Part 2
En werkelijk men was thans zoo langzamerhand als in eene tooverwereld geraakt. Allerwegen verrezen thans te midden van liefelijke grasperken en te midden van bevallige boschjes van vruchtboomen en sierheesters, fraaie woonhuizen, aan aangenaam gelegen buitenplaatsen, en villa’s gelijk, die zich in het lachend groen verscholen. Die huizen hadden allen een eigenaardigen bouwtrant. Schier allen bestaande uit slechts ééne verdieping, waarbij het dak der voorgalerij op een stelsel van smaakvolle zuilen rustte, waartusschen een sierlijke trap toegang verleende, zoodat het geheel de Grieksche bouworde met hare kolommen in herinnering bracht. Aan weerszijden van het kanaal, waarover straks gesproken werd, strekte zich thans een breede rijweg uit, terwijl die wegen, met de bedoelde villa’s omzoomd waren. Men was in het hartje van den westmoesson. [28] Het had de vorige weken flink geregend, zoodat grasperken, heesters en boomen zich in hun helderst groen gestoken hadden, en overal, waar het oog zich slechts wendde, de fraaiste bloemen als boeketten, als trossen, als loovers te midden van het groen, soms als slingerkransen ontwaard werden; terwijl daar hoog boven de gevinde bladeren der kokospalmen wuifden en de goudgele noten in die bevallige kruinen schuilden, als verborgen zij zich.
Ook de weg bood zijne eigenaardigheden aan, en bracht het zijne bij om onze baren als in eene tooverwereld over te brengen. Ter gelegenheid van het nieuwjaar-feest waren de Inlanders en Chineezen die men ontmoette in hun beste kleeren gestoken, en prijkten de eerstbedoelden in baadjes van donker laken of ook wel van schel gekleurd katoen, hadden lakensche pantalons aan met zeer nauwe pijpen, waaronder de naakte voeten schril uitstaken, droegen om het midden een korte sarong, die slechts tot boven de knie reikte en door een band van goud galon of ook wel van zwart verlakt leder, waarin de kris van achteren stak, om het midden bevestigd was. Een gebloemde hoofddoek, die de lange haren in een wrong te samen hield, voltooide het toilet van die fatten, die hunne blanke heerschappen heden ochtend hunne hulde hadden gebracht. De Chineezen waren meer stemmig gekleed met hunne donkere maar overmatig wijde pantalons, waaronder de voeten in eene soort van omgekrulde kothurn staken, met hunne kraakzindelijk witte baadjes, die in fatsoen met een nachthemd of beter met eene kabaia overeenkwamen, met hunne kaal geschoren glanzende schedels, op welker kruin eene lange haarlok gebleven was, die regelmatig gevlochten en met roode, zwarte of witte zijden koord verlengd was, naarmate de drager jonggezel, gehuwd of in den rouw was. Wat iets fantastisch, iets alsof het geheel in de „Duizend en een nacht” te huis behoorde, verleende, was de verschijning van ettelijke Arabieren met hunne scherp geteekende gelaatstrekken, met hunne vurige oogen en zwarten baard, die daar met den tulband op het hoofd en de chlamyde om de lendenen deftig heen stapten.
„Het is of je eene tooneeldecoratie, b.v. uit „Nathan de wijze” ziet,” mompelde Herman Riethoven.
