Part 27
[73] Voor den krijgsraad (bladz. 119). Het saaie en langdradige der rechtspleging heeft bij het schetsen van dit tooneel voor eene meer gewenschte veerkrachtigheid van het verhaal moeten plaats maken. Ik hoop, dat ik hierbij een niet al te vreemd beeld van den gang van zaken bij de behandeling van een geding voor den krijgsraad geleverd heb. Ik stel deze bemerking ter neer om den Generaal-criticus te gemoet te komen, die eens beweerd heeft, dat ik de rechtspleging voor de landmacht niet zou kennen. Mijne lezers ten dien opzichte geruststellende, betuig ik: dat het mij niet mogelijk was, een eenigszins genietbaar verhaal te leveren bij het nauwkeurig getrouw blijven aan den gang bij zoo’n geding.
[74] Theorie (bladz. 119). Zie omtrent dat woord de noot No. 42 op bladz. 389 van Naar den Equator.
[75] Uit de binnenlanden van Java en Madura of van Amboina (bladz. 121). Het 11e bataillon infie bestond destijds uit eene Europeesche, drie Javaansche, eene Madureesche en eene Amboineesche kompagnie.
[76] Het gaat al wonderlijk toe in de wereld (bladz. 129). Het geldt hier vroegere toestanden. Overigens wordt verwezen naar de noot No. 15 voorkomende op bladz. 386 van Naar den Equator.
[77] En kibbelde over de betaling van eene duit (bladz. 147). De schrijver heeft zoo’n geval in 1856 waargenomen. Een ter dood veroordeelde Eur. kavalerist, die den volgenden morgen zou gefusilleerd worden, bracht in de gevangenis te Weltevreden nagenoeg den geheelen nacht met kaartspelen door, en kibbelde herhaaldelijk over het betalen of het ontvangen van één duit, die destijds de waarde van 1⁄120 gulden vertegenwoordigde.
[78] Toetool (bladz. 155) is de Javaansche naam van de Felis pardus.
[79] Matjan en Singa (bladz. 155). Die woorden beteekenen in het Maleisch: tijger en leeuw. Die namen worden door Europeanen in Indië veel aan honden gegeven.
[80] Tjelleng (bladz. 156) = Sus verrucosus.
[81] De Lawoe (bladz. 157) een vulkaan, die 3254 M. of 10394 voet hoog is, ligt op de grenzen van de Residentiën Soerakarta en Madioen.
[82] De Tjerimai (bladz. 157) een vulkaan die 3070 M. of 9808 voet hoog is, ligt in de Residentie Cheribon.
[83] Karbouw-vogel (bladz. 161). Dit is eene soort lijster met fraaie bonte veeren.
[84] Schaduwboomen (bladz. 161). Hiertoe wordt op Java gewoonlijk de Erytrina indica gebezigd.
[85] Telogo Passir (bladz. 161) beteekent: zandmeer.
[86] Dessa (bladz. 167) is Javaansch en beteekent dorp.
[87] Plosso-boomen (bladz. 171) zijn vrij hooge woudboomen, die op de berghellingen van Midden- en Oost-Java veelvuldig aangetroffen worden. Hun loof, uit driebladig gevinde bladeren bestaande, is allerliefst en de fraaie vuurroode bloemtrossen bekoorlijk. De geleerden noemen die boomen: Butea frondosa.
[88] Tjakkar-beh-beh en Tjoemplingan (bladz. 171). Beiden zijn Convolvulus-soorten, die door de geleerden, de eerste: Ipomoea pes tigridis, en de andere Ipomoea Hewittia bicolor genoemd worden.
[89] De Willis (bladz. 171) is een vulkaan, op de grenzen van de residentiën Madioen en Kediri gelegen, die in zijn hoogsten top, Goenoeng Doerowati geheeten, eene hoogte van 2351 M. of 7512 voeten bereikt.
[90] Dessa-boschjes (bladz. 171). De dessa’s of dorpen liggen gewoonlijk in boschjes van vruchtboomen verscholen.
