Part 3
Het was stil in die nachtelijke uren. Geen zuchtje liet zich voelen, geen blaadje van de nabijstaande tamarindeboomen [36] ritselde. Alleen achter hen liet zich in de chambrées het zware gesnurk van de onrustig slapenden vernemen, van hen, die met eene karbouwen-huid begaafd, door al het geprik en gegons der honderde en duizende muskieten heen sliepen. In hunne nabijheid kwaakte of beter trilde eene pad haar eentonig geluid in de sloot, boven hunne hoofden lieten hagedissen hun tjek-tjek-tjek in versnellend tempo hooren, of ook wel hier en daar het klagelijk geluid van den gekko [37]. Maar dat alles stemde meer tot weemoed en boog hun hoofd nog dieper onder het zware gewicht der herinneringen aan het ver verwijderde vaderland. Zoo zaten ze uren lang, spraken weinig, zuchtten zooveel te meer, en sloegen om zich heen, wanneer het gegons der muskieten het hen te lastig maakten.
Eindelijk—het had reeds drie uren geslagen,—sprong Herman op:
„Het is om krankzinnig te worden, dat wanhopig gemijmer,” zei hij. „Onze eerste nacht in het nieuwe vaderland is niet bemoedigend. Kom, ik ga trachten een paar uren te slapen.”
Goddank! het gelukte. De slaap ontfermde zich over die beiden en schonk hen rust. Toen zij evenwel des morgens ontwaakten, zagen zij er zoodanig door de muskieten toegetakeld uit, dat zij elkander schier niet herkenden. Zij konden de oogdeksels ter nauwernood openen, zoo gezwollen waren die van de vele builen, die hen overdekten.
Maar het detachement stond in weerwil van dat alles toen de klok zeven uur sloeg, in de tamarindelaan klaar om aan den kommandant van het depot gepresenteerd en overgegeven te worden. Het zou de laatste maal zijn, dat kapitein Van Dam, en zijne ondergeschikte medegeleiders, de luitenants Denniston en Leidermooi, alsook de dokter Hannius en de apotheker Behren als bevelvoerders van de nieuw aangekomenen zouden optreden. Toen het detachement op eene rei geschaard stond, liep de kommandant van het depot met de monsterlijst in de hand er langs, om zich te overtuigen, dat hem het bepaalde aantal menschen werd afgeleverd. Die monstering was de tegenhanger van die, welke te Nieuwediep door den plaatselijken kommandant van Helder verricht was. Daar werden de kolli’s geteld, die ingescheept, en hier die afgeleverd werden. Toen die comptabiliteits-formaliteit afgeloopen was, werd de troep op twee gelederen geformeerd en weerklonk het kommando:
„Rechts en links zwenkt ... formeert den kring!”
In dien kring namen de bedoelde officieren plaats, maar ook de sergeant-majoor van het depot, een kleine magere fatterige Duitscher, blond zooals zijne landslieden zijn kunnen, eer stroogeel dan blond, met een gezicht zoo deemoedig schmeichlend voor die gnädige Herren Offizieren, met polka-haar, dat in den gom-adragant scheen gezet te zijn, zoo glom dat stroo, met een buiten-model kepi op die glimmende glijbaan, zoo bespottelijk klein, dat het geheel voor een pop gemaakt scheen, en het klepje ter nauwernood plaats aan eene meikever-molenaar zoude opgeleverd hebben om zich fatsoenlijk te bewegen, met een buiten-model sergeant-majoorsstreep op den mouw van het blauw-katoenen baadje, dat hij aan had, die hem met een vervaarlijken punt tot aan den elleboog reikte, met een buiten-model pantalon-collant aan, die een paar Germaansche spillebeentjes allerzotst modelleerde, en waaronder een paar plompe schoenen uitstaken, die aan een Oldenburgschen boerenvoet deden denken. Zooveel was zeker, dat de man op een verwonderlijke breede basis stond.
