In het land der zon

Part 20

Chapter 203,681 wordsPublic domain

Inmiddels klom de dagvorstin boven den oostelijken nokrand van het omliggend gebergte, verguldde het woud aan den tegenovergestelden kant, terwijl het bosch, dat aan den zonnekant den meerbekkenrand bekleedde, in een donkere schaduw bedekt bleef, totdat de zon eenigszins hoog boven dien rand gestegen was. Frank had het roer gegrepen, en met de zuidelijke bries gelaveerd om het midden van het meer te bereiken. Het water had eene blauwe tint en was zoo helder, dat, hoe diep het meer ook op sommige plaatsen was (120 voeten), overal de zandige bodem, hier en daar afgewisseld met kalk- en trachietrotsen, duidelijk zichtbaar was. Daar er niet geroeid werd, en de boot slechts zacht en kalm door den wind voortgedreven werd, vertoonden de visschen, waaraan het meer zoo rijk was, zich onbeschroomd in de nabijheid. Belangstellend bogen de opvarenden zich over boord om de bewegingen der levendige dieren in het heldere water te volgen.

„Ziet,” riep Adelien, „daar hebt ge eenige goudkarpers.” „Sariman, namanja apa itoe ikan?” (Sariman, hoe heeten die visschen?)

Sariman was een der bedienden van het landhuis. Hij met eenige zijner landgenooten hadden plaats in het schuitje genomen, om bij de behandeling der zeiltjes behulpzaam te zijn, ook om te roeien, wanneer de wind vallen mocht.

„Itoe, oelam emas, [162] nonna.”

„Kijk, daar schiet eene geheele school tambra’s,” [163] riep Adelien. „Hemel, wat zijn die groot!”

„En daar een zestal goerami’s”. [164]

„Kijk, die goudvisschen eens wegschieten!” riep Frank. „O! nu zie ik waarom; kijk, die roofvisch zit hen achterna. Wat is dat voor een visch, juffrouw Adelien?”

De vraag werd aan Sariman overgebracht.

„Itoe, kilaling [165] nonna. Tjelakka dia, sebab makan banjak ikan.” (Dat is eene kilaling, juffrouw. Hij is een ramp, want hij verslindt veel visch).

Zoo hield ons gezelschap zich een tijd bezig. Maar eindelijk was ook van dat zeiltochtje het nieuwtje af. De zon was al hooger en hooger geklommen en begon hinderlijk te worden. Op een wenk van mevrouw Groenewald zette Sariman de zonnetent uit.

„En nu,” sprak Adelien, „zou Frank gevoegelijk met de voorlezing van den brief van Riethoven kunnen vervolgen.”

„Ja, dat is goed.... Uitmuntend!” was aller instemming.

„Als ik hem maar bij mij heb,” zei Frank, terwijl hij ijverig in zijne zakken tastte. „Met die malle klapperonthoofding zou het.... O, daar heb ik mijne portefeuille! Luistert, ik loop van stapel!”

„... Eindelijk vertoonde zich eene opening in het bosch—juist, daar was ik gisteren avond gebleven,” viel Frank zich zelven in de rede, „toen de katjesman....”

„De katjesman?”.... vroeg Adelien verwonderd.

„Ja, die man, die op de tongtong sloeg.”

„De kedjineman, ongelukkige!”

