In het land der zon

Part 6

Chapter 63,659 wordsPublic domain

Onze beide baren besloten nog eene wandeling te maken, alvorens huiswaarts te gaan. Zij hadden daartoe een paar uren beschikbaar, alvorens dat het avondappel zoude geroffeld worden. Het geluk diende hen. Toen zij de Sluisbrug betraden, die bij de Citadel Prins Frederik den oostelijken tak der Tjiliwong overspant, ontmoetten zij de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge, hunne reisgenooten van de Fernandina Maria Emma, die in gezelschap van een hunner bekenden, welke zijn leven te Batavia doorbracht, eene avondkuiering maakten. Na een handdruk gewisseld te hebben, vernamen de beide ambtenaren ter beschikking dat hunne reisgenooten even als zij een paar uren aan eene wandeling wenschten te wijden en noodigden hen derhalve uit die gezamenlijk te maken.

„Wij hebben hier in den heer Patimana een uitmuntenden gids,” zei Piet Van Diepbrugge, na de twee onderofficieren aan dien heer voorgesteld te hebben, „die ons beloofd heeft, ons een belangwekkend gedeelte van het nieuwe Batavia te laten zien.”

De heer Patimana boog bij die woorden. Hij had evenwel bij de voorstelling een vreemden blik op de beide sergeanten geslagen. Hij was volgens zijn naam van Portugeeschen oorsprong; maar scheen door zijn gelaatskleur en zijne wezenstrekken zoo nauw verwant aan den Javaanschen volksaard, dat de gedachte niet kon verbannen worden, dat zijn geslachtswapen, wanneer het een duizendkunstenaar mogelijk ware, dat in volle glorie te voorschijn te roepen, verscheidene dwarsbalken zoude vertoonen.

Van geslacht tot geslacht waren de leden van de familie Patimana als ingezetenen van Batavia te beschouwen geweest. Overgrootvader, grootvader, vader en zoon waren ambtenaren geweest, weleer van de Edele Compagnie, thans van het gouvernement. De pen was bij hen allen in eere, en was die dan ook in hunne handen tot een kunstvaardig werktuig geworden, waarmede zij meesterstukken op het gebied van schoonschrijven vervaardigden en vervaardigd hadden. Maar die familie-loopbaan van penridder had hun eene armzalige meening doen opvatten ten opzichte van een ieder, die tot de civiele ambtenaarswereld niet behoorde, die zijne lafenis niet vond aan de zwarte bron van den officiëelen gouvernements inktkoker, hij mocht dan koopman, industriëel, planter of soldaat zijn. Maar vooral had deze vertegenwoordiger van dat doorluchtig geslacht een zekeren afkeer van militairen beneden den rang van officier.

„Dat zijn lieden,” zei hij, wanneer hij zich daarover uitliet, „die niet als „mijnheer” in het land waren gekomen.”

Van daar zijn vreemdsoortige blik op de twee onderofficieren, die dezen bij het avondduister evenwel gelukkig niet opvingen. Toen de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht de beide sergeanten de hand met warmte drukten, maakte mijnheer Patimana van den nood eene deugd, stak hun zijne hand ook toe en zette zijn gezicht in de meest mogelijke vriendelijke plooi.

„Zeker oude schoolkameraden?” vroeg hij.

„Volstrekt niet,” antwoordde Piet Van Diepbrugge. „Wij maakten kennis aan boord van het schip, dat ons herwaarts bracht. Is het zoo niet, heeren?”

„Ik ben zonder schip in het land gekomen,” antwoordde Patimana luidkeels lachende.

„Dat is jammer,” betuigde Slierendrecht. „Het leven aan boord is wel geschikt om elkander grondig te leeren kennen en daardoor den hoeksteen te leggen van menig trouw vriendschapsverbond.”

„Wij althans hebben daar de heeren Riethoven en Brinkman leeren kennen en waardeeren,” voegde Van Diepbrugge er bij, „en wij hopen dat onze kennismaking niet met het eindigen der reis afgebroken zal zijn.”