Toen dat wichtige persoontje in den kring naast zijn kapitein plaats had genomen, wachtte hij niet eens een teeken van dien officier af, maar begon met een vreeselijk onaangenamen Duitschen tongval een uittreksel uit de Nederlandsche krijgswetten voor het krijgsvolk te lande voor te lezen. Hij brouwde met verbazend radde tong den inhoud van ieder artikel, zoodat het in het geheel niet verstaan werd, maar zette een bijzonderen klemtoon op het slot van het artikel, waarbij de straffen bepaald werden. De man scheen daarin een bijzonder genoegen te vinden. Die slotwoorden scandeerde hij dan ook, zooals een dichter een hexameter de gehoorproef zou doen ondergaan. Had de man zijn onaangenaam Duitsche sch kunnen verbergen, dan werkelijk had er in de voorlezing van die artikelen eenige verdiensten van welluidendheid kunnen ontwaard worden, en niet onaardig zou o.a. geklonken hebben.
„Hīȷ̄ dīē tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ vĕrlāāt, zāl mĕt dĕ schtrōp gĕschtrāft wŏrdĕn.”
Zoo als het nu klonk, rijgden zich de woorden: dood, kogel, strop, afneming der kokarde, klingslagen, rottingslagen, wegjagen als eerlooze schelm, detentie, gevangenis na grootere of kleinere tusschenpoozen aan elkander. Herman Riethoven verklaarde later, dat bij die voorlezing zijne gedachten onverzettelijk bij Dante’s hel verwijld hadden.
Na de voorlezing van de krijgsartikelen volgden nog ettelijke bepalingen van lokalen aard, waarbij het b.v. verboden werd eenige Chineesche huizen, waaronder de zoogenaamde Roode Deur op Passar Senin, te bezoeken.
Het alles had veel van een droom weg, van een akeligen droom. En stonden die mannen daar niet in de open lucht, onder de veruitgespreide takken der tamarindeboomen met hare fijne en liefelijk zachtgroene bladeren; verguldde de zon de boventakken en de oostelijke zijde dier fraaie boomen niet met hare vurige stralen, lispelde het zachte morgenwindje niet door die takken, door die blaadjes, dan hadden de baren, wien daar zoo onder het oog gebracht werd, wat hen te wachten stond, wanneer zij zich misdroegen, kunnen meenen, dat zij ten prooi waren aan eene onbarmhartig akelige nachtmerrie. Maar het zou nog mooier worden.
Toen de sergeant-majoor zweeg en zijn onaangenaam stemgeluid de ooren niet meer pijnigde, trad de kommandant van het depot meer op den voorgrond, en sprak de volgende kernachtige woorden:
„Gij hebt gehoord, waar het op staat! Ieder doe zijn plicht! Die dat niet wil doen, die hier heen gekomen is om den rommel in de war te schoppen, of om dronkenmannetje te spelen, dat die zijn..... pantalon [38] maar klaar houdt. Het rietje zal die wel weten te raken. Voor hen die, zooals aan boord gebeurd is, oproer willen kraaien, hebben wij galgen in overvloed. Knoop dat in jullie ooren!”
Het was alsof ieder man van dien troep, die daar stond, een emmer ijswater over het lijf kreeg bij die vriendelijke toespraak. Was dat de welkomst van den nieuwen chef in het nieuwe land? Neen, dan had de Kolonel te Harderwijk toch nog anders gesproken. Die had de vertrekkenden nog een riem onder het hart gestoken, toen hij sprak van de geneuchten die Java bood. Hier ontving men de nieuwelingen met uitzicht op galg, kogel; hier opende men hun eene toekomst, waarvan doodranselen, detentie en kruiwagen schering en inslag waren; hier liet men hen ter verwelkoming schrikkelijke woorden hooren, schrikkelijk van meening, schrikkelijk in beteekenis; in één woord, die eerste aanraking, die eerste voeling liet doorschemeren, dat die mannen eene onverbiddelijke maatschappij ingetreden waren.