„Nu dan, toen de kedjineman ons naar bed joeg;... in het bosch en daar voor ons vertoonde zich eene borstwering voor ons oog, die de geheele breedte van de bergrib, die wij bestegen, innam en aan weerszijden aan de duizelingwekkende diepte leunde. Keek men in die diepten, dan zag men op de kruinen van uitermate hooge boomen neer, die met de struiken en ruigten daar eene wildernis vormden, die eene omtrekking langs die schier loodrechte hellingen onmogelijk maakte. Had de vijand dat punt verdedigd, Frank, dan had het bloed, zeer veel bloed gekost om het te bemachtigen. Maar zoo als ik reeds verteld heb, daags te voren was het reeds verlaten geworden. Wij trokken die borstwering langs of beter door, die eigenlijk maar een voorwerk vormde; want van af dat punt breidde zich het vlak der bovenbedoelde bergrib uit, en kwamen wij een honderd passen verder aan eene tweede borstwering, die thans een onregelmatig berg vlak aan de voor- en achterzijde omgaf. Aan de westzijde bestond zij uit een aarden wal van een paar meters dik, tusschen bamboezen binnen- en buitenomwandingen loodrecht opgezet. Aan deze zijde was niet veel gevaar te duchten, daar de westzijde door het voorwerk gedekt was, en daarenboven eene berggraat bestreek, waarop een aanvaller zich slechts in een zeer smal front kon ontwikkelen. De noord- en zuidzijden waren door geene omwalling gedekt. Daar verhief de berghelling zich bijna loodrecht boven de vlakte, waarin de grootste boomen als kinderspeelgoed schenen. Ik ben overtuigd, dat zelfs de apen nimmer beproefd hebben Bandoeloe aan die zijden te beklimmen. Maar langs de oostzijde, waar het plateau, waarop de benting lag, in de verdere hellingen van den Radja Bassa-berg overging, en waar dus een aanvallende vijand zijne macht ontwikkelen kon, was eene buitengewone sterke borstwering aangelegd. Deze bestond uit op elkander gestapelde rotsmassa’s waarvan de tusschenruimten met aarde aangestampt waren, die een hoogen wal vormden met naar buiten gerichte zeer scherpe helling, aan welker voet bovendien nog een vrij diepe droge gracht gegraven was. De borstwering had een zeer breeden basis, zeker wel 20 of 25 M., en waren in het binnentalud, dat vrij glooiend verliep, drie banketten gespaard, waarop schutters geplaatst konden worden, die door bamboekokers, dwars door de dikte der borstwering aangelegd, konden vuren. Wel is waar, was door zoo’n inrichting het schootsveld zeer beperkt, maar daartegenover stond, dat de verdedigers volkomen gedekt stonden tegen horizontale vuren; terwijl daar geen zwaar geschut te brengen was, om die borstwering in bres te leggen, altijd rekening houdende met de middelen, waarover wij te beschikken hadden. Nogmaals, wanneer de vijand hier ernstig weerstand geboden had, dan had het nemen van Bandoeloe ons op zeer groote verliezen te staan gekomen, want de aanvalbare zijde van het werk was daarenboven zooveel mogelijk stormvrij gemaakt, door „randjoe’s” [166] en „borangs” [167] waarmede de omtrek rondom het werk op aanmerkelijken afstand beplant was.

„Van de bewapening van Bandoeloe kan ik niet veel mededeelen. Wij hebben er geen geschut in gevonden. In het voorwerk evenwel waren drie geschutstellingen aanwezig. Van spionnen werd vernomen, dat de vijanden bij het verlaten van de sterkte hunne kanons hadden medegevoerd. Wij vonden nog ettelijke sigarenvormige mandjes van gevlochten bamboe, die met stukgeklopte steenen gevuld waren, en dus als kartetsen dienst moesten doen. Ik heb ook een paar geweerkogels in mijn bezit gehad, die er volmaakt als een onzer projectilen uitzagen, maar uit een van koraalsteen geslepen knikker bestonden, met een dun laagje tin overdekt.

„Bandoeloe is een waar adelaarsnest. Het ligt volgens deskundigen op ongeveer 1800 voet boven de oppervlakte der zee, en daar men de zee om zoo te zeggen aan zijne voeten ziet, en men als het ware er over zweeft, is de vergelijking met een adelaarsnest niet onjuist gekozen. Van het uitzicht over de straat Sunda zal ik zoo dadelijk, want ik ben hooger geklommen en heb den Radja Bassa-piek betreden, spreken.