De Portugeesche afstammeling meesmuilde, maar zweeg zeer verstandig.

„Is er al iets omtrent uwe bestemming bekend?” vroeg Riethoven aan de beide ambtenaren.

„Officiëel nog niets,” antwoordde Slierendrecht, „maar daarom weten wij het toch.”

„Hoe dat zoo?”

„Hier, onze vriend Patimana is kommies ter secretarie, en die heeft ons....”

„Sjt!....” sprak de Portugees. „Dat zijn zaken, die niet aan de groote klok mogen gehangen worden. Wat zijn die „tottokhs” [54] toch babbelkousen!”

„Maar, mijnheer Patimana,” sprak Riethoven met een glimlach, „wanneer die heeren ons vertellen, waarheen hunne bestemming hen voeren zal, is dat dat nieuws niet aan de groote klok hangen?”

„Het mocht wat,” pruttelde de verre afstammeling van een der landgenooten van Vasco da Gama. „Jullie Europeanen zijt nog praatzuchtiger dan een oude nenèh.”

Hij vergat bij die oordeelvelling, dat hij zich gehaast had van de wetenschap, op zijn bureau opgedaan, aan zijne nieuwe vrienden mededeeling te doen, en hij dus het meest aanspraak op die vergelijking met eene oude nenèh had.

„Wij beloven stipte geheimhouding; maar gaat nu voort met uwe mededeeling omtrent uwe bestemming,” sprak Riethoven.

„Ik ben ter beschikking gesteld van den Resident van Cheribon,” sprak Piet Van Diepbrugge.

„En ik van den Resident van Madioen,” vulde Slierendrecht aan.

„Vergeeft mijne geringe aardrijkskundige kennis,” zei Brinkman, „maar waar liggen die beide Residentiën? Nergens wordt minder de kennis van onze Oost-Indische bezittingen aangekweekt dan in de inrichtingen, waar wij beiden onze opleiding genoten hebben.”

„Cheribon ligt aan de Java-zee en behoort tot het zoogenaamde Westjava,” antwoordde Van Diepbrugge.

„Is dat dicht bij den Lawoe?” vroeg Brinkman andermaal.

„O, olijkert!” lachte de andere, „ik begrijp die vraag. Ligt Wilatoong niet op de helling van dien vulkaan?”

Frank knikte toestemmend.

„Daar komt mijnheer Slierendrecht dichter bij,” lichtte Patimana toe. „Hij gaat naar Madioen, dat tusschen de vulkanen Lawoe en Willis inligt. Het zou mij niets verwonderen of gij wordt te Magettan geplaatst, dat op de oostelijke helling van eerstgenoemden berg ligt. Er is eene vacature daar bij de koffiekultuur.”

„Gelukkige sterveling!” mompelde Frank binnensmonds. „En wanneer is uw vertrek bepaald, mijnheer Slierendrecht?” vroeg hij dezen.

„Dat is nog niet bepaald. Ik heb mijne officiëele benoeming nog niet, en hoor, dat die nog wel tien dagen kan uitblijven.”

„Nu, zoolang wel niet,” antwoordde Patimana glimlachend. „Maar is die er eenmaal, dan vertrekt gij ook met de eerste gelegenheid. Denkt ge, dat het gouvernement „por tjoema” (voor niemendal) traktement en verblijfkosten uitbetaalt?”

„Voor dien tijd zie ik u nog wel, mijnheer Slierendrecht,” sprak Brinkman.

„Dat hoop ik,” antwoordde deze. „Maar, is omtrent u beider bestemming nog niets bekend?”

„Neen, wij zijn nog niet ingedeeld,” zegt Riethoven.

„Och, bij dien soldatenwinkel gaat alles zoo’n slakkengang,” pruttelde Patimana. „Men moest het geheele militaire departement maar tot een onderdeel maken van de secretarie, dan zoudt gij eens zien, hoe die rommel meer voortvarend zou marcheeren!”