Frank en Herman keken elkander met ontstelde gezichten aan. Zoo’n ontvangst hadden ze niet kunnen droomen. Laatstgenoemde siste tusschen de tanden:
„Te drommel: ik begin mijne moeder gelijk te geven, toen zij beweerde, dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan.”
Het was of kapitein Van Dam raadde wat in de harten zijner gewezen ondergeschikten omging. Toen de kommandant van het depot zweeg, nam hij het woord.
„Onderofficieren en manschappen!” sprak hij, „wij hebben te zamen twee en een halve maand aan boord van het fregat Fernandina Maria Emma doorgebracht. Ja, gedurende dien tijd hebben eenige verdoolden gepoogd eene slechte daad te bedrijven. De rechter zal over hunne handelingen uitspraak doen. Ik kan niet anders dan hunne afdwaling betreuren, en hen in de clementie der militaire rechtbank aanbevelen. Maar de meesten uwer toonden, toen het gevaar daar was, kloeke en trouwe harten te bezitten, die er niet tegen opzagen, handelend op te treden, toen dat van hen gevorderd werd; die weerstand wisten te bieden aan de verlokkingen, welke toch eene naaste toekomst na de bemachtiging van het schip voor onnadenkenden moest aanbieden. Gijlieden hebt uwen plicht gedaan. Er zijn er onder u, die zelfs meer dan dat gedaan, die zich zeer verdienstelijk gedragen hebben. Zij kunnen zeker zijn, dat hun gedrag niet in het vergeetboek zal blijven. Is het een treurige noodzakelijkheid, overeenkomstig ’s menschen zwakheid, den wrekenden arm der gerechtigheid in het verschiet te toonen om misdadig gedrag en plichtverzuim tegen te gaan, van een anderen kant staan naast de bedreigingen in onze militaire maatschappij de belooningen. Laat ik slechts in uitzicht stellen het ridderkruis van de Militaire Willemsorde, dat ieder uwer bij manhaftig gedrag op het terrein des oorlogs kan verwerven. Laat ik u slechts wijzen op de snelle bevordering, die bij goed gedrag en bij degelijke plichtsbetrachting uw aller deel kan zijn. Waar ook, dan is in Nederlandsch Indië het gezegde van den Grooten Napoleon ten volle waarheid: dat ieder soldaat den veldmaarschalkstaf in zijn randsel draagt. Gaat op het ingeslagen spoor voort, gij zult er de vruchten van plukken. En gij...” ging de waardige chef voort, „en gij, die uit zwakheid of lauwheid u liet medeslepen in het heillooze komplot, of gij die met misdadige bedoelingen daaraan deel naamt, zijt overtuigd dat de belhamels hunne gerechte straf niet ontgaan zullen. Laat u dat tot voorbeeld strekken! Vangt van nu af een nieuw leven aan, zoekt in stipte plichtsbetrachting uw heil. Gelooft mij, gij zult daardoor uwe toekomst verzekeren, en daarin eene innige tevredenheid over u zelven, eene ware gemoedsrust vinden.
„Het oogenblik van scheiden is daar. Ik heb u heden overgegeven aan den kommandant van het depot. Over ettelijke dagen zult gij ingedeeld en op weg naar uwe definitieve bestemmingen zijn.
„Onderofficieren en manschappen, het ga u wel! Ik hoop, dat gij in deze gewesten moogt vinden wat gij er in komt zoeken. Maar, waar gij mij ergens aantreffen moogt, gij zult steeds in mij een vaderlijken vriend ontmoeten, die u zoo noodig zijn raad niet onthouden zal....
„Nogmaals, het ga u wel!”