„Bijna iederen morgen bij ons ontwaken, ontwaarden wij op de hellingen van den berg eene dampopstijging, die het beste te vergelijken was bij eene stoompluim, die uit eene kolossale afvoer-buis van een machtigen stoomketel ontsnapte. Dat verschijnsel duurde zoo omstreeks tot 10 uur in den morgen, waarna het verdween. Allen waren wij nieuwsgierig, wat dat zijn kon, en ik hoorde nu en dan de officieren de meening uiten, dat daar ergens een krater moest bestaan. De afstand van dat punt tot Bandoeloe was niet groot, zoodat ik dan ook herhaaldelijk het verlangen hoorde uiten, die plek te mogen bezoeken. Eindelijk gaf onze kapitein aan dat verlangen toe. Een luitenant zou met dertig vrijwilligers derwaarts gaan, en van zijn bevinding rapport uitbrengen. Hoewel al mijn collega-onderofficieren zich met mij voor dien tocht hadden aangemeld, koos de luitenant mij uit om hem te vergezellen. Met het krieken van den dag waren wij op weg, en het kon zoo omstreeks acht uur zijn, toen wij ons doel genaderd waren. Een gids of zoo iets hadden wij niet bij ons. Wij waren eenvoudig een vrij bruikbaar pad gevolgd, dat ons van tijd tot tijd een uitzicht ruim genoeg verleende, om ons te vergewissen dat wij in de goede richting bleven; terwijl wij overigens op het kompas van den luitenant marcheerden. Het schouwspel was grootsch, hetwelk wij tot belooning van onze inspanning voor oogen kregen. Aan onze voeten gaapte een trechtervormig gat van eene middellijn aan den bovenrand van ongeveer 150 meter. De bodemvlakte, die op ongeveer 50 à 60 meter beneden ons lag, was zeer hobbelig, en droeg, van boven af gezien, wel sporen van eenmaal in gesmolten toestand verkeerd te hebben, terwijl hier en daar rotsblokken met scherpe kanten verspreid lagen, die klaarblijkelijk van de wanden waren afgestort. Die wanden waren, evenals de bodem, geheel naakt; men kon de twee of drie verschillende lagen waaruit zij bestonden, door verschil van kleur van het donkergrijze naar het lichtgrijze, duidelijk onderscheiden; terwijl hier en daar bij uitstekende rotsgedeelten, witte of gele plekken bespeurd werden, die op neerslagen van aluin of van zwavel duidden. Tusschen twee kolossale rotsblokken spoot een machtige stoomstraal, met een geluid alsof wel honderd locomotieven stoom afbliezen, uit den bodem, en deed den ketelrand, waarop wij stonden, trillen van het geweld, waarmede die ontlasting plaats had. Het was niet mogelijk elkander toe te spreken, zoo krachtig was het geluid.

„Ja, daar stonden wij dat bekken en die stoompluim aan te staren, maar beneden komen konden wij niet. Hadden wij eenige vlaggelijnen meegenomen, dan.... maar wij hadden ze niet. Dat was wel jammer! Want al ben ik geen geoloog, toch had ik den bodem van dien kleinen krater wel hebben willen betreden, en die stoomontlastingsbuis van nabij naderen.

„Toen wij onze teleurstelling volop genoten hadden, stelde ik den luitenant voor den Radja Bassa-top te beklimmen. Ziet, die kegelvormige spits lag daar zoo uitlokkend voor ons. De helling scheen niet te steil. Het plantenkleed niet al te dicht, terwijl het pad verleidend zacht omhoog slingerde. Het was daarenboven nog zoo vroeg, dat het wel bespottelijk zoude zijn nu reeds terug te keeren, terwijl wij toch voor den avond te huis zouden zijn. In het kort, de luitenant liet zich bepraten. Aanvankelijk was het klimmen ook niets moeielijk; maar langzamerhand werden de hellingen scherper en wel soms zoodanig, dat wij op handen en voeten moesten klauteren, waarbij wij ons hier van een tak, elders van een wortel, dan weer van een vooruitspringende rots moesten bedienen, om ons naar boven te hijschen. Hijgend en afgemat kwamen wij zoo tegen twee uur op den bedoelden top aan. [168] Merkwaardig viel het ons, dat, terwijl de weelderigste plantengroei ons op ons pad vergezeld had, de top en de helling, tot ongeveer 300 meter daar beneden, bijna kaal genoemd kon worden, en slechts met een stekelig kort gras bedekt was, dat niet vertikaal opschoot, maar horizontaal vertakt over den bodem kroop. Die top had eene oppervlakte die onregelmatig was, maar den ovaalvorm naderde, in zijne grootste lengte 120 en in zijn grootste breedte 80 pas mat, en lichtelijk van het oosten naar het westen helde.

