Part 7
Toen ons viertal het chineesche kamp uittrad en de brug overstapte, die daar ter plaatse de Tjiliwong overspande, en toegang tot de Comediebuurt verleende, bespeurden zij dat het begon te droppelen.
„Kom, vooruit, vooruit!” sprak Van Diepbrugge. „Hier ben ik in bekende wereldoorden. Daar ginds, waar gij die lantaarns ziet, is het Waterlooplein! Vooruit! Kijk de lucht daar achter ons eens zwart zijn.”
De jongelieden stapten vooruit met al de veerkracht, die hunne jeugdige beenen toelieten. Weldra waren zij op dat plein. Zij hadden reeds het Groote Huis gepasseerd, toen eensklaps in de verte een geluid vernomen werd, alsof een rollende wagen snel naderde. Er viel zich niet te vergissen.
„Drommels, daar is de bui!” riep Piet Van Diepbrugge. „Kom, gauw hierin, anders worden wij kletsnat!”
Hij stormde met zijne makkers een weg in, die naar een der groote poorten voerde, die tot het Groote Huis, het paleis, dat Maarschalk Daendels voor zich bestemde, toegang verleende. Die poort was evenwel op dat uur van den avond gesloten, zoodat daaronder geen schuilplaats te vinden was.
„Kom, voort! voort! naar de Concordia!” riep Van Diepbrugge. „Hoort de bui eens naderen! over weinige minuten is zij hier.”
En het voorbeeld gevende liep hij naar een gebouw toe, dat zich naast het Groote Huis verhief, en uit welks ruime voorgalerij bundels lichtstralen het nachtelijke duister daarbuiten doorboorden, en van eene onbekrompen verlichting daarbinnen getuigden. Juist toen onze vier jongelieden den trap der voorgalerij bereikten, begon de regen met groote zware droppels kletterend neer te vallen. Een seconde later, dan waren allen druipnat geweest; want in een oogwenk gudste het water in dikke stralen van de daken, en zweepte de noordwestenwind den dichtvallenden regen over den weg, die weldra onder eene waterlaag bedolven, aan eene vuilgeele drabbige beek gelijk was, die snel stroomend de sloten allerwege vulde om zich rivierwaarts te spoeden.
Toen onze jongelieden de voorgalerij binnenstormden, zaten daar ettelijke officieren en burgers om eene groote ronde tafel, die het midden dier galerij besloeg. In het gebouw zelf zaten een aantal heeren om eene langwerpig ronde tafel, couranten en tijdschriften te lezen, terwijl enkelen zich vergenoegden de platen van verschillende illustratie’s te bekijken, zonder een enkel woord van den tekst in te zien. Verderop zaten ettelijke groepjes heeren om speeltafeltjes, en maakten een gezellig partijtje. In de zijvleugels stonden eenige biljardtafels, die druk omringd waren.
De „Concordia” was destijds en is nog altijd de officiers-sociëteit van Weltevreden, waarvan evenwel een groot aantal burgers van Batavia, zoowel civiele ambtenaren als handelaren, ook lid zijn.
De heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, die zich eenige dagen te voren in die sociëteit hadden laten introduceeren, naderden de ronde tafel in de voorgalerij, wisselden een groet met eenige bekenden, grepen twee stoelen en noodigden Herman en Frank insgelijks te doen en naast hen plaats te nemen. Deze laatsten, op het gezicht der officieren, die daar zaten, hadden het militair salut gemaakt, ontdekten zich daarna het hoofd, naderden bescheiden, evenwel met de vrijmoedigheid van mannen, die zich in dergelijke kringen weten te bewegen, maar verzochten toch hunne civiele vrienden hen eerst te introduceeren.
„Mag ik u verzoeken, mijnheer Abbema, onze vrienden, de heeren Riethoven en Brinkman, in het introductieboek in te vullen,” wendde zich Slierendrecht tot een jeugdig ambtenaar, die in den kring zat, en even als al de anderen de voeten gemakkelijk op een ijzeren stang geplaatst had, die tot dat doel op een paar voet boven den grond aan de tafelpooten bevestigd was, en derhalve eene hoepel daarom daarstelde,
„Sapada! kassi boekoe nama!” (aannemen! geef het introductieboek!) riep de heer Abbema bereidwillig.