[91] Sawah’s (bladz. 172) zijn rijstvelden, die in de vlakten en ook op de berghellingen, ten allen tijde met behulp van waterleidingen en kunstmatig besproeid kunnen worden. De rijstvelden, die afhankelijk van den regen zijn, worden „hoembah” of „gaga” genoemd.
[92] Kaboepaten (bladz. 172) is de benaming eener Regentswoning. Vroeger heetten de regenten: boepati.
[93] Toedoeng (bladz. 174) is een hoofddeksel in den vorm van een slabak, en is gewoonlijk van palmbladeren vervaardigd.
[94] Droh (bladz. 174) is eene eerbiedsuitdrukking, titel zou men kunnen zeggen, die de Javaan steeds tegenover blanken, hetzij man of vrouw, bezigt.
[95] Raden Maas Adipati (bladz. 175). Dit is eene gewone titulatuur van een Regent.
[96] Kiahi (bladz. 175) is de titulatuur van een opperhoofd. Nimmer zal de Javaan het woord: harimao (tijger) bezigen. Hij zal zelfs vermijden over het dier te spreken. Kan hij evenwel niet anders, dan geeft hij het een titel bij voorkeur dien van kiahi om zijn eerbied te betuigen.
[97] Ketjoe’s (bladz. 177) zijn gewapende rooverbenden.
[98] Dengdeng (bladz. 183) is rauw vleesch, aan dunne reepen gesneden en in de zon gedroogd.
[99] Ikan sapat (bladz. 183) is een vischje dat veel overeenkomst met ons scharretje heeft, en gezouten en gedroogd in den handel voorkomt.
[100] Het fort Pontjol (bladz. 183) is eene gebastionneerde redoute, die aangelegd is, om in verband met eenige andere kleinere werkjes de reede van Semarang te verdedigen. Als die werken ooit daartoe voldoende gerekend zijn, dan zijn zij dat niet meer, daar zij door de verbazende aanslibbing der noordkust van Java, thans veel te ver van den zeeoever verwijderd liggen.
[101] Bodjong (bladz. 183) is eene buitenwijk van Semarang.
[102] Sajor-petèh (bladz. 184) beteekent: petèhsaus. De petèh is eene peulvrucht afkomstig van de Parkia speciosa, eene Mimosceën-soort. De petèhboonen hebben eenen hoogst onaangenamen geur, maar smaken goed toebereid zeer lekker.
[103] Karbouwenlapjes (bladz. 184). De hier bedoelde lekkernij is de binnenwand van een karbouwenmaag in vierkante stukjes gesneden en in klapperolie gebraden. Door de inlanders worden zij „babat” geheeten.
[104] Oesi-oesi (bladz. 184) zijn gebraden kippen- of kalfsdarmen.
[105] Randoesari, Djoemblang en Karang Bidara (bladz. 184). De twee eerstbedoelden zijn groote dessa’s in de nabijheid van Semarang. De derde is eene buitenwijk van die plaats.
[106] Koeda galadak en koeda haloes (bladz. 186). Het eerstbedoelde is een werkpaard, Koeda haloes beteekent een fijn paard, dus een rijpaard, een heerenpaard. Na hetgeen ik in den tekst van dit laatste gezegd heb, wanhoop ik er aan om van het eerstbedoelde eene beschrijving te kunnen geven. Om dat waardig te doen, zou het talent noodig zijn van den schrijver van den Danse macabre.
[107] De Oenarang (bladz. 188) is een vulkaan, op de grens van de Residentiën Semarang en Kadoe gelegen, die 2047 M. of 6527 voet hoog is. Aan zijn noord-oostelijken voet is een groote kampong van denzelfden naam gelegen.
[108] Merak Mati (bladz. 188) is een vrij groote kampong, die haren naam ontleent aan een’ kleinen berg—een vulkaan in miniatuur. Merak Mati beteekent eigenlijk: doode pauw. Zeer waarschijnlijk is die naam evenwel afgeleid van de woorden: Mer api mati, hetgeen beteekent dooden of uitgebranden vuurberg.
