad. Voor zoo iemand zou ze zorg en ziekte, armoede en schande verdragen. Voor zoo iemand zou ze sterk als een reus en geduldig als een slaaf zijn.
Ingrid hoorde hem duidelijk spreken, en ze werd rustig. Ja zeker, dàt was waar. Als haar pleegmoeder haar maar had liefgehad, dan zou ze eens gezien hebben wat Ingrid kon! Maar omdat ze niet van haar hield, was Ingrid als met onmacht geslagen. Ja, zeker, zóó was het.
Ze voelde de koortsrillingen niet meer. Ze lag maar te luisteren naar wat de student zei.
Nu en dan sliep ze wel—want telkens meende ze dat ze in het graf lag en dan was het altijd de student, die haar uit de kist kwam ophelpen. Ze lag daar met hem over te praten. „Nu ik droom, kom je wel,” zei ze.
„Ik ben ’t altijd, die je helpt, Ingrid,” antwoordde hij. „Dat weet je immers wel. Ik neem je op uit ’t graf, ik draag je op mijn schouders. Ik speel voor je. Ik ben ’t altijd.”
Wat haar telkens stoorde en haar nu en dan wakker maakte, was de gedachte, dat ze op moest staan en voor den man met de viool spelen. Ze richtte zich verscheidene malen op om het te doen. Maar ze kon niet!—
Zoo vaak ze neerzonk op de sofa, droomde ze. Ze zat in elkaar in den zak en de student droeg haar door ’t bosch. Hij was ’t altijd.
„Maar dàt deed je toch niet,” zei ze.
„Ja zeker deed ik dat,” antwoordde hij en glimlachte bij haar tegenpraten. „Je hebt immers iederen dag in al die jaren aan me gedacht, dus kun je wel begrijpen, dat ik niet laten kon je te helpen in zulk een groot gevaar.”
Dat vond ze dat van zelf sprak, en zoo begon ze in te zien, dat hij gelijk had en dat hij ’t geweest was.
Maar dat was zóó zalig, dat ze weer wakker werd. En ze voelde hoe heel haar wezen vol was van liefde. ’t Was alsof ze werkelijk met hem, die ze het liefst had, gesproken had.
„Waarom komt hij toch nooit werkelijk!” zei ze halfluid. „Waarom komt hij alleen maar in mijn droomen!”
Ze durfde zich niet te verroeren. Dan zou dat gevoel van liefde weer weggaan. ’t Was alsof dat als een schuwe vogel op haar schouders zat en ze was bang het te verjagen. Als ze zich bewoog, zou de vogel wegvliegen en de smart weer macht over haar krijgen.
Toen ze eindelijk werkelijk wakker werd, was er een flauwe schemering in de kamer. Ze moest dus den heelen middag en avond geslapen hebben. Op dezen tijd van ’t jaar werd het niet donker voor tien uur.
’t Vioolspel had ook opgehouden. De man met de viool was zeker weggegaan.
Moeder Stine was nog niet gekomen. Ze zou zeker den heelen nacht wegblijven.
Dat kon het meisje niet schelen. Ze had nergens lust in, dan stil te blijven liggen en te slapen.
Ze was bang voor al ’t verdriet en de wanhoop die over haar kwam, zoodra ze wakker werd.—
Maar ze vond wat anders om over te denken. Wie had de deur dicht gedaan? Wie had moeder Stine’s groote shawl over haar heen gelegd en wie had een stuk hard brood naast haar op de sofa gezet? Had hij dat gedaan, de Geitebok?—
Een oogenblik was het haar, alsof de droom en het leven naast elkaar stonden en wedijverden om haar te troosten. En de droom stond daar zonnig en lachend en stortte het geluk der liefde over haar uit om haar op te beuren. Maar ook het arme, harde, moeilijke leven kwam met een klein stukje vriendelijkheid om te toonen, dat het ’t niet zoo slecht met haar meende als ’t kort geleden wel scheen.
VI.
Ingrid en moeder Stine liepen samen door het donkere bosch. Zij hadden vier dagen aan één geloopen en drie nachten in de huizen der veehoedsters geslapen. Ingrid zag er moe en vervallen uit; haar gezichtje was doorschijnend bleek, de oogen ingezonken en glinsterend van de koorts.