Intusschen hoe verder het detachement op den weg langs Molenvliet vorderde, hoe meer levendigheid ook onder de Europeesche bevolking ontwaard werd. In de voorgalerijen werden lieve kopjes ontwaard, mamaatjes, die zich met hare kindertjes een oogenblik bezighielden, jonge dames, die vlijtig hare handjes ganteerden en gereed waren òf op hare voetjes eene wandeling te ondernemen, òf in het rijtuig te stappen, dat onder aan den trap der galerij gereed stond om den lieven last te ontvangen, en een verkwikkenden rijtoer te maken. Op den weg wemelde het reeds van rijtuigen. Fraaie landauers met vurige Makassaarsche of Bimaneesche paarden bespannen, smaakvolle coupés, waarvoor een paar flinke Preanger of Kedoe paarden draafden. Eindelooze rijen van huurrijtuigen met aemechtige paarden er voor, hier en daar eene bendy—eene chais noemden haar de baren—waarin een dandy koeliet langsep gezeten was, en met keurig geganteerde hand de teugels hield en de zweep zwaaide. Dat alles wemelde door elkaar, draafde, galoppeerde, wendde, draaide en maakte het geheele tooneel tot eene werkelijke tooververtooning. Wat in volle mate de aandacht trok, waren de koetsiers, die op den bok hunner rijtuigen gezeten, wel het potsierlijkste gezicht opleverden, dat te genieten was. De automedons der huurrijtuigen, waren eenvoudig als Javaan gekleed, maar hadden een „bakhol,” een hoofddeksel dat in vorm veel overeenkomst had met een omgekeerden slabak, maar met rood, blauw, groen of goudkleur verlakt was. Bij de eigen equipages droegen de koetsiers op den hoofddoek livreihoeden met buitensporig breede galons om den leelijken cilinder, die met nog grootere cocardes getooid waren. Zij droegen daarbij „badjoe toro’s” (lange jakken) van schelle kleuren en vertoonden daaronder een hagelwitte pantalon. Maar allen waren gewapend met eene uiterst lange zweep, zoo lang, dat zij wel eenige overeenkomst met een hengeltuig had, welker roede met bonte kleuren beschilderd was. Bij vele rijtuigen stonden twee bedienden op het achterplankje, ook in badjoe toro’s gedoscht, maar gewapend met een dikken witharigen paardenstaart, om de edele rossen, wanneer zij stil stonden, de vliegen van het lijf te houden.
„Het schemert mij waarlijk voor de oogen!” zei Herman tot Frank.
„Mij ook!” hernam deze. „Wat een verschil met straks!”
„Wat is dat voor een groot gebouw, daar vlak voor uit?” vroeg Dr. Hannius aan kapitein Van Dam.
„Dat is de Harmonie, een sociëteitsgebouw. Daar kunt ge heden avond een partij biljard gaan spelen.”
„Dat zal ik wel laten,” pruttelde de Esculaap, „ik gevoel mij of ik gekookt ben, na dien marsch.”
Bij de Harmonie sloeg het detachement den weg, die zich daar in drieën vertakte, [29] links in, en bleef het kanaal volgen, hetwelk daar nagenoeg rechthoekig omboog. Men bevond zich thans te Rijswijk, en een drie honderd meter verder werd het paleis van den Gouverneur-Generaal gepasseerd, waarboven Neerlands driekleur wapperde, ten teeken dat de Groote Heer, die zich gewoonlijk te Buitenzorg ophoudt, thans hier vertoefde. De marsch werd steeds voortgezet.
„Moeten wij nog heel ver?” vroeg dokter Hannius. „Ik begin erg vermoeid te worden.”
„Ja, wij hebben nog eene aardige wandeling te maken. Maar.... wat zie ik. Daar komt een kavalerist spoorslags aanrijden....”
En werkelijk, het was een ordonnans, die kapitein Van Dam namens den plaatselijken militairen kommandant kwam, uitnoodigen het detachement een poos halt te laten maken; omdat.... omdat de stafmuziekanten nieuwjaar hadden gevierd en nog niet gereed waren. Het was toch „adat” (gewoonte) de baren met een vroolijk deuntje naar binnen te halen. Dadelijk klonk het kommando:
„Divisie, rechts uit de flank. Met rotten links, Marsch!”
De beweging werd uitgevoerd, en toen de troep eenige tientallen meters doorgemarcheerd en een goed beschaduwd plekje bereikt had, kommandeerde kapitein Van Dam.