[109] De Telemojo (bladz. 188) is een kleine vulkaan, die 1880 M. of 6006 voet hoog is.
[110] De Toentang (bladz. 188) is eene rivier, die uit een moerassig meer, Rawah Peneng genaamd, ontspringt, en zich onder den naam van rivier van Demak in de Java-zee stort. Van de Toentang en van de Rawah Peneng zullen de lezers later meer vernemen.
[111] Merbaboe (bladz. 188) is een vulkaan, op de grenzen van de Residentiën Kadoe en Semarang gelegen, die 3116 M. of 9955 voet hoog is.
[112] Eene galadak (bladz. 188) op Java is wat men zou kunnen noemen een militair passantenhuis. Voor die inrichtingen wordt hoegenaamd geen zorg gedragen. En wordt er al eens naar omgekeken, dan gaan de civiele ambtenaren gewoonlijk van het denkbeeld uit, dat, hoe vies, hoe smerig, hoe vervallen en hoe overbevolkt ook door het wandgedierte, die passantenhuizen ook zijn, zij goed genoeg voor de mindere militairen moeten geacht worden.
[113] Witte mieren (bladz. 188) = Termes fatalis.
[114] Merapie (bladz. 189) is een vulkaan, op de grenzen van de Residentie Kedoe, Djokjokarta en Soerakarta gelegen, die 2807 M. of 8967 voet hoog is.
[115] Madja (bladz. 191) is een plaatsje in de Residentie Cheribon, aan den westelijken voet van den Tjerimai gelegen.
[116] Majoor (bladz. 196). In de militaire hospitalen, wordt de behandelende geneesheer steeds met den titel van majoor begiftigd.
[117] Zaal 7 (bladz. 198) was destijds de dyssenterie-zaal.
[118] De gamelang (bladz. 199) is een orkest van vele metalen bekkens, die bespeeld worden. Na de Amsterdamsche Koloniale Uitvoerhandel Tentoonstelling zal het wel onnoodig zijn, eene nadere beschrijving er van te geven.
[119] „Jan den dief” (bladz. 200). In alle militaire hospitalen werd destijds een „Jan den dief” aangetroffen. Waaraan die naam ontleend is, heb ik niet kunnen ontdekken. Het is evenwel geen individu, die steelt, maar bij wien allerhande zaken te koop zijn, zoowel eetwaren als papier, enveloppen, sigaren, tabak, speelkaarten, zelfs sterke drank. Waar vandaan hij de meeste dier zaken, die in de hospitalen verboden zijn, erlangt, weet de hemel alleen.
[120] Pisang radja (bladz. 201) is een der edelste soorten van de Musa paradisiaca.
[121] De Lampongs (bladz. 204). Zoo wordt het Zuider gedeelte van Sumatra geheeten. Destijds was het een onbeduidend gewest, hetwelk door een kapitein als Civiel en Militair Gezaghebber bestuurd werd. Sedert is het tot eene residentie verheven.
[122] Op de liederlijkste wijze door de wervers met behulp van opium en spel in het net gelokt zijn (bladz. 209). Ik breng hier voor hen, die op de Militaire bureaux te Batavia bekend zijn, in herinnering de aanschrijving van den G. G. Duymaer v. Twist, waarbij de kunstgrepen, bij de werving van inlandsche militairen gewoonlijk gebezigd, verboden werden. Ik breng tevens in herinnering, dat dat verbod bij latere zeer geheime aanschrijving ingetrokken werd.
[123] Eene tandoe (bladz. 211) is een draagtoestel. De hier bedoelde zou men hier te lande brancard noemen.
[124] De randsels (bladz. 213). Destijds behoorden de randsels tot de velduitrustingen en werden derhalve in het garnizoen niet verstrekt.
[125] Gollokh’s (bladz. 213) zijn eene soort hakmessen, die eigenlijk geen wapen mogen genoemd worden. Zij zijn daarentegen uiterst nuttig om zich in de wildernis baan te breken.
[126] Wingsen (bladz. 224) waren worstvormige smakelooze schouderversieringen van geel sajet vervaardigd.