Moeder Stine zag haar nu en dan in stilte onrustig aan en bad God, dat Hij de krachten van ’t meisje toereikend zou maken, zoodat ze niet op ’t mos neerzinken en sterven zou. Nu en dan kon ze niet laten schuw om te kijken. Ze had een onveilig gevoel, alsof de oude Dood achter hen aansloop door ’t bosch om ’t meisje te grijpen, dat toch door Gods woord en de aarde die op de kist geworpen werd, hem toegewezen was.
Moeder Stine was klein en forsch, met een groot vierkant gezicht, dat er zóó verstandig uitzag, dat men er graag naar keek. Ze was niet bijgeloovig. Ze woonde alleen midden in ’t bosch zonder bang te zijn voor heksen of kabouters, maar terwijl ze daar zoo naast Ingrid liep, voelde ze, dat ze iemand bij zich had, die niet in deze wereld thuis hoorde. Dat gevoel was over haar gekomen, zoodra ze haar op dien Maandagmorgen in haar kamer gevonden had.
Ze was dien Zondagavond niet thuis gekomen, want in de pastorie was de dominésvrouw gevaarlijk ziek geworden en moeder Stine, die goed slag van zieken oppassen had, was bij haar blijven waken. Den heelen nacht had zij de dominésvrouw er over hooren ijlen, dat Ingrid haar verschenen was, maar dat had de oude vrouw niet geloofd.
En toen ze eindelijk thuis kwam, en ’t meisje gezien had, wilde ze dadelijk naar de pastorie terug gaan en hun daar zeggen, dat ’t geen spook geweest was, maar toen ze daarover sprak was Ingrid zóó wanhopend geworden, dat ze het niet had durven doen. ’t Leven was bijna weer van haar weggevloden als de vlam van een kaars, die dreigt uit te gaan in sterken tocht. Ze kon licht sterven als een vogel in een kooi. De dood ging nog uit om ’t meisje te rooven en men kon niet anders doen, dan op haar passen en heel voorzichtig zijn, als men ze in ’t leven wilde houden.
De oude wist niet zeker of Ingrid niet een uit de dooden teruggekeerde was, zoo weinig leven was er in haar. Zij beproefde niet eens verstandig met haar te praten. Zij schikte zich naar wat Ingrid verlangde, nl. dat niemand zou weten, dat ze nog leefde. En daarvan uitgaande beproefde de oude vrouw zoo wijs mogelijk te handelen. Ze had een zuster, die als huishoudster diende op een groote hoeve in Dalecarlië en ze besloot met Ingrid daarheen te gaan om haar zuster Stava te bewegen het meisje een betrekking op het landgoed te bezorgen. Ingrid moest tevreden zijn met de plaats van een eenvoudig dienstmeisje. Er was niets anders aan te doen.
En nu waren ze op weg naar het landgoed. Moeder Stine kende de streek daar zoo goed, dat ze niet langs den grooten weg behoefden te gaan, maar woeste boschpaden volgden. Maar daar waren ze slecht te pas gekomen. Haar schoenen waren scheef geloopen en versleten, haar rokken waren vuil en doorgestooten. Een kleine nijdige dennetak had een lange scheur in Ingrids mouw gemaakt.
Tegen den avond van den vierden dag kwamen ze op een heuvel aan den zoom van ’t bosch, van waar ze in een diep dal konden neerzien. Daar beneden lag een meer en bij den oever van het meer lag een hoog eiland, waarop een wit heerenhuis stond. Toen Moeder Stine dat huis zag zei ze, dat het de Monnikshut was en dat haar zuster daar diende.
Daar op dien heuvel maakten ze haar toilet. Ze knoopten den hoofddoek om, veegden de schoenen met mos af en waschten zich in de beek. En Moeder Stine legde een plooi in Ingrids mouw, zoodat de scheur niet te zien was.
De oude vrouw zuchtte, toen ze Ingrid aanzag en verloor alle hoop. ’t Was niet alleen, dat ze er zoo wonderlijk uitzag in de kleeren van Moeder Stine, die haar in ’t geheel niet pasten. Maar zuster Stava zou haar zeker niet in dienst willen nemen, zoo zwak als ze er uitzag. Ze kon even goed een windvlaag huren. ’t Meisje kon niet meer uitvoeren dan een zieke vlinder. Zoodra ze klaar waren, gingen ze den heuvel af, op het meer toe. Zoo kwamen ze op het landgoed.
Neen, dat was er ook een landgoed naar! Daar lagen groote, verwaarloosde akkers, waar ’t bosch bezig was overheen te groeien en ze vol boomen te zetten.