Onze onderofficieren keken elkander met een glimlach aan. Dat een „buikje” [55] zich zoo’n oordeelvelling aanmatigde wekte hun spotlust op. Zij waren evenwel te goed opgevoed om dien bot te vieren. Daarenboven zij misten nog de noodige ondervinding om met vrucht op te treden. Zij zwegen dus, maar zij zouden op dat gebied nog wel meer beleven.

Ons vijftal was inmiddels voortgestapt. Zij hadden Noordwijk, dat tegenover Rijswijk aan de andere zijde der rivier ligt, gedeeltelijk afgewandeld en sloegen, geloodst door Patimana, Gang Petjanongan in, die schuin tegenover het Java-hotel nagenoeg loodrecht eerstbedoelden weg snijdt. Het was een eigenaardige buurt, die men thans binnentrad. Was de verlichting reeds schraal te noemen op de hoofdwegen van de hoofdplaats van Nederlandsch-Indië, hier schitterde zij nagenoeg door geheele afwezigheid. Slechts hier en daar, maar op overgroote afstanden van elkander, bevonden zich bij de ingangen van dwarslanen, die Gang Petjanongan sneden, aangewitte palen, iets hooger dan eene mans lengte, waarop ellendige wrakke kleine lantaarns prijkten, nu eens rood dan weer groen of blauw geverfd, met smerige berookte glazen, waarin een nachtlampje een walmend vlammetje liet zien, welks lichtkring uiterst begrensd was. Toch was die gang eene flinke breede hartader, die door eene dichtbevolkte buurt naar Sawah Bazar voerde, welke laatstgenoemde heerbaan met Gang Ketapan, met Krokok, met Pinto Bessi, met de zoogenaamde Defensie-lijnen van den Bosch, met Parapattan en met Kebong Sirih de boulevards van Weltevreden vormden en die voorstad van Batavia ook in een groot onregelmatig vierkant besloten.

Die buurt, die onze wandelaars thans betraden, werd de wijk der smalle gemeente genoemd. Hierbij valt zich volstrekt geen tafereel voor den geest te halen, zooals de achterbuurten onzer groote steden aanbieden. Integendeel, alles wees hier op een zekere soort van welvaart, op reinheid en netheid, die met de niet ver af liggende kampongs der inlanders zoo’n kontrast maakten. Wel werden hier geen paleizen, geene vorstelijke gebouwen aangetroffen, zooals langs het Koningsplein en te Salemba, wel werden hier geene weelderige zuilenrijen en marmeren vloeren ontwaard; maar toch maakten al die kleine huizen met hare zindelijk witte muren, met hare voorgalerijen, waarin op dit uur allerwege helder brandende hanglampen onder de schier onmerkbare avondbries zacht heen en weder wiegelden, een uiterst prettigen indruk, waartoe de smaakvolle en bloemrijke tuintjes, die de meeste dier huizen omgaven, en de hooge schaduw- en vruchtboomen, die hare kruinen boven de daken dier woningen welfden, en over dag de brandende stralen der dagvorstin afweerden, en frischheid en afkoeling bevorderden; maar zich thans dichterlijk geheimzinnig tegen den donkerblauwen keerkrings-hemel met zijne myriaden sterren afteekenden, het meeste bijdroegen.