Hij werd evenwel in zijne goede voornemens gestuit door een gezet heer van middelbaren leeftijd, die daar zwijgend tusschen de jongelieden zat, en zich slechts onledig scheen te houden met kolossale rookwolken, die hij uit zijn manilla-sigaar zoog, uit te blazen, en van tijd tot tijd een wippertje aan zijn bitterglaasje te proeven, dat voor hem op de tafel stond. De man was van top tot teen in het wit gekleed, witte das, waaruit de punten van een paar staande vadermoorders te voorschijn traden, die langs ’s mans ooren den weg naar zijn oogen schenen te zoeken, wit jasje, wit vest met overdikke gouden horlogeketting, wel geschikt om een dog aan vast te leggen, witte pantalon, natuurlijk witte kousen, die bijna niet te onderscheiden waren van de lage witte zeildoeksche schoenen, die almede op den ijzeren hoepel der „kletstafel” rustten. Zijn gelaat was aschgrauw, bloed- en kleurloos, alleen zijne oorboorden waren vuurrood. De man scheen zich tot type gesteld te hebben in zijn gelaatstrekken eene onverstoorbare deftigheid en voornaamheid te vertoonen.
„Mijnheer Abbema,” sprak hij met indrukwekkende stem en een gebaar, alsof hij doceeren wilde, „mag ik u in herinnering brengen, dat het hier geen militaire cantine is.”
De heer Abbema scheen verschrikt en verlegen bij die opmerking, vooral toen een paar andere niet minder gezette heeren, ook in witte jasjes gekleed, in de nabijheid gezeten door knikken hunnen bijval betuigden. De beide onderofficieren traden een pas achteruit, alsof zij zich in weerwil der stortbui wilden verwijderen, waarin zij evenwel door een officier, die opgesprongen was en hen naderde, verhinderd werden.
„Maar, mijnheer,” bracht Slierendrecht in het midden, „een fatsoenlijk man mag toch wel bij fatsoenlijke lieden geïntroduceerd worden, niet waar?”
„Let wel op, wat ik zeg, mijnheer,” hernam de toegesprokene met de meest mogelijke deftigheid. „Ik heb alleen den heer Abbema in herinnering gebracht, dat het hier geene militaire cantine is.”
„Met wie hebben wij het genoegen te spreken?” vroeg Van Diepbrugge, die zich noemde en de namen zijner vrienden Slierendrecht, Brinkman en Riethoven noemde, en hen met een gebaar voorstelde.
„Ik ben de directeur Endelbuis, de directeur van binnenlandsch bestuur!”
De toon, waarop die woorden gesproken werden, klonk zoo hooghartig, zoo aanmatigend, dat zij niet anders zouden geklonken hebben, wanneer de heer Endelbuis het „quos ego” van Neptunus had moeten uitspreken om de verwoede golven tot bedaren te brengen, wanneer hij had moeten verkondigen, dat hij de Heer van hemel en aarde in persoon was. De beide jeugdige ambtenaren ter beschikking verbleekten gedurende een ondeelbaar oogenblik. Zij bevonden zich daar voor een der machtigen van Nederlandsch-Indië, voor hunnen hoogsten chef en, zóóveel hadden zij reeds van het leven in dit land vernomen, dat het niet goed was, zoo iemand te weerstreven. Hunne edele natuur hernam evenwel de bovenhand.
„Gij kunt toch niet willen, niet bedoelen, mijnheer de directeur,” sprak Van Diepbrugge diepbuigend, „dat die beide onderofficieren in dit hondenweer naar buiten moeten, terwijl wij hen uitnoodigden hier te schuilen.”