[127] Frisschen morgenwind (bladz. 226). De maanden Juni, Juli en Augustus leveren de koelste nachten op van het geheele jaar. Niet zelden wijst dan de thermometer des morgens bij het opgaan der zon 64o F. aan.
[128] De Kleine Boom (bladz. 227) is het kantoor van in- en uitgaande rechten aan het haven-kanaal gelegen, alwaar de visitatiën der bagages enz. door de douanen plaats hebben.
[129] Een slendang (bladz. 228) is een kleedingstuk, een soort sjerp, die voornamelijk door de inlandsche vrouwen over den schouder gedragen wordt. Moeders en baboe’s wikkelen er gewoonlijk kleine kinderen in, en dragen die, hetzij op den rug, of schrijlings op de heup.
[130] Snuivende zoenen (bladz. 228). De bewoners, van den Ind. archipel kussen niet, zooals wij westerlingen dat doen. Zij drukken hunnen neus tegen het te zoenen voorwerp, en snuiven daarbij sterk en met gedruis de lucht op. Sommige maken daarbij eene beweging met den neus, alsof zij het te zoenen voorwerp al snuivende willen afvegen.
[131] Kree’s (bladz. 230) is een soort matwerk van zeer fijne bamboelatjes vervaardigd. Die latjes worden op een onderlingen afstand gelijkstaande aan hunne dikte gebonden, zoodat de luchtstroom er heerlijk doorheen kan.
[132] Eene soeling (bladz. 232) is eene inlandsche dwarsfluit.
[133] De kanari-boom (bladz. 234) is een der fraaiste boomen van Nederlandsch-Indië. Hij wordt voornamelijk aangeplant tot het vormen van lanen. Zijn naam in de botanische wereld is Canarium commune.
[134] Zich lekker maken (bladz. 235) is een Indische uitdrukking, welke beteekent: het zich gemakkelijk maken.
[135] Een Java-paal (bladz. 236) is een afstand van 1507 M.
[136] Kruisbooten (bladz. 239) zijn lichte vaartuigen, gewoonlijk met schooners- of kotters-tuig—met een of hoogstens twee stukken kanon gewapend—bestemd om voortdurend te kruisen en derhalve de politiedienst in den Indischen Archipel uit te oefenen.
[137] Majang- en tjunia-prauwen (bladz. 239) zijn lichte inlandsche zeebouwende vaartuigen.
[138] Poeloe Seboekoe en Tandjong toea (bladz. 240). Eerstgenoemde is de naam van een eiland in de Lampong-baai gelegen. De andere is de naam van den zuidoostelijksten punt van het eiland Sumatra, en heet bij de Europeesche zeelieden: varkenshoek.
[139] Poeloe tiga (bladz. 240) beteekent: drie eilanden. Er zijn schrijvers, die deze eilandjes: tiga poeloeh genoemd hebben. Dat is eene vergissing, want dat beteekent: 30.
[140] Dapoer (bladz. 242) is een toestel, gewoonlijk van gebakken zandgrond, waarop gekookt wordt. Overdrachtelijk heet de keuken ook dapoer.
[141] Atàp (bladz. 242) is eene dakbedekking, die gewoonlijk van de bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt.
[142] Kadjang omwanding (bladz. 242) is een matwerk, dat ook van de bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt.
[143] Niboeng (bladz. 242) is eene fraaie slanke palmsoort, door de plantenkundigen Areca Nibung geheeten. De stam van dien palm levert een sterk hout, dat zich zeer gemakkelijk tot latten laat splijten.
[144] Tampat mandi (bladz. 248). Mandi beteekent: baden, Tampat mandi = badplaats.
[145] Kembang sapatoe (bladz. 250) = Hibiscus rosa sinensis. Van deze bestaan zeer veel variëteiten, met dubbele en enkele, met groote en kleine bloemen. Vooral komen de variëteiten in de kleur der bloemen uit. Er bestaan vuurroode, rooskleurige in alle schakeeringen, paarsche, witte en gele kembang Sapatoe.