Bij die laatste woorden van den hartelijken krijgsman was er geen houden meer aan. Of ook al de kommandant van het depot een paar vervaarlijke oogen opzette, of zijn sergeant-majoor zijn beste Nederlandsche kommando’s doorspekte met ettelijke Schockschwere Noth’s of met eenige Kreuzdonnerwetter’s, het hielp niets. In een oogenblik was de kring verbroken en onder het gejuich van: „leve onze gewezen kommandant!” omringden die mannen kapitein Van Dam, dankten hem voor die hartelijke woorden, grepen zijne hand, drukten die, ja, er waren er die haar met kussen overdekten en er een traan op lieten vallen.
De kommandant van het depot stond dat tooneel met een vreemden glimlach om de lippen aan te staren, terwijl hij met minachtend gebaar de schouders tegen zijn sergeant-majoor optrok. Eindelijk om een einde aan dat tooneel te maken, gelastte hij dezen den troep te laten inrukken.
„Iengerückt—marsch!” kommandeerde de vetlokkige Germaan.
Maar jawel, hij kon dat nog wel zes maal brullen, eer daaraan voldaan werd; want na kapitein Van Dam kregen de luitenants Leidermooi en Denniston en de apotheker Behren en dokter Hannius een beurt, die den kerels van harte allen voorspoed in hunne loopbaan toewenschten. Eindelijk ging de troep uit elkaar. Het was gelukkig ook; want de sergeant-majoor van het depot was eene onmacht nabij, zoo herhaaldelijk en zoo forsch had hij: „iengerückt—marsch” gekommandeerd. Het detachement had nu vrijaf tot half tien, en kon de kazerne verlaten.
„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven!” riep kapitein Van Dam, toen de troep uiteenstoof.
De beide onderofficieren stonden in een oogwenk in onberispelijk militaire houding voor hem. Hij kon evenwel een glimlach niet weerhouden, toen hij die gezwollen gezichten zag.
„Drommels,” zei hij, „de muskieten hebben u ter dege toegetakeld.”
En zich tot den kommandant van het depot wendende, zei hij:
„Ik verzoek permissie voor die twee onderofficieren tot middernacht.”
„Toegestaan, waarde collega,” was diens antwoord, „als zij maar zorgen, dat zij morgen ochtend op het appèl van tien uur tegenwoordig zijn.”
„Ik dank u voor die vergunning,” was het antwoord van kapitein Van Dam. „Zij zullen tegen middernacht weer te huis zijn. Kom, jongelieden, mijn rijtuig staat klaar.”
In een ommezien hadden alle drie daarin plaats genomen en reden de kazerne uit.
„Wel, hoe is de eerste indruk, van het land van belofte?” vroeg de kapitein aan de onderofficieren.
Beiden keken elkander een oogenblik aan. Zij aarzelden te antwoorden.
„Kom, beken het maar: beroerd, niet waar? Maar.... dat u dat niet afschrikke. Zoo is het een ieder gegaan. Het vreemde, het ongewone, de warmte over dag, de matheid des nachts, de muskieten, en ik weet al niet wat meer, dat alles brengt het zijne er toe bij om de eerste dagen niet prettig te maken. Maar die indruk gaat voorbij en, vergis ik mij niet in ulieden, gauw ook. De mensch moet steeds de omstandigheden aanvaarden, zooals zij zich voordoen, zich er niet door laten neerdrukken, integendeel ze door geestkracht trachten te beheerschen. En... geestkracht zult gijlieden niet derven, is ’t niet?”
„Toch zat mij straks het hart in de keel,” antwoordde Herman, „bij de toespraak van onzen nieuwen kommandant. God! wat een ontvangst!”
„Denkt ge daar nog aan?” vroeg kapitein Van Dam. „Gij zult moeten erkennen dat voor sommige naturen dergelijke toespraken haar nut kunnen hebben. Gaat maar na, uit welke bestanddeelen dat detachement samengesteld is. Daar zijn menschen bij, die geen andere taal verdienen en waarop ook geen andere taal invloed heeft.”