Onze wandelaars bekeken en bewonderden ook wel die woningen met hare omgeving, die toch niet te versmaden waren; maar vooral trokken de bewoners dier huizen, die zich thans schier allen in hunne voorgalerijen bewogen, om de frischheid van de avondlucht met volle teugen te genieten, hunne aandacht. Weinige paggers (heggen), die de erven gewoonlijk van den openbaren weg afscheidden waren zoo dicht, en de sierstruiken in de tuintjes waren nimmer zoo talrijk, om den bespiedenden blik van buiten te kunnen afweren. En het was een aardig volkje, wat daar waar te nemen viel. Verreweg het grootste gedeelte van die bevolking behoorde tot het gemengde ras, hetgeen voornamelijk door de kleur der huid verraden werd. Maar daaronder bevonden zich ook blanken, creolen uit volbloed Europeesche ouders geboren, of Europeanen met een schip in het land gekomen, zooals dat destijds heette. Het waren in den regel ambtenaren en klerken op de Gouvernements-bureaux beneden een traktement van ƒ 150 ’s maands.—Die daarboven ging, achtte zich te groot om in Gang Petjanongan en aangrenzende te wonen, en zocht eene meer aanzienlijke buurt.—Het waren geëmployeerden op de koopmanskantoren of in de toko’s (winkels) in de stad. In één woord het waren de beginnende in de Indische maatschappij. Vele van die mannen en die jongelieden, die daar ontwaard werden, waren of zouden bestemd worden om, tengevolge van minder grondig onderwijs en middelmatige opvoeding, tengevolge van gebrek aan geestkracht en werkzaamheid, tengevolge van wederwaardigheden en van het missen van de gunsten van de blinde godin Fortuna, maar ook sommigen tengevolge van lichtzinnigheid, van minder degelijk karakter, zich niet boven die sfeer van die buurt te verheffen. Anderen daarentegen zouden na korteren of langeren tijd de vleugelen uitslaan, het huisje, wat zij thans betrokken, soms met een of meer lotgenooten deelden, tegen een grooter en in voornamer kwartier verwisselen, de bendie, [56] die hen thans naar kantoor of winkel bracht, tegen een smaakvollen milord, met fraaie Makassaarsche, misschien wel met hooge lompe maar zooveel deftiger Sydney-paarden bespannen, ruilen. Daar waren er onder, die later in een bont geborduurden rok zouden prijken, den chapeau-claque met bevallig gebaar onder den linkerarm zouden opvangen, alsof zij nooit iets anders gedaan hadden; er waren er, die als rijkaards, als millionnairs later door het leven zouden huppelen, om vroeg of spa in het oude Nederland eene villa te gaan betrekken, die thans nog niet in aanbouw was.

Maar van dit alles was in dit uur onder die voorgalerijen niets te aanschouwen. Wel zaten daar stemmige huisvaders, die weleer ook droomen van grootheid, van rijkdom gekoesterd hadden, op wier aangezicht de teleurstelling haren onmiskenbaren stempel gegrift had. Eene soort van tevredenheid, van kalme berusting evenwel was op die gelaatstrekken niet te miskennen, hoe hoog gespannen de niet bereikte verwachtingen ook geweest waren. Zij verbraken het genoegelijke waas niet, dat zich rondom hen verspreidde. Wat er te ontwaren viel, was een tooneel van hartelijkheid in omgang, van vriendschappelijkheid, van ongedwongenheid en van gezelligheid, dat een ieder, die zoo iets voor den eersten keer te aanschouwen kreeg, het hart goed deed. O! dat er bij die ongedwongenheid, bij die hartelijkheid wel eens te kort gedaan werd aan de fijnere beschaving der hoogere westersche kringen; dat er wel eens een woord in goed Nederlandsch genoemd werd, waarvoor men in andere gezelschappen hetzelfde woord, maar in eene vreemde taal zoude gebruikt hebben; dat er ook wel eens gebroken, ja ergerlijk gebroken Nederlandsch gehoord werd, was niet te loochenen, maar die leemten werden vergoed door de gulheid en de hartelijkheid, die den boventoon voerden, zoodanig vergoed, dat ieders hart, zoowel van hen, die met die „smalle gemeente” in aanraking kwamen, als van hen, die zooals ons vijftal haar van den openbaren weg door de tusschenruimten der paggers waarnam, verrukt werd.