„Ik wil en bedoel niets, mijnheer,” antwoordde de heer Endelbuis, terwijl hij den duim en wijsvinger der rechterhand te zamen bracht, en daarmede bewegingen volbracht, alsof hij spelden in de tafel wilde tikken, terwijl de drie overige vingeren dier hand sierlijk trapsgewijs omhoog gericht waren. „Ik wil en bedoel niets. Ik herhaal het, ik heb den heer Abbema alleen willen herinneren, dat het hier geene militaire cantine is. Voor u wil ik de opmerking er bijvoegen, dat ik niet goedkeuren kan, dat de aanstaande ambtenaren van binnenlandsch bestuur hun gezelschap bij onderofficieren zoeken!”
„Dat gaat te ver!” riep de officier, die de beide sergeanten genaderd was, en hun intusschen de hand gedrukt had. „Dat gaat te ver! Ik neem die beide mannen onder mijne hoede, en ik raad een ieder, al is het ook een directeur van binnenlandsch bestuur, ernstig aan, zich te onthouden van hen nog een woord toe te voegen dat kwetsend mocht luiden!”
Het was luitenant Leidermooi, onze oude kennis van de Fernandina Maria Emma, die trillend van verontwaardiging opgevlogen was, bij de bejegening, die de beide onderofficieren ondergingen.
Frank en Herman stonden doodsbleek daar, hunne lippen trilden, hunne oogen schoten vuur, toch was er een onbeschrijfelijk weemoedige trek op hun gelaat waarneembaar. Kalm antwoordde Herman, met dankbare warmte in zijne stem:
„Wij danken u, luitenant Leidermooi, voor uwe tusschenkomst en voor uwe toegezegde bescherming bij verder kwetsende woorden. Wij hebben in dit oogenblik een onzer meerderen leeren kennen, omkransd met den nimbus, zooals ik mij hen allen steeds omstraald voorstel, namelijk gereed om steeds voor hunne minderen in de bres te springen. Nogmaals wij danken u! Maar....” liet hij er vervolgens ijskoud op volgen, „gij spraakt van kwetsen. „Les humiliations sont en général ce qu’on les fait soi-même par la manière de les prendre. Si l’on se montre blessé elles blessent, si l’on les accepte comme une simple condition des choses, elles relèvent au lieu d’abaisser.” De heer Endelbuis zal ons veroorloven ons naar die uitspraak te gedragen. Zij werd verkondigd door den heer A. Thiers [62] een man van meer gewicht in de wereld dan ooit een ambtenaar in Nederlandsch-Indië zal verkrijgen.”
„Braaf gesproken!” liet eene stem zich achter de jongelieden hooren, terwijl een hand op Hermans schouder terecht kwam.
Het was kapitein Van Dam, die, aan een speeltafeltje gezeten, door de discussie, welke in de voorgalerij gevoerd werd, naar buiten gelokt was, en juist het antwoord van sergeant Riethoven opving.
„Braaf gesproken!” herhaalde hij. „Toen de heer Endelbuis hem geheel onbekende lieden, die door fatsoenlijke mannen hier binnengeleid werden, zoo bejegende als hij gedaan heeft, welke handeling slechts aan zijn almachtswaanzin toe te schrijven is, kon hij de betrokken personen niet kwetsen, en was hij geen ander antwoord waard dan hij ontvangen heeft. Kom, jongelui, ik ben een oud lid van Concordia; ik zal de eer hebben u te introduceeren. Sapada! Kassie boekoe nama!”
„Anders, zal ik het wel doen!” riepen verscheidene stemmen, waaronder die van een paar hoofdofficieren.
„Dank u heeren! het is reeds geschied,” sprak Van Dam dankbaar.
De directeur Endelbuis stond op en stapte in zijn rijtuig, pruttelende: „ik zal mij veroorloven de directie der sociëteit opmerkzaam te maken, dat de Concordia geen militaire cantine is.”
Hij werd door de andere heeren, die hunne goedkeuring aan zijn ongepasten uitval verleenden, bij zijn terugtocht op den voet gevolgd. Menige schampere glimlach vervolgde hem; de tegenwoordigheid der onderofficieren hield evenwel de jongeren in bedwang om hunne gevoelens op andere wijze lucht te geven.