„Dat ontken ik ten stelligste, kapitein, vergeef mij dat ik in meening met u verschil,” antwoordde Herman met vuur. „U moet opgemerkt hebben, welken anderen invloed uwe hartelijke woorden op allen gemaakt hebben. Zelfs de ruwste gemoederen naderden u met tranen in de oogen, zelfs de meest verstokten trachtten uwe hand te drukken. Bij intuïtie beseften zij, dat de aanraking van een edel braaf man iets mededeelt van den stralenkrans, die dezen omgeeft.”
„Tu, tu, tu, sergeant Riethoven, het is of gij bij het betreden van den Indischen bodem, de vleierij aangeleerd hebt,” antwoordde kapitein Van Dam, toch innig gestreeld door de gesproken woorden.
„U kunt niet ontkennen, kapitein,” viel Frank zijn makker bij, „dat een goed gesproken woord meer invloed heeft, dan zulke krenkende toespraken. Waarom ter wille van eenigen den geheelen troep met voorbarige bedreigingen verbitterd? Ik kan u niet zeggen, hoeveel pijn ons die eerste welkomstgroet gedaan heeft.”
„En toch is de man, welke die woorden zoo bar sprak, zoo boos niet als hij zich wel aanstelt. Hij doet zich gestrenger voor dan hij is. Maar.... laten wij dat gesprek afbreken. Weet gij wel waarheen ik u voer? Neen?.... natuurlijk niet. Wij gaan eerst in het hotel Willem II bij mij dejeuneeren, dan breng ik u naar het Java hotel, waar gij den dag bij de familie Groenewald zult doorbrengen.”
III.
EENE IDYLLE TE RIJSWIJK.
Het was werkelijk een prettige dag, die onze beide onderofficieren in het vooruitzicht hadden. Het degelijk ontbijt, bij den kapitein genoten, stelde ruimschoots schadeloos voor de twee rijstbroodjes, die hen ’s morgens in hun kamertje gebracht waren, en die zij ter nauwernood geproefd en verder neergelegd hadden, zoo flauw en smakeloos waren die geweest, voor de zeer slappe koffie, waarbij geen melk, maar wel een stuk bruin goed verstrekt was, dat Javaansche suiker heette [39] maar er zoo onoogelijk uitzag, dat ze er niet aangeraakt, maar het slappe vocht zonder melk en ongesuikerd naar binnen geslagen hadden.
Na het ontbijt bleven zij nog een poos met kapitein Van Dam in de voorgalerij van het hotel praten, alwaar zij al de overige officieren van het suppletie-detachement aantroffen en zich daarmede gezellig onderhielden. Zij verbaasden zich gedurende dat vertoeven in die voorgalerij over het groote aantal „klontong’s” (rondventers), Chineezen, Arabieren, Klingaleezen, Javanen, die de nieuw aangekomenen bestormden met hunne aanbiedingen en met hunne uitstallingen. Hier spreidde een zoon van het Hemelsche rijk eenige linnens als: tafellakens, servetten, handdoeken enz. ten toon; ginds pakte een ander hemden, kousen, handschoenen, enz. uit; elders riep een Sjech de aandacht der kooplustigen op fraaie geborduurde muiltjes, op beeldig gebloemde sarongs, op fraaie stramien patronen enz.; verder bood een Javaan sigarenkokers, sierlijk fraai bewerkt van pauwenveer of van manilla-stroo, ruggenkrabbers, tandenstokers, oorbelletjes, klamboe-haken [40], die laatste voorwerpen in ivoor, hoorn of zilver bewerkt; verder een Klingalees, met een akelig Semieten-type op het bruine gelaat, stalde kleedingstukken uit, wit linnen pantalons, piqué vesten, jassen van ananas-zijde, enz. enz. Zelfs was er hier en daar een, die een tafel of een knaapje, of een stoel op zijn hoofd droeg en den vreemdelingen aanbood hen in hunne meubelen te steken. Het was of die voorgalerij een bazar was. Niemand zag daar iets vreemds in. Integendeel verscheiden gasten van het hotel deden daar hunne inkoopen tegen spotprijzen, soms nog beterkoop dan in Nederland. Er waren er ook, die bij wijze van tijdverdrijf die arme kooplieden hun geheele rommeltje lieten uitpakken, alles in handen namen, alles beduimelden en alles bekeken, maar niets kochten. Er zijn zoo van die menschen, die geen hart hebben. De arme klontong’s durfden geen woord tegen de blanke onbarmhartigen zeggen; maar hier en daar verried een blik, wat er bij zoo’n bejegening in hun binnenste omging.