„Maar, Frank, wat een gezicht spreidde zich daar onder onze voeten uit! Naar het noorden, het oosten en zuidoosten waarde ons oog over een bergachtig landschap, hetwelk wij van ons standpunt geheel beheerschten, en dat ons een beeld van woestheid voorspiegelde, dat moeielijk te overtreffen zal zijn. De hoogten stapelden zich op, verdwenen weer in peilloos diepe ravijnen, en waren niet ongelijk aan reusachtige golven eener woest aanstormende zee, die plotseling in volle beweging verhard, versteend zouden zijn, en daarna met de schatten van het plantenrijk overtogen waren geworden. In engeren kring was het of die golven, opvolgend hooger wordende, naar den Radja Bassa-top opsteigerden, alsof zij hem, den reus, bestormen wilden. Iets verder af vormden de bergribben afzonderlijke stelsels, die weer uit middenpuntig uitstraalden. Maar aan de west- en aan de zuidzijde flonkerde de zee onder de zonnestralen, en vertoonde van daar boven afgezien een helderen spiegel, die met een blauw doorzichtig waas overtrokken scheen te zijn. Dat spiegelvlak bewoog evenwel lichtelijk als het lichte lijnwaad op de borst van een gerust slapend kind. Duidelijk zag men het vlak in- en opbuigen, terwijl de beweging voortrolde tot daar diep beneden tegen het strand, waar de bolvorm in een sneeuwwitte massa brak, dat strand met een helder glinsterende zilveren franje omzoomde, terwijl een oogenblik later een zware toon, aan den verwijderden rollenden donder gelijk, naar boven steeg, en het zijne er toe bijbracht om onze bewondering ten hoogste te spannen. De geheele Straat Sunda lag daar voor ons open, terwijl ons oog de Lampong-baai in hare geheele uitgestrektheid kon peilen. Op de gladde spiegeloppervlakte van die Straat spreidde zich daar de drie-eilanden-groep Poeloe Tiga aan onze voeten uit, als een mandje met uiterst teer siergroen gevuld. Iets verder zuidwaarts, verhieven zich de eilanden Seboekoe en Sebessi, [169] waarvan het eerste een grilligen vorm op het vlak der blauwe zee vertoonde, en het andere zijnen fraaien regelmatigen kegel in de blauwe lucht verhief, en daar nog verder het eiland Krakatoea, [170] dat zich met zijne verbrokkelde noordelijke massa en zijn zuidelijker vulkaantop helder tegen de blauwe lucht afteekende.

„In het zuiden, daar ver bij den horizon verscheen de Java-kust als een donker blauwe band, terwijl aan den westkant de eilandengroep van Lagoendi zich helder ontwikkelde, en daar achter het gebergte, dat de oostzijde der Lampongbaai omzoomt, duidelijk in al deszelfs grilligheid te voorschijn trad. Daar achter verhief zich de Keizerspiek statig en vol majesteit.

„Maar.... maar; terwijl wij die natuurpracht stonden, of liever uitgestrekt op het gras lagen te bewonderen, had zich gluipend een kring van wolken om den Radja Bassa getrokken. Terwijl wij in verrukking naar het westen stonden te turen, waren de uitdampingen van zee en bodem onder den invloed der zonnestralen naar omhoog gestegen, en hadden zich nu, in de koudere luchtlagen aangekomen, aan de oostelijke zijde van den berg verdikt, en omgaven den reus nu met een krans van helder witte wolken. Wij waren evenwel nog te vermoeid, om dadelijk reeds aan den terugtocht te denken. Toen wij evenwel eenigszins uitgerust waren, was het tooneel, dat wij straks zoo bewonderd hadden, geheel van natuur veranderd, of beter gezegd, daar was niets meer van te ontwaren....”

„Dan is het net als wij nu,” viel mevrouw Groenewald den lezer in de rede. „Kijkt, de hemel is betrokken. Het is tijd om naar den wal te zeilen. Het is de vraag, of wij nog wel droog te huis zullen komen.”

Aan dien wenk gehoorzamende, liet Frank de sloep, die scherp bij den wind zeilde, afvallen. De bries was evenwel aangewakkerd, zoodat de terugkeer naar het punt van afvaart spoedig volbracht was. Door de zorgen van den heer Groenewald stond daar het noodige aantal rijpaarden klaar. Allen waren spoedig in het zadel, en nog voor dat de bui losbarstte, was Wilatoong bereikt.

XVI.

OP EN RONDOM DEN RADJA BASSA.

Toen het gezelschap te huis kwam, waren de Regent en de zoutverkooppakhuismeester reeds aangekomen. Zij hadden de brieven van den controleur en van juffrouw Emma onder weg ontvangen; want beide heeren hadden van de morgenkoelte gebruik willen maken om Wilatoong te bereiken, waarheen zij gingen, om hun woord aan de oudste dochter des huizes in te lossen. Juist had