[146] Sedap malam (bladz. 250) = Polyanthes tuberosa. Katja piring = Gardenia florida. Melattie = Jasminum sambec.
[147] Kembang mawar (bladz. 251). Zoo worden door de inlanders alle rozensoorten geheeten. De hier bedoelde is de „rosa indica”, die in sommige bergstreken gekweekt wordt, en dan overschoone heggen vormt.
[148] De prachtigste orchideeën (bladz. 251) waaronder in de bedoelde bergstreken, op ± 2000 voet hoogte gelegen, aangetroffen worden, b.v.: de Vanda tricolor suavis,—door de inlanders „angrek kringsing” genaamd—met hare fraaie paarsche bloemtrossen, met oranjekleurig hart,—de Coelogina speciosa—angrek djamboe—met hare vijf hoekige bulbis en hare bruine bloemtrossen, die wonderlijk grillig van vorm zijn met heure harige en onevenredig groote bovenlip en zijlobben; en de Phalaenopsis grandiflora—angrek poeti bezar—met hare fraaie bonte bladeren, met haren langen bloemstengel, aan welker uiteinde een tros zacht-lilakleurige bloemen bengelt, enz., enz.
[149] Aardorchideeën (bladz. 251), waaronder o.a. de Cipipredium javanicum—angrek plembang—met hare wonderlijk gevormde bloem, welker onderlip den vorm van een muiltje vertoont.
[150] Pandan bebaoe (bladz. 252) = Pandanus odoratissimus.
[151] Wariengien (bladz. 253) = Ficus religiosa.
[152] De Takka laoet (bladz. 254) wordt door Miquel Tacca cristata en in Paxton’s Botanical Dictionary Attaccia Rafflesiana genoemd.
[153] Een allerliefste vuurvliegje (bladz. 259). Waarschijnlijk een Lampyris of ook wel een Fulgora of lantaarndrager, waarvan in Nederlandsch Indië verscheidene soorten aangetroffen worden.
[154] Benteng (bladz. 262) is de inlandsche naam eener versterking. Gevoegelijk is dat woord door: fort te vertalen.
[155] Kemiri (bladz. 263) = Aleurites tribola. De noten smaken als fijne amandelen.
[156] De peper (bladz. 266) = Piper nigrum.
[157] Kedjineman (bladz. 267) is een Javaansch woord, dat het best door „in dienst zijnde werkman” te vertalen is.
[158] Patjar tjina (bladz. 268) is een sierlijk struikgewas, dat door de geleerden Lawsonia alba, ook wel Aglaja odorata genoemd wordt.
[159] Idjoh (bladz. 272) is eene zwarte haarzelfstandigheid, die tusschen den stam en de bladstelen van de Arengpalmen groeit.
[160] Brandals (bladz. 274) beteekent: muitelingen.
[161] Rappat (bladz. 275), beter gezegd landraad, is eene rechtbank, die door het Europeesche hoofd van gewestelijk bestuur gepresideerd wordt, maar welker leden uit inlandsche hoofden bestaan.
[162] Oelam emas (bladz. 278) is de Javaansche naam van eene soort goudkarper, die door de geleerden Cyprima flavis punis geheeten wordt. Die visch wordt ongeveer twee voet lang.
[163] Tambra (bladz 278) = Labea barbus tambra. Deze visch bereikt bij volkomen wasdom eene lengte van ruim drie voet en weegt dan ± 20 katti’s of 25 Amsterdamsche ponden. Is zeer lekker.
[164] Goerami (bladz. 278) = Osphromeus olfax. Is een visch die ongeveer 1½ voet lang wordt. Is de lekkerste zoetwatervisch, die in den Indischen Archipel aangetroffen wordt.
[165] Kilaling (bladz. 278) = Bogarius Buchanani. Dit is een geduchte roofvisch, die ruim drie voet lang wordt.