„Divisie, halt! Front! Rechts-richt-u! Staat!.... Op de plaats-rust!”
Het detachement stond thans ter hoogte van het Javahotel, dat op een halven kilometer afstand van het paleis van den Gouverneur-Generaal gelegen was.
„Ook dat nog!” zuchtte Dr. Hannius, die zich nu in den kring, door de officieren van het detachement ter zijde van den troep gevormd, bevond. „Ik ben zoo moe en heb zoo’n dorst!”
„Ik ook! ik ook! ik ook!” bevestigden de luitenants Denniston, Leidermooi en de apotheker Behren als om strijd. „Het is niet alles, om in zoo’n warm land zoo’n marsch af te leggen.”
Het was evenwel, alsof een toovergodin de verzuchting van de smachtenden verhoorde. Twee Javaansche bedienden, ook al weer met een badjoe toro aan, traden op dat kringetje toe. De een had eene „gendi” (fijne waterkruik) in de hand. De andere een mandje, waarin eenige flesschen en glazen.
„Toean toean soeka minoem?” (Verlangen de heeren te drinken?) vroeg een hunner met eene zeer beleefde buiging.
„Jongens, een glas bier zal zich uitstekend laten smaken,” zei kapitein Van Dam. „Boeka bier!” (maak bier open). En terwijl hij het schuimend vocht met gulzigheid naar binnen sloeg, vroeg hij den bediende:
„Siapa njang kirim?” (wie zendt u).
„Njonja Kroenoeald!” (mevrouw Groenewald).
De kapitein keek achter het gelid naar het hotel en wisselde een groet met genoemde dame, terwijl de andere officieren zich ook een glas bier lieten smaken.
„Drommels,” prevelde Herman, „het is hier net als overal elders, beter officier te zijn dan minder militair. Welk liefelijk hemelsch wezen zal ons een koelen dronk aanbieden om onzen dorst te lesschen?”
Die vraag was nog niet ten einde, toen het liefelijk hemelsch wezen zich in de gedaante van een anderen Javaanschen bediende, met eene enorme sirih-pruim op de benedenlip en een drankenmandje in de hand, bij de beide onderofficieren vervoegde, voor hen boog en op zijne beurt prevelde:
„Toean toean soeka minoem?”
„Wat zegt die man?” vroeg Herman.
„Of ge drinken wilt?” lichtte een der oud gedienden toe.
„Drommels, ja!” riep Frank. „Ik stik bijna van dorst!”
De Javaan greep eene flesch, ontdeed haar van de metalen capsule, boorde den kurkentrekker door de kurk, die met een edelen zwaai uitgetrokken werd, schonk twee glazen vol van het parelende Haantjes-bier en bood die den beiden jongelieden aan.
„Sakkerloot...... dat smaakt!” riep Herman met den smekkenden wellust van een geboren Maastrichtenaar, die na lange ontbering weer een drinkbaar glas Cambrinus-vocht aan de lippen zette.
„Waarlijk..... dat smaakt!” bevestigde Frank, toen hij na den teug weer bij adem kwam. „Wie zendt dat?”
Die laatste vraag was tot den bediende gericht.
„Trada menggartie,” (ik versta u niet) bromde deze.
„Och, vraag hem eens, wie dat bier ons zendt?” wendde zich Frank tot den oud gediende, terwijl hij dezen ook een glas aanreikte.
Deze herhaalde de vraag.
„S’tau namanja,” antwoordde de Javaan, „tapeh itoe nonna nonna njang kirim.” (Ik weet den naam niet, maar die jonge dames hebben mij gezonden.)
Bij die woorden wees hij naar de voorgalerij van het hotel, waar de dames en mijnheer Groenewald stonden, gereed het rijtuig in te stappen om te gaan toeren. Frank uitte een lichten kreet van verrassing. Hij wilde naar de familie toeijlen om haar zijnen dank te zeggen. Maar, daar klonk het kommando:
„Geeft acht!... Met pelotons, rechts afmarcheeren!... Marsch!... Guide links!”