Onze beide sergeanten brachten nu een zeer genoegelijk uurtje te midden van dat gezelschap aan die „kletstafel” door. Toen het evenwel tijd werd, om heen te gaan, ten einde op het avondappel present te zijn, riep kapitein Van Dam,—daar het nog steeds regende,—den koetsier van het huurrijtuig, dat hem naar de sociëteit gebracht had, en beval hem de jongelieden naar hun kampement te rijden.
Terwijl het rijtuig den korten weg aflegde tusschen de kazerne en de Concordia, mompelde Riethoven in zich zelven:
„De kapitein had gelijk dezen morgen, toen hij zeide: l’abnégation du guerrier est une croix plus lourde, que celle du martyr. Welk eene bejegening! en dat van een regeeringslid! ten opzichte van militairen, die toch in eene kolonie onmogelijk te ontbeeren zijn! Hier zit ook al de wijsheid niet ten troon.”
VI.
INDEELING.—OP PASSAR SENIN.
Volle veertien dagen gingen voorbij, alvorens de indeeling van het detachement, aangebracht door de Fernandina Maria Emma, bij de bureaux van het Militaire Departement was tot stand gebracht. Bij aankomst van zoo’n troep waren dan ook destijds de werkzaamheden talrijk; want er moest op zoovele aanvragen en verlangens gelet, en die in verband zoowel met de belangen van de dienst als van de betrokken personen gebracht worden. Nauwelijks toch was zoo’n detachement geland of staten werden gevraagd van de verschillende ambachten of bedrijven, die door de manschappen voor hun in diensttreden beoefend waren; en waren die eenmaal ingediend, dan regende het aanvragen van allerlei aard. De kapelmeester van de stafmuziek had gebrek aan een paar esklarinetten, en had vernomen dat een paar artisten onder de nieuw aangekomenen waren; de sergeant hoornblazer van een der bataillons op Batavia kwam in concurrentie met de stafmuziek, wel niet voor een esklarinet, maar bij zijne kapel ontbrak een saxhoorn, en hij verzekerde den luitenant-adjudant van het bataillon, dat die nu kers-versch uit Europa was aangekomen. Ja, maar die luitenant-adjudant had aan meer te denken dan aan dien ontbrekenden saxhoorn; de korporaal schoenmaker van het korps drong op het bekomen van werklieden aan, hij kon onmogelijk de reparatie af. Zeker waren er schoenmakers bij het aangekomen detachement, maar bij andere korpsen was ook gebrek; de zadelmakers bij de veld- en bergbatterijen en het regiment Oost Indische kavalerie hadden werklieden noodig; de artillerie-constructiewinkel deed ook zijn eischen hooren. En zoo ging het met ieder handwerk, met ieder bedrijf. De genie had behoefte aan timmerlieden, aan smeden, aan aardwerkers, aan ververs; de artillerie en kavalerie aan hoefsmeden; de bureaux van het militair departement en van de intendance aan schrijvend personeel; de chef van den geneeskundigen dienst liet informeeren of er geen apothekers-leerlingen of geen hospitaal-oppassers onder de nieuw aangekomenen schuilden. Zelfs van de civiele diensten kwamen aanvragen in. Zoo vroeg b.v. het departement van Burgerlijke openbare werken, of er geen teekenaars beschikbaar waren. Zoo informeerde de chef der telegrafie of er geen ontwikkelde jongelieden bij dien tak van dienst wenschten over te gaan. En die allen vroegen met nadruk en klem en deden bij hunne aanvragen ’s lands belangen hard klinken.
Toen dan ook de indeeling tot stand gebracht was, en uitgevoerd zoude worden, spatte het detachement, door de Fernandina Maria Emma aangebracht, uit elkander, en restte maar een betrekkelijk heel klein gedeelte van die 180 mannen om bij de infanterie, bij die reine des batailles, die er toch het meeste behoefte aan had, over te gaan. Maar ook dezen werden heinde en verre verspreid en, zoo zoude weinige dagen later een troepje op reis zijn naar Padang of naar Palembang, een ander naar Riouw of Pontianak, een derde naar Semarang, een vierde naar Soerabaja, waarvan er weer enkelen of naar Bandjermassin, of naar Makassar of naar Amboina vertrokken, van al welke plaatsen er weer naar onderhoorige plaatsjes gezonden werden; zoodat weinige weken later dat detachement, hetwelk zeventig dagen door de Fernandina Maria Emma geherbergd was geworden, in de binnenlanden van Java, Sumatra, Borneo, Celebes, enz. enz. allerwege vertegenwoordigd werd.
Van de onderofficieren, die aan boord waren, werden verscheidene opgenomen in het aanbevelingsregister bij het Militair Departement, als geschikt om bij voortdurend goed gedrag en bij voldoenden dienstijver voor eene plaatsing bij de Militaire School te Meester Cornelis in aanmerking te komen. Dat onder die gelukkigen Frank Brinkman en Herman Riethoven behoorden, is buiten kijf. Kapitein Van Dam had omtrent hun gedrag bij de muiterij aan boord naar waarheid gerapporteerd, en daarbij zoo’n gunstig verslag omtrent de ontwikkeling en beschaving dier jongelieden gegeven, dat die opname in bedoeld aanbevelingsregister op last van den legerkommandant geschied was. Wel had zich in de eerste dagen van verblijf te Batavia de ingenieur, chef der telegrafie, bij de beide jongelieden vervoegd en hun zeer aannemelijke voorstellen gedaan om bij dien tak van dienst, die destijds op Java in staat van wording verkeerde, over te gaan, maar beslist hadden de beide onderofficieren die aanbiedingen dadelijk en zonder aarzeling van de hand gewezen; hoewel die ingenieur er op aangedrongen had, zijne voorstellen eenige dagen in beraad te houden.
„Neen,” sprak Herman, toen later die zaak tusschen de twee jongelieden ter sprake kwam, „ik heb eenmaal de uniform aangetrokken, ik wensch in die uniform begraven te worden. Ik heb den militairen stand lief gekregen.”
„Anders, die paar nachten in de arrestlokalen van het depot doorgebracht, en de kort daarop gevolgde bejegening in de Concordia zijn wel geschikt om iemand te ontnuchteren.”
„Frank,” hernam Herman, terwijl hij zijn vriend bij de hand greep, „er is een tijd geweest, dat wij dweepziekvol droomden om ons leven aan den altaardienst te wijden. Zeg, als wij het priesterkleed aangetrokken hadden, zouden wij dan ook niet een leven vol lijden, vol miskenning te gemoet getreden zijn, waarbij de zelfverloochening, waarvan kapitein Van Dam sprak, even noodig zou geweest zijn als bij de loopbaan, die wij thans ingetreden zijn. Herinnert ge u nog de fraaie verzen van Dechamps in zijn brief „à mon frère missionnaire redemptoriste”:
„Prêtre, tu fus choisir pour chambre nuptiale La cabane du pauvre, et pour baiser le râle D’un mourant sur son lit par le chaume abrité; Et, scellant sur ton front Son divin caractére, Dieu sacra de Sa main, dans ce profond mystère Ta sublime paternité.”
„En verder:
„Retourner l’indigent sur son lit de souffrance, Avoir toujours des mots d’amour et d’espérance Pour ces maux que le coeur recèle dans ses plis. Verser une eau du Ciel sur toutes les blessures, Et puiser le pardon de toutes les injures Aux genoux de ton crucifix.”
„En verder, verder nog!”
Herman’s stem trilde van aandoening en opgewondenheid:
„A ton habit de prètre, inspirés par la haine, Leurs yeux n’auront pour toi qu’une rage inhumaine, Et les petits enfants te suivront de leurs cris!... Mon frère, ah! cette idée amère me déchire. Que tu sois le jouet d’une foule en délire. Et qu’un homme ait pour toi des regards de mépris.”
„Zeg Frank,” ging Herman met klimmenden hartstocht voort. „Zeg, als wij die woorden zoo hooren, en wij ons de bejegeningen, die ons reeds wedervoeren en de liefderijke woorden van den legerkommandant bij de inspectie, en de bemoedigende woorden van kapitein Van Dam bij iedere gelegenheid herinneren, komt dan niet bij je op, dat de uniformjas en de priestersoutane, hoewel in vorm en snit veel van elkander verschillende, toch dat met elkander gemeen hebben, dat zij wier borst daardoor bedekt worden, geroepen zijn om goed, veel goed rondom zich te verspreiden! om te verbeteren wat de maatschappij bedierf; maar dat zij beide aan miskenning, aan wreede miskenning bloot staan?”
„Maar, lieve dweeper....” trachtte Frank die opgewondenheid te stuiten.
„Laat mij voortgaan, ik bid je Frank! Vindt ge niet, wanneer wij zoo iemand als kapitein Van Dam in zijn omgang met zijn ondergeschikten kunnen waarnemen, dat de officiersstand het priesterschap nabij komt, eigenlijk een priesterschap is. Mij dunkt dat die man op het oorlogsterrein voor den vijand zeer geducht moet zijn; maar voor zijne ondergeschikten een zorgvolle meerdere, die hunne behoeften meer zal behartigen, en zich omtrent hunne ontberingen meer zal bekommeren dan omtrent de zijne. Ziet ge, als ik zoo bij tijden de toekomst vooruitsnel en mijn geest op toekomstige slagvelden waart, dan na afgeloopen gevecht zie ik dien edelen chef zich over de gewonden heenbuigen, hen laven en toespreken, en dan klinkt dat heerlijke vers van Dechamps mij in de ooren, waarin mijn gemoed slechts een paar woorden verandert:
„Il tenait dans ses mains sa tète défaillante, Pour verser un peu d’eau sur sa lèvre brulante; Il essuyait le sang fuyant avec la vie; Et il disait tout bas des mots a son oreille, Ces mots qui font revivre un peuple qui sommeille: Divins mots de Drapeau, d’amour de la patrie!”
Geestdriftvol waren die verzen voorgedragen. Met den nimbus—die door de dankbaarheid den kapitein Van Dam verleend werd,—was werkelijk het karakter van dien officier de hulde gebracht, die het verdiende. Zeker, die man zou op het gevechtsterrein na volbrachte taak zich ten einde toe van zijnen plicht kwijten, en aan zorgen voor zijne ondergeschikten zou het hem niet ontbreken.
„Maar....” vervolgde Herman, nadat beiden een oogenblik na die laatste ontboezeming gezwegen hadden, „maar.....gij spraakt van ontnuchtering door dat verblijf in dat arrestlokaal, van ontnuchtering door die bejegening van den heer Endelbuis. Zijt gij ontnuchterd? ... Waarom dan de voorstellen van den chef der telegrafie niet aangenomen?”
„Waarom?... waarom? Wel, omdat ik Adelien beloofd heb, als tweede luitenant om hare hand te komen vragen; omdat ik die epauletten, die mij zoo trotsch zullen maken, aan hare voeten wil leggen, om mij daarna onder de leiding van haren vader, in het landbouwvak te bekwamen. Neen, ik wil mijn doel bereiken, ik wil Adelien waardig worden!”
„Maar, zoudt gij dat ook niet kunnen, door telegrafist te worden? Gij zoudt wellicht spoediger uw doel bereiken.”
„Laat af met die verleidelijke taal! Welk denkbeeld zou de heer Groenewald, welk Adelien zelve zich bij zoo’n veranderlijkheid van mijn karakter moeten maken? Mij dunkt geen groot. Ik had dan even goed het voorstel van den vader kunnen aannemen en opzichter op een zijner ondernemingen worden, dat zou mij het doel nog beter naderbij gebracht hebben. Ik heb het er evenwel op gezet om als luitenant mijne opwachting bij haar te maken, wie mijn hart onverdeeld toebehoort, bij leven en gezondheid zal ik in dat voornemen niet falen.”
„Dan vooruit op de baan, die wij ons afgebakend hebben! En geen oor geopend voor het aanlokkelijke der voorstellen, die ons wellicht nog gedaan zullen worden!”