Toen het zoo omstreeks elf uur geworden was, stond kapitein Van Dam op.
„Kom jongelui,” sprak hij, „nu in den wagen, naar Rijswijk!”
In Indië spreekt men steeds van wagen, wanneer een rijtuig bedoeld wordt.
Ons drietal reed vlug heen. De koetsier volgde de Goenoeng Sahari-laan, tot aan den Sipajers-weg, sloeg dien in tot aan den weg, die langs en evenwijdig aan het front van het Groote Huis voerde, reed het Waterloo-plein over, dat door twee boogvormige wegen doorsneden werd, die bij het Michiels-monument te zamen kwamen en vandaar den weg langs, dien wij reeds kennen, over de Sluisbrug naar Rijswijk.
Toen het rijtuig het erf van het Java-hotel opreed, stond de heer Groenewald met zijne jongste dochter Adelien in de voorgalerij, en was het lieve meisje bezig haren papa te overreden een paar diamanten „kraboes” [41] te koopen, die eene Javaansche oude vrouw bij eene menigte andere juweelen en goudwerken te koop aanbood.
„Kom, helpt mij heeren,” sprak het lieve meisje, terwijl zij op de nieuw aangekomenen toetrad, en ieder volgens de rei af een handje reikte, eerst aan kapitein Van Dam, toen aan Herman, eindelijk aan Frank.
Dat haar handje in die van den laatsten een ondeelbaar oogenblik langer toefde dan strikt noodzakelijk was, laat zich begrijpen.
Maar wat keken de jongelieden wonderlijk vreemd op.
Aan boord van de Fernandina Maria Emma waren de dames Groenewald steeds gekleed op het dek of in de kajuit verschenen. Voor al die baarsche passagiers hadden zij zich nimmer in sarong en kabaai [42] willen vertoonen. Nu evenwel droegen zij, even als iedere dame in Indië, die nette ochtendkleeding, die wel de verbazing van Frank en Herman opwekte. Het jonge meisje scheen die verbazing te begrijpen; want zij bloosde bekoorlijk, hetgeen haar niet onaardig stond. Maar die kleeding was wel geschikt om de bevreemding, maar ook de bewondering onzer baren gaande te maken. De kabaai, hoewel eenigermate zakvormig, liet toch geen onzekerheid omtrent de slanke taille toe, modelleerde de schouders en den boezem zoo kiesch, dat zelfs de meest strenge zedemeester er niet op aan te merken zou gehad hebben, omsloot met haar strookjes en gefestonneerde entre-deux hals en keel zoo geheimzinnig mogelijk, en daalde sierlijk tot op den sarong af, die de heupen plastisch omgaf, en gazeerde dat plastische eenigermate. Onder den sarong, die tot op den grond daalde, kwamen een paar snoeperige geborduurde slofjes uit, waarin een paar nog snoeperiger kleine lelieblanke voetjes schuilden, alsof ze daar kiekeboe speelden. De jonge dame had het zachte blonde haar in een weelderigen kondeh gebonden, die door een paar haarspelden, met brillanten versierd, opgehouden werd. Toch maakten zich eenige weerspannige krullen te midden van dien rijkdom baan, weigerden zich aan het dwangjuk te onderwerpen en omlijstten dat gezichtje allergoddelijkst.