Frank liet zijn voorgenomen kompliment in den steek. Hij wisselde nog een dankbaren blik met Adelien; maar volgde gedwee het kalfsvel, dat zich bij het kommando: marsch! dadelijk hooren liet en onmiddellijk afgewisseld werd met een opwekkenden marsch, door de stafmuziek, die zich aan het hoofd der kolonne geplaatst had, ten gehoore gebracht.
II.
WELTEVREDEN—BIJ HET SUPPLETIE-DEPOT.
Het detachement stapte kort daarop eene brug over, welke het kanaal of den rivierarm, die tot nu toe gevolgd was, overspande, schreed de Citadel Prins Frederik voorbij en ongeveer 150 M. verder de Sluisbrug over, die over een anderen tak van de Tjiliwong voerde, en was au binnen de palen van Weltevreden, die fraaie voorstad van Batavia, aangekomen. De weg voerde thans langs het Waterlooplein, op welks midden de nieuwelingen een onstichtelijk leelijke witgepleisterde zuil ontwaarden, waarop een nog leelijker leeuw lag, die er uitzag als een afschuwelijke geteerde kater, die lag te slapen en zoo den Leeuw van Waterloo moest verbeelden. Het detachement marcheerde langs de zuidwestzijde van het plein en passeerde daarbij een smaakvol gietijzeren monument van Gothischen vorm, dat zich op het kruispunt verhief, door de Willemslaan met den weg, die gevolgd werd, gevormd.
„Wat een fraai monument!” riep Dr. Hannius uit. „Zeker een mausoleum?”
„Dat is het Michiels-monument,” antwoordde kapitein Van Dam.
„Wie was Michiels?” vroeg de officier van gezondheid.
„Weet ge dat niet?” vroeg de kapitein verbaasd. „Maar.... het is waar, ge zijt zoo pas uit Moffrika herwaarts gekomen. Ge zult nog een cursus in Indische geschiedenis te doorloopen hebben, en dan zult ge wel vernemen wie Michiels was. Laat het u thans genoeg zijn te weten, dat hij een generaal was, die het leven voor zijn vaderland liet.”
„En wat is dat voor een groot gebouw daar ginds aan de overzijde van het plein?” vroeg de dokter.
„Dat is het zoogenaamde Groote Huis. Daarin zijn de Gouvernements-bureaux en gedeeltelijk die van het Militaire Departement.”
„Donnerwetter, die bureaux zijn niet slecht gelogeerd en niet uit eene karige beurs daargesteld!”
„Ja, maar, oorspronkelijk werd dat gebouw, hetwelk door Maarschalk Daendels ontworpen werd, tot paleis bestemd voor den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië. Toen het klaar was, had de Groote Heer geen trek om dien massieven steenklomp, die schromelijk veel geld gekost heeft, te betrekken, zoodat toen zijne bestemming gewijzigd werd. Te Rijswijk werd toen een ander paleis gebouwd. Zoo iets ziet men meer hier in Indië.”
Het Waterloo-plein was langs de drie andere zijden door officiers-woningen omgeven. Alleen aan het benedengedeelte der noordwestzijde, waar die aan de zuidwestzijde aansloot, bevond zich de Roomsche Kerk, die nederig en bescheiden met haar kinderachtig torentje niet veel meer dan eene kapel kan genoemd worden.
Het detachement vervolgde zijn weg langs de zuid-oostzijde van het plein tot nagenoeg vier vijfde van die zijde, alwaar de baan zich kruiste met die, welke van Passar Bahroe (nieuwe markt) kwam. Toen werd rechtsom gezwenkt en de zoogenaamde Groote Militaire postweg ingeslagen, die langs Meester Cornelis naar Buitenzorg voert.