Daar was een brug naar het eiland, zóó wrak, dat ze bang waren, dat zij onder haar voeten zou inzakken. Daar was een laan van de brug naar ’t huis, dicht met gras begroeid en daar lag een omgewaaide boom dwars over den weg.
Toch was ’t mooi genoeg op ’t eiland, zoo mooi, dat er wel een slot liggen kon, maar in den tuin was geen een gekweekte bloem en in ’t groote park verstikten de boomen elkaar en zwarte slakken kropen over de groene, modderige paden.
Moeder Stine werd onrustig. Ze merkte het verval om zich heen op en mompelde iets in zichzelf. Hoe kwam dat? Zou Zuster Stava dood zijn? Laat ze alles zóó verloopen? Voor dertig jaar toen ik hier ’t laatst was, zag ’t er hier heel anders uit. Wat in de wereld bezielt Stava! Ze kon zich zulk een wanorde niet voorstellen op een plaats waar Stava was!
Ingrid kwam zacht en aarzelend achter haar aan. Op ’t zelfde oogenblik, dat ze over de brug gingen, had ze gevoeld, dat ze niet met hun beiden waren, maar met hun drieën.
Er was iemand, die haar daar tegemoet gekomen was, zich had omgekeerd en nu met haar meeging.
Ingrid hoorde geen stappen, maar ze onderscheidde duidelijk iemand naast zich. Ze kon zien, dat er iemand liep.
Ze werd vreeselijk bang en wilde Moeder Stine vragen om terug te keeren, haar zeggen, dat alles hier zóó tooverachtig was, dat ze niet verder durfde gaan. Maar eer ze nog iets zeggen kon, kwam de vreemde vlak bij haar en toen herkende ze hem.
Eerst had ze hem maar flauw kunnen onderscheiden, nu zag ze hem goed. Ze zag dat hij het was: de student.
’t Was nu niet akelig of spookachtig, dat hij naast haar liep. ’t Was heerlijk en feestelijk, dat hij haar tegemoet gekomen was. ’t Was alsof hij ’t geweest was, die haar hierheen gebracht had en haar dat wilde toonen, door haar hier te komen begroeten.
Hij ging met haar over de brug, door de laan en zelfs tot het woonhuis. Ze kon niet laten het hoofd telkens naar links te wenden. Daar zag ze zijn gezicht, vlak bij het hare. Eigenlijk zag ze geen gezicht, alleen een onuitsprekelijk lieven glimlach, die haar naderde. Maar wendde zij het hoofd heelemaal naar dien kant om ’t duidelijk te zien, dan was er niets. Neen, er was niets duidelijk te zien, maar zoodra ze recht voor zich uitzag, kwam het weer—daar vlak naast haar.
Hij, die daar bij haar liep, sprak niet, hij lachte alleen, maar dat was haar genoeg. ’t Was volkomen toereikend om haar te toonen, dat er één in de wereld was, die haar met teedere liefde omringde.
Ze voelde zijn nabijheid als iets zóó werkelijks, dat ze volkomen overtuigd was, dat hij haar beschermde en over haar waakte. En voor dat heerlijk gevoel week al de wanhoop, die door de harde woorden van haar pleegmoeder was gewekt.
Ingrid voelde zich op nieuw aan het leven weergegeven. Zij had recht te leven, omdat iemand haar liefhad. En zoo kwam het, dat ze de keuken op de Monnikshut binnentrad, met een teeren blos op ’t gezicht, en met stralende oogen. Wel heel fijn en teer, bijna doorschijnend, maar mooi als een pas opengegane roos.
Ze was als in een droom en wist bijna niet waar ze was, maar wat haar sterk verbaasde—zóó, dat ze er bijna wakker van werd, was dat daar ginds bij den haard een tweede Moeder Stine stond. Daar stond ze: kort en breed, met een groot vierkant gezicht juist zooals de andere. Maar waarom was ze zoo mooi, met een witte muts met een strik onder de kin vastgemaakt, en in een zwart bombazijnen kleedje? Ingrid was zoo duizelig en verward in ’t hoofd, dat er heel wat tijd voorbij ging eer ze begreep, dat het juffrouw Stava moest zijn.
Ze voelde hoe Moeder Stine haar onrustig aanzag en ze probeerde te groeten, maar ze kon op dit oogenblik alleen belang stellen in ’t feit, dat hij gekomen was.