„Drommels,” zei Herman in zich zelven, „als juffrouw Emma straks ook zoo te voorschijn komt, kerel, sta dan vast; want dan loopen je voornemens om ongetrouwd te blijven wel gevaar. Beeld van Lydia, sta mij dan bij!”
„Kom helpt mij, heeren,” herhaalde Adelien. „Papa is zoo zuinig, dat hij mij niet eens die fraaie kraboe’s wil koopen. Kijk eens, hoe die steenen fonkelen!”
Zij hield de juweelen in het heldere zonlicht en werkelijk het waren stralenbundels, zuiver en helder, die de oogen van de beschouwers troffen en die met hare kleurenpracht verblindden.
„Is het geen „djakot” (bergkristal), juffrouw Adelien? Pas op, die nenèh’s (oude vrouwen) zijn uiterst geslepen,” vroeg kapitein Van Dam.
„Neen, de steenen zijn echt,” antwoordde Groenewald. „Ik ben een oude kenner. Maar zij vraagt vijf honderd pop, dat is te duur!” En zich tot de koopvrouw wendende: „Maoe doea ratoes?” (Wilt ge twee honderd?)
„Astaga! Toean! Roegi!” (Mijn hemel; mijnheer, dan zou ik schade lijden.)
„Nah! doea ratoes lima poeloeh! soeda!” (Nu, twee honderd vijftig dan, en niets meer.)
De oude wankelde, maar pakte toch haar boeltje in een ouden vuilen doek zamen en wilde weggaan. Adelien evenwel fluisterde haar wat in het oor, terwijl haar vader een handdruk met de heeren wisselde. Terstond ontvouwde de koopvrouw haar pak en reikte Adelien de kraboe’s over; nu betaalde haar papa de bedongen twee honderd vijftig gulden in vuile smerige recepissen [43]. Later zou de koopvrouw wel bij de nonna [44] komen, om het meerder bedrag te halen.
Het jonge meisje stak de kraboe’s aan de ooren en vroeg de heeren:
„Zijn ze niet beeldig?”
„Ik weet wel, wat sergeant Brinkman beeldiger vindt,” plaagde kapitein Van Dam.
Adelien kleurde tot achter de kraboe’s. Frank niet minder. De kapitein was ook zoo „nakal” (ondeugend).
Toch kon de jonkman niet nalaten haar toe te fluisteren, dat hij die lieve blozende oortjes veel mooier vond.
„Zij zijn om te stelen!”
„En hebben de jongelieden nu permissie?” vroeg de heer Groenewald aan den kapitein.
„Tot middernacht,” antwoordde deze.
„Ik dank u wel voor uwe bemoeiingen, kapitein Van Dam. Blijft gij nu bij ons rijsttafelen?”
„Ik dank u; ik heb mijn woord reeds gepasseerd. Ik wacht maar op mevrouw Groenewald om haar mijn kompliment af te steken, dan haast ik mij voort.”
Mevrouw Groenewald en hare oudste dochter verschenen in dit oogenblik. Beiden waren even als Adelien in sarong en kabaai gekleed. Emma zag er betooverend uit. Herman sloot een oogenblik de oogen als voor het zonlicht. Of hij uit ouder gewoonte als herinnering aan het Seminarie te Rolduc een: „Sub tuum presidium” of een „retro satanas” prevelde, heeft hij later aan niemand bekend. Genoeg zij het, dat toen hij de oogen weer opende, hij den blik vrij en onbevangen op de lieve maagd rusten liet, welker kabaai zooveel bekoorlijks uiterst bescheiden modelleerde.
„Goeden morgen, kapitein Van Dam! Goeden morgen jongelui, hebt gij den eersten nacht in ons goddelijk Indië goed doorgebracht, in andere woorden hebt gij goed geslapen?” vroeg de goedhartige moeder.