Men marcheerde thans tusschen houten barakken door, die rechts tot huisvesting van twee veldbataillons infanterie strekten, en links van den weg tot magazijnen dienden; vervolgens voerde de weg over eene brug, die een spruitje, Kali Lio geheeten, overspande, waarna links zich eene lange rij Chineesche winkeltjes uitstrekte en zich rechts weer officiers-woningen verhieven. Het detachement was nu den eindpaal van dien marsch nabij. Het was tijd ook, want iedereen was doodmoe; niemand ontveinsde zich dat.
Plotseling opende zich tusschen twee officiers-woningen eene breede tamarinden-laan. Die werd ingeslagen en na een vijftig passen was men aangekomen.
Het waren fraaie steenen kazernes, met twee verdiepingen en zoowel boven als onder met bogen-galerijen omgeven, die ter ontvangst van de nieuw aangekomenen gereed stonden. Nauwelijks had het kommando: „ingerukt-marsch” weerklonken, of het signaal: „eten-halen” werd vernomen, en weldra deden de manschappen hunne intrede in de voor hen bestemde chambrées met het etensblik in de hand.
Het maal was schraal. In het onderblik was een geel, vuilachtig vocht met een dun bruin laagje bedekt. In dat vocht dreven eenige boontjes, ook eenige groenten, die op boontjes geleken, [30] eenige stokjes, die veel van geel vezelachtig touw hadden [31] en eindelijk eenige vezels en zenuwbundels, die uit het soepvleesch, dat dienzelfden dag aan de troepen van het algemeen depot verstrekt was, gesneden waren. Die geheele poespas werd betiteld met den naam van „sajor”. Het bovenblik was gevuld met gekookte rijst, die er onsmakelijk en grauw van kleur uitzag en aan gewicht ongeveer twee dekagram bedroeg. Op die rijst lagen twee balletjes gehakt, zwart gebrand en ter dikte van een dikken knikker. Naast die balletjes vertoonde zich eene groene roodachtige vlek op de rijst van zeer verdacht en zeer onsmakelijk uitzicht.
„En waar is de „sambal” naar genoegen,” vroeg een der manschappen, „waarvan te Harderwijk zoo hoog opgegeven werd en waaromtrent de kolonel-kommandant van het werfdepot bij zijn afscheidspreek nog met zooveel ophef sprak, toen hij over al het voortreffelijke gewaagde wat Java oplevert? Waar is de sambal naar genoegen?”
„En wat is dat dan?” vroeg de korporaal-planton-keuken, terwijl hij op die vieze vlek wees.
„Zoo, is dat sambal naar genoegen?”
„Loop naar je zuster met je sambal naar genoegen. Dat daar, wat je daar ziet is sambal.” [32]
„Maar, ik moet sambal naar genoegen hebben. Het staat zelfs in den Inwendigen dienst. Kom, geef mij nog wat?”
„Loop heen! De kok heeft alles, wat er was, verdeeld. Ga nu maar... je zult dat kostje toch niet lusten.”
„Niet lusten, korporaal? En de kolonel te Harderwijk heeft gezegd, dat het zoo lekker was! Niet lusten? Kijk....”
En dit zeggende schraapte de beluste de vieze groen roodachtige vlek op zijn lepel en liet dat kostje in zijn mond glijden. Een oogenblik stond hij daar, omringd door zijne makkers, die hem aangaapten. Hij nam den tijd om het genotene te proeven, maar plotseling liet hij een schreeuw hooren, spoog alles uit en gilde:
„Water! water!!.... o, mijn mond staat in vuur!”
Er was er een, die hem een klapperdop met water aanreikte; maar de korporaal sloeg hem die uit de hand.
„Neen, geen water!” sprak deze. „Dat vermeerdert den brand in de keel. Hier heb je een prop drooge rijst. Stop die nu maar achter je kiezen, dan zal het wel overgaan.”