[166] Randjoe’s (bladz. 281) zijn een soort voetangels van bamboe, van ijzerhout of van andere harde houtsoorten vervaardigd. Zij zijn een geducht chicane-middel voor den ongeschoeiden voet onzer inlandsche soldaten, en noodzaken de Europeanen zelfs om uiterst voorzichtig voorwaarts te schrijden. Het is meermalen gebeurd, dat zoo’n randjoe de schoenzool doorboorde en den voet deerlijk wondde.
[167] Borang’s (bladz. 281) zijn lange randjoe’s, die onder eene zekere helling in het hooge gras of te midden van het struikgewas geplant worden, en waaraan de aanvaller zich den buik gevaarlijk wonden kan. In ieder geval noodzaakt dit chicane-middel hem om behoedzaam en langzaam vooruit te gaan.
[168] Op den bedoelden top aan (bladz. 283). De Radja Bassa-top is 1341 M. of ruim 4316 voet hoog.
[169] De eilanden Seboekoe en Sebessi (bladz. 285). De hoogste top van het eiland Seboekoe bereikt 426 M. of ruim 1360 voet. De top van het eiland Sebessi is 859 M. of ruim 2744 voet hoog.
[170] Krakatoea (bladz. 285). De piek van Krakatoea is (was) 823 M. of ruim 2629 voet hoog.
[171] Maar het is misdadig (bladz. 292). Ik laat hier volgen wat destijds aan de troepen te velde verstrekt werd: 1⅓ pond rijst of 1 pond hard brood, zoogenaamde scheepsbeschuit, ¾ pond versch rund- of gezouten vleesch, in vervanging waarvan ook ½ pond gezouten of gerookt spek of ½ pond gezouten visch kon verstrekt worden, 1⁄25 pond koffie, 1⁄120 pond peper, 1⁄12 pond zout, 1⁄10 kan jenever of arak, 1⁄1000 vadem brandhout, 3⁄1000 kan lampolie. De ponden beteekenen Amsterdamsch gewicht en de kannen Bataviasche maat. De inlandsche soldaten bekwamen minder vleesch, geen spek en slechts 1⁄30 kan jenever.
[172] IJzerhout (bladz. 296) wordt door de geleerden Eusideroxylon Zwagerii genoemd.
[173] Poeloe Bessi en Krakatoea (bladz. 296). Deze uitleg dier namen, die zeer aannemelijk is, werd mij zoo in het jaar 1856 medegedeeld. Laat mij hier nog bijvoegen, dat tegenover Karang toea of Krakatoea in Bantam een berg ligt, die Karang heet, en door de inlanders wel eens Karang moeda genoemd wordt. Vergelijk nu daar eens mede het verhaal van een grappenmaker—dat evenwel na den Krakatoea-ramp op 27 Augustus 1883, in alle Nederlandsche couranten de rondte deed—alsof de naam Krakatoea van „krakende touw” en Sebessi van „slib in zee” zou afgeleid zijn, aan welke afleiding een dwaze hollandsche matrozenlegende werd vastgeknoopt. Alsof de inlanders zich bij het geven van namen aan onze matrozenverhalen zouden storen en diensvolgens hunne nomenclatuur vaststellen!
[174] Een groote inktvisch (bladz. 296). Zie daaromtrent de noot No. 76 op bladz. 391 van Naar den Equator. Het hier bedoelde dier, dat de schrijver zelf gezien en waarvan hij gegeten heeft, was waarschijnlijk een jonge Architeuthis princeps.
[175] Kaoem (bladz. 298) is een soort Mohammedaansch priester, wiens voornaamste bezigheid is driemaal daags, op de bedoed, die gewoonlijk onder het afdak der missigit staat, te roffelen.
[176] Bedoed (bladz. 298) is een instrument, dat niet beter te vergelijken is dan met eene overgroote Turksche trom, die slechts aan eene zijde met een vel bespannen zoude zijn.
[177] Adat (bladz. 300) beteekent: gewoonte, gebruik. Stelt in Indië een grooteren band daar dan nieuwbakken wetten.
[178] Dat de schuldige jaren geleden (bladz. 301). De bedoelde moord werd in 1851 gepleegd.