Onder de eene voorgalerij zaten eenige bedaagden gezellig om het speeltafeltje een partijtje kaart te maken, en brachten zoo de avonduren door. In eene andere zaten zij op wipstoelen in een kringetje om de ronde tafel, die steeds in het midden der galerij prijkte, te wiegelen, of op een rijtje langs de balustrade geschaard, om de beenen gemakkelijk daarop te kunnen uitstrekken. Waar jeugd bij elkander was, daar steeg de jool ten top, daar werd muziek gemaakt, daar werd gezongen, voornamelijk door volbloed Europeesche jonge dames of heeren,—het gemengde ras is slechts bij uitzondering goed bij stem—daar werd viool en fluit gespeeld, het laatste instrument voornamelijk door de „toean toean koeliet langsep” [57], die daarop ware virtuosen konden genoemd worden. Zij wisten daaruit de meest sprekende, smachtende en smeltende tonen te halen. Hier en daar werd ook pianogetokkel vernomen; maar dat speeltuig scheen niet en vogue, niet omdat de artisten ontbraken, maar eerder omdat in Indië zoo’n instrument nog al duur en het stemmen niet goedkoop is. Die, welke onze waarnemers dan ook hoorden, brachten tonen voort, die aan de klavecimbalen onzer grootmoeders deden denken, of aan dat instrument, waarmede de Savojaarden den dans hunner marmotten op onze kermissen weleer begeleidden, en een geluid voortbrachten, hetwelk den middenweg hield tusschen het getokkel eener lier en het gepiep van een vogelorgel. Maar waar dat pianospel ook vernomen werd, daar heerschte vreugde en pret; want daar werden geen sonates van Beethoven voorgedragen, ook geen meesterstukken van Chopin. Neen, daar weerklonken smachtende walsen, huppelende polka’s, verleidelijke redowa’s of mazurka’s. Daar vormden zich paartjes, die op de vleugelen der muziek in de voorgalerijen en binnengalerijen zweefden, en niet altijd rekening hielden met de bekrompenheid der lokaliteit. Daar zagen onze baren niet alleen dansen met eene lichtheid en bevalligheid, zoo als zij het nog niet aanschouwd hadden—want het moet erkend worden dat de meeste Indische dames volmaakte danseressen zijn—maar zij konden ook kopjes en bekjes bewonderen, die ieder, die jong was en gevoel voor het schoone had, in verrukking moesten brengen.

„Wat schoone kinderen!” zuchtte Piet Van Diepbrugge, als naijverig.

„Kijk, die blondine daar eens!” fluisterde Riethoven. „Juno zou geene fraaiere gestalte hebben.”

„Iets stijfs in die gestalte; iets flets in die trekken, iets slaperigs in die oogen!” meende Slierendrecht.

„Zoo als meest alle creolinnen zijn,” merkte Sienjo [58] Patimana op. „Ziet eens daar dat lieve kind. Dat is nonna Leentjie, een ware engel, heeren!”

Onze Portugees had gelijk, nonna Leentje was een engel! Met haar lief gezichtje, dat den ronden vorm naderde; met haar zachtbruine gevulde wangetjes, die evenwel met een frisch rozenrood overdekt waren, dat uitermate aangenaam getint in de lichte bronskleur der huid overging; met hare fraai gevormde zwarte oogen, die vurig en meeslepend konden genoemd worden; met haar klein mondje, gevormd door een paar heerlijke inkarnaat lipjes, die, wanneer zij zich tot een glimlach plooiden, het fraaiste gebit ter wereld lieten ontwaren; met haar prachtig donker hoofdhaar, dat heur gelaat met zware golven omlijstte, en aan het achterhoofd in overvloedige krullen opgebonden was; met hare rozenroode blouse die hare buste zedig bedekte—het was toen nog geen mode, dat de dames hare bekoorlijkheden zichtbaar modelleerden,—maar in weerwil van de menigvuldige plooien toch zooveel bekoorlijks liet gissen, dat niemand onzer jongelieden er aan twijfelde, of hij had een van de meesterstukken der Schepping voor oogen; met hare gestalte, die noch te rijzig, noch te ineengedrongen, maar zich veerkrachtig en buigzaam vertoonde, vooral wanneer zij danste en dan, lichtelijk achterover gebogen met haar middel op den arm van haren „danseur” leunde; met al die bekoorlijkheden gaf zij een bevallig beeld te aanschouwen, dat moeilijk te evenaren was.