En dit zeggende stak hij hem die rijst in den mond, die als de snuit van een karper gaapte om maar frissche lucht in aanraking met het gepijnigde verhemelte te brengen. Gelukkig, die drooge rijst bracht leniging aan. Maar nog lang daarna betuigde de onvoorzichtige, dat de zachte deelen van zijn mond uiterst pijnlijk waren.
Waar waren de heerlijke snert, de lekkere bruine boonen, de zoo malsche grauwe erwten, in een woord, waar was de heerlijke voeding van aan boord?
De rampzaligen zouden zich nog wel eens de schaftlijst van de Fernandina Maria Emma herinneren.
Het eten was zoo slecht, dat kapitein Van Dam, die met zijne officieren bij dat eerste maal van het door hem overgebrachte detachement tegenwoordig was, deswege klachten inbracht bij den kommandant van het depot. Veel gaf dat evenwel niet. De menage was en bleef ook de volgende dagen slecht.
Weinige manschappen aten, en zij die aan hun hongerige maag gehoor gaven, zetten nog gezichten, alsof zij door een kat achter in de keel gekrabt werden.
De tafel der onderofficieren, die tegen zeven uur plaats had, was iets beter. Toch betreurden ook deze de vetpotten van Egypte.
Dat er na zoo’n vermoeienden marsch en na de gemoedsaandoeningen, dien dag ondervonden, niet lang tabernakelen gebouwd werden, is wel na te gaan. Voor en na hadden de vermoeiden hunne slaapplaatsen opgezocht, die voor de manschappen bestond in een stroozak met dito kussen op slaaptafels [33] naast elkander uitgespreid. De onderofficieren bewoonden met hun tweeën kleine kamertjes, waarin twee houten kribben, die geen ander beddengoed bevatten dan de voormelde stroozak en hoofdkussen. Dekens waren overbodig en lakens werden als te weelderig eenvoudig niet verstrekt.
„Sakkerloot,” zei Frank, die zoo’n kamertje met Herman deelde, „hoe zal het mogelijk zijn op dien rondgevulden zak en kussen te slapen? Wij kunnen even goed probeeren op een cilinder te gaan liggen, wij zullen er zeker van afrollen.”
„Dat ding zal wel wat meegeven,” antwoordde Riethoven, terwijl hij met de hand op den hoog gebombeerden zak sloeg. „Drommels die zak is hard ook!”
En werkelijk, die slaap-fournituren—zooals zij in het officiëele heeten—waren niet met ons zacht tarwe- of rogge-, maar met rijst-stroo gevuld, dat zoowat de voeling weergaf, alsof die zak en dat kussen met spaanders, gemengd met takkebossen, opgestopt waren. Daarbij waren zij stijfrond en was de vergelijking met een cilinder niet overdreven.
Maar.... die dingen zouden onze helden niet beletten te slapen. Hoe weinig aanlokkelijk hunne intrede in de militaire wereld in Indië ook ware, bij hen werden bewaarheid de woorden van Beranger:
„Sur un grenier qu’on est heureux à vingt ans!”
Met de vlakke hand werden die slaapfournituren gebeukt, en toen de spaanders en takkenbossen zich niet naar eisch schikten, sprongen en dansten onze jongelieden, in weerwil van hunne vermoeidheid, er een poos op en bekwamen zoo eene ligging, die niet te zeer naar een liggend gangspil geleek. Die uitkomst eenmaal verkregen, waren zij gaan liggen en weldra had een weldadige slaap hunne oogen geloken.