[179] Confiteor Deo omnipotenti (bladz. 310) beteekent: ik belijd aan den almachtigen God. Het zijn de beginwoorden van een formulier van schuldbekentenis, hetwelk steeds de eigenlijke belijdenis der zonden bij de oorbiecht voorafgaat.
[180] Meâ culpâ, meâ maximâ culpâ (bladz. 310) beteekent: door mijne schuld, door mijne overgroote schuld. Behoort tot het hierboven bedoelde formulier.
[181] Ideo precor beatam Mariam semper Virginem (bladz. 310) beteekent: Daarom verzoek ik de gelukzalige Maria, die steeds Maagd gebleven is, enz. Dat is eene smeekbede van den biechteling aan de Moedermaagd, aan alle Heiligen, ook aan den biechtvader, God den Heer te willen bidden den zondaar vergeving te schenken.
[182] Viaticum (bladz. 310) is de naam van het Nachtmaal aan stervenden verstrekt.
[183] Groene en roode briefjes (bladz. 314). Dat was destijds papieren geld van 5 en 10 gulden.
[184] Boegineezen (bladz. 317). Zoo worden de bewoners van Boni en aangrenzende rijken op Celebes genoemd.
[185] De geweren worden gebruineerd (bladz. 322). In Indië zijn de ijzerdeelen der geweren niet blank zoo als hier te lande. Het onderhoud dier wapens zou in die warme, vochtige atmosfeer te lastig en te schadelijk zijn door te veel slijtage. Al de zichtbare ijzerdeelen worden met een bijtend middel—een mengsel van sulphas ferri en murias ferri liquidum gebruineerd. Dat bruineeren heeft nog een ander voordeel dan het onderhoud der wapenen te bevorderen, namelijk, dat op die bruindoffe geweerloopon de zonnestralen niet kunnen weerkaatsen, en zoo den troep in de verte niet kunnen verraden.
[186] Amokh (bladz. 322) is een kreet, die bij moord zoowel door den moordenaar als door de bedreigden aangeheven wordt.
[187] Melattie-bloempjes (bladz. 333) zijn allerliefste uiterst welriekende bloemen, die door de geleerden Jasminum Sambec genoemd worden.
[188] Nonnie (bladz. 334) is eene verbastering van nonna. Wordt tegen zeer kleine meisjes gebezigd. Zie verder de noot No. 44 op bladz. 375 hiervoren.
[189] Pagger (bladz. 334) beteekent: heg.
[190] Matraman (bladz. 335) is een landgoed, dat in de afdeeling Meester Cornelis langs de Tjiliwong gelegen is.
[191] Pagger-koffiestruiken (bladz. 337). In zeer vele kampongs worden koffieheesters als heggen gebezigd.
[192] Sambalans en sajorans (bladz. 337). Zie omtrent het eerstbedoelde woord, de noot No. 32 op bladz. 273 hiervoren. Sajoran is ook eene toespijs voor de rijsttafel, waarvan „daoen sajor” (groentebladeren) de voornaamste bestanddeelen zijn.
[193] Bantal goeling (bladz. 340) is een kussen, een rolkussen, in den vorm van eene dikke worst. Wordt in Indië zeer veel ter bevordering van de luchtigheid gebezigd.
[194] Stip (bladz. 340) was destijds een schimpnaam voor de adjudant-onderofficieren bij het leger, waarschijnlijk omdat zij zoo stipt hunne plichten vervulden.
[195] De acht en twintig naderden (bladz. 342). Die leeftijd was het maximum, waarop een kandidaat tot het afleggen van het officiersexamen werd toegelaten.
[196] ((In den tekst op bladz. 345 staat abusievelijk (182) moet zijn (196).)) De weg naar Meester Cornelis (bladz. 345) is 3¾ paal of ruim 5½ kilometer lang.
[197] Les Sept Caveaux (bladz. 362). Zoo wordt eene galerij genoemd, die zich in de helling van den berg, ter halver hoogte daarvan bevindt. Van de boot op de Maas gezien, leverde die galerij een schilderachtigen aanblik op.