Waarlijk, nonna Leentje was een engel, een engel van bevalligheid.

„Waren die twee onderofficieren niet bij ons,” fluisterde Patimana de beide ambtenaren in de ooren, „dan zou ik u hier presenteeren, en dan zoudt gij een prettigen avond doorbrengen; want kijk, behalve nonna Leentje, zijn daar nog meer mooie meisjes.”

Frank Brinkman, die deze woorden opgevangen had, en zich toch met dat „nontongen” [59] niet amuseerde, omdat geen vrouwelijk beeld hem kon boeien, en hij met de gedachte slechts in het Java-hotel verwijlde, antwoordde:

„Laten wij u niet hinderen, heeren. Het wordt zoo zachtjes tijd om naar ons kampement terug te keeren. Als de heer Patimana ons maar den weg wil wijzen, dien wij te volgen hebben, dan kuieren wij voort.”

„Neen, volstrekt niet,” viel Piet Van Diepbrugge in. „Wij hebben u overgehaald om gezamenlijk te wandelen; wij blijven bij elkander en wij brengen u te huis, nietwaar Slierendrecht.”

„Wis en drie!” antwoordde deze. „Maar wij moeten voort. Wij hebben al te lang naar nonna Leentje gekeken. Kom, vooruit!”

Onze jongelieden wandelden voort. Gang Petjanongan kwam op Sawah bezar uit. Zij volgden den weg, die zoo heet, vervolgden hunne wandeling langs Krokot; maar bij de schoutswoning, in die buurt gelegen, aangekomen, liet Patimana hen eene laan rechts inslaan.

„Ik heb u nu op Passar Bahroe gebracht,” lichtte hij toe. „Ziet ge, gij behoeft nu maar steeds recht toe, recht aan te loopen, dan komt gij van zelf op het Waterlooplein te recht....”

Hij aarzelde een oogenblik; de andere jongelui keken hem vragend aan.

„Ik heb hier in de nabijheid in Gang Klientjie eene boodschap te doen, die ik totaal vergeten had, maar mij nu gelukkig ingevallen is. De heeren zullen mij excuseeren, niet waar?”

„Voorzeker, voorzeker,” betuigden de vier jongelui. „Vrijheid en blijheid voor allen! Goeden avond, mijnheer Patimana. Wij danken u voor uwe begeleiding.”

„Goeden avond, heeren!”

En weg was de vroolijke mosch.

„Ik wed dat hij naar Gang Petjanongan terugkeert,” sprak Jan Slierendrecht.

„Naar nonna Leentje,” vulde Van Diepbrugge aan.

„Waarin hij trouwens geen ongelijk heeft,” merkte Herman Riethoven op. „Als ik te kiezen had tusschen een dans met dat lieve wezentje of te nontongen—zoo als hij dat noemde—met een gezelschap baren, zooals wij zijn, dan was mijne keuze bliksemsnel geschied.”

„Maar, daar staan wij nu,” pruttelde Brinkman. „Waar nu heen? That is the question.”

„Hij zei, altijd maar recht toe, recht aan,” antwoordde Slierendrecht. „Kom, vooruit.”

„Maar, het is hier helsch donker.”

Dat was het. Hij, die deze laatste opmerking uitsprak, had volkomen recht. Van straatverlichting was geen spoor. Daarbij, het was in het hartje van den Westmoesson; langzamerhand was eene dikke wolkenbank uit het noordwesten komen opdagen, die den hemel van zijne doorschijnendheid en de sterren van haar licht beroofd had. De duisternis werd nog vermeerderd door twee rijen loodsen, die zich langs den weg uitstrekten, en overdag gebezigd werden om allerhande koopwaren onder dak te brengen en tegen de verzengende stralen der tropische zon te beschermen, maar nu verlaten en natuurlijk niet verlicht waren. Men moest letterlijk op den tast voortstappen, waarbij onze wandelaars herhaaldelijk struikelden, omdat aan den weg daar ter plaatse niet veel zorg besteed was, en de karresporen diep uitgereden waren.

Maar eindelijk waren onze wandelaren die loodsen voorbij. Zij kwamen toen in het chineesche kwartier, dat zich daar aan weerszijden van den weg uitstrekte. Ook daar was de verlichting niet rijk te noemen. Van straatverlichting ook daar geen spoor; maar hier en daar brandde een lichtje in een winkeltje, terwijl boven de deur van het meerendeel der chineesche woningen lantaarns [60] bengelden, die in stede van glazen, roodgekleurd papier tot bescherming van het daarin brandende olielichtje hadden, en die met hare chineesche letters op die roode doorschijnende vlakken een fantastisch licht verspreidden. De meeste huizen stonden open, en ontwaarde de blik daarbinnen tegen den muur, die den achtergrond van het binnenvertrek vormde, het beeld van eenen wanstaltigen dikken Chinees, dat boven een altaar prijkte, waarop verscheidene roode waskaarsen stonden te branden. Langs de deurstijlen waren breede strooken rood papier geplakt, waarop ook alweer zwarte of ook wel vergulde chineesche karakters prijkten.

„Het is thans jammer, dat Patimana ons verlaten heeft,” zei Brinkman, „hij zou ons veel kunnen uitleggen, wat ons nu onbegrijpelijk voorkomt.”

„Och, laat dien lummel loopen; wij zijn nu in dit land en zullen later wel vernemen, wat thans onze aandacht boeit,” antwoordde Van Diepbrugge.

Onder de zeer smalle luifels, welke die chineesche woningen tegen de zonnestralen overdag moesten beschutten, zaten de mannelijke bewoners op de even smalle stoepen de avondlucht te genieten. Op de straat speelden eenige kinderen, terwijl men geen vrouwen gewaar werd. De meeste dier Chineezen zaten òf stilzwijgend te rooken uit pijpen met zeer lange rieten roeren en kleine kopjes, òf kakelden met elkander met eene luidruchtigheid, die het soms deed voorkomen, alsof zij met elkander twistten. Maar niet zoodra naderden onze wandelaren of eene plechtige stilte verving het vroegere gesnater. Soms hoorden zij, dat elkander toegefluisterd werd:

„Diam! olang blanda, soldadoe! blangkali olang mabôh.” [61] Stilte! daar komen blanken, militairen, misschien zijn zij dronken.

„Die menschen meenen dat wij dronken zijn,” zei Slierendrecht, die te Delft zooveel Maleisch geleerd had, dat het woord „mabôh” hem op het spoor bracht, wat die Chineezen bedoelden.

Hier en daar verhief zich een oorverscheurend geluid, niet ongelijk aan dat, wat een verliefde kater in de maand Maart des nachts in het vaderland op de daknokken pleegt aan te heffen. Hier was het geen dier, dat zoo de gunsten eener weerbarstige schoone trachtte te verwerven, maar wel een jeugdige Chinees, die de „trauwkoei” een eensnarig instrument, wat wel eenige verre verwantschap met eene viool had, bespeelde, en met een korten strijkstok daaraan tonen ontlokte of beter daaruit zaagde, zoo erbarmelijk, dat zij iemands haren recht overeind deden rijzen en alle Europeesche katers op de vlucht zouden gejaagd hebben. Een paar fraaie chineesche winkels werden in dat kwartier van Passar Bahroe aangetroffen, en moesten onze wandelaars erkennen, dat die smaakvol ingericht en verlicht waren.