Maar die staat van zaken duurde niet lang. Eerst begonnen zij onrustig te woelen, heen en weer te draaien, zich nu eens in den hals, dan weer in het gelaat, dan op de handen en ook op de voeten te krabben. In den half wakenden en half slapenden toestand, die hunne geestkracht geboeid hield, sloegen zij om zich heen, alsof zij een onzichtbaren vijand bestreden, deelden zich op wang of op voorhoofd klappen uit, die luid weerklonken. Eindelijk vloog Frank overeind:
„Dat is niet uit te houden,” kreet hij wanhopig. „Dat gonst, dat steekt, dat jeukt, om iemand tot vertwijfeling te brengen! Wat mag dat toch zijn? Daar heb je het weer.... tuuuut! tuuut! Wacht!” ....
Klets! klonk een slag.
„Mis! Die duivelsche dingen zijn slim ook. Wat kan dat toch zijn?”
„Dat zullen wel muskieten [34] zijn,” antwoordde Herman. „Die plaag, waarover wij toch nog al eens hebben hooren spreken.”
En inderdaad. Men was in het hartje van den westmoesson, en in dat jaargetij is niet alleen Batavia, maar zijn ook vele der noorderstrandplaatsen van Java, door zwermen muskieten geplaagd. La Fontaine heeft in een zijner meest geestige fabelen de overdrijving van betrekkelijk kleine wederwaardigheden kostelijk gegeeseld, toen hij een man aan Jupiter zijn bliksem ter leen liet vragen
„Jupin, prête moi ta foudre!”
om de.... zwarte kavalerie, waardoor hij bezocht werd, te kunnen vernietigen. En toch wanneer de geestige fabeldichter doodvermoeid, gedurende een geheelen langen tropischen nacht, ware blootgesteld geweest aan het zenuwachtigmakend gegons en geprik, waaraan onze baren blootstonden, dan wellicht had hij met zijn Fransch karakter niet alleen Jupyn’s bliksem te hulp gevraagd, maar het verzoek er bij gevoegd: in zijne almacht diegene dier kleine kwelduivels, welke aan zijne bliksemschichten mochten ontkomen, te willen vangen om hen de tong uit te trekken, of hen onder zijnen toorn te verpletteren.
Er was aan geen slapen meer te denken. Onze jongelieden sprongen dan ook op, kleedden zich, besloten als zij waren het restant van den nacht buiten in de galerij der kazerne op een stoel door te brengen. Dat restant viel niet mede. Even nadat zij gezeten waren, liet de diepe toon eener metalen klok in de verte zich hooren, waarna slagen op een houten blok vernomen werden. Dat geluid plantte zich voort, naderde, herhaald als het werd door al de tongtong’s [35] in den omtrek. Eindelijk klonk ook de metalen bel der politiewacht van het depot, terwijl al de schildwachten in den omtrek een luid maar geeuwerig: da! hooren lieten. Hadden de tonen der klok daar ginds, en de vreemdsoortige tongtongslagen rondom, onze jongelieden verrast; thans telden zij de slagen, die nu trilden. Zij ontstelden evenwel, toen zij bemerkten, dat het nog slechts elf uur was en er derhalve nog zes en een half uur verstrijken moesten, alvorens de dag aan den hemel zou gloren.
Half moedeloos zaten zij daar op hunne zoogenaamde Amerikaansche stoelen,—die met een ruw houten tafel en de vorenbesproken krib het eenige meubilair van de onderofficierskamers uitmaakten, en door hunne lage leuningen het lichaam al weinig steun, en met hunne harde lederen kussens het zitvlak nog minder gemak aanboden,—en keken naar den helderen sterrenhemel op. Ja, maar dát sterrenheir hadden zij reeds zoo menigmaal op zee bewonderd, ieder daarvan was schier een oude bekende voor hen. Dat kon hen niet boeien. Daarbij zij waren in geen gemoedsstemming om zulke heerlijkheden te waardeeren. Zij waren vermoeid, slaperig, voelden aangezicht, hals, handen en voeten met jeukerige builen overdekt, is het wonder dat hunne gesprekken niet opgewekt klonken, en dat die meer de weerspiegeling waren van de teleurstelling, die zich van hunne zielen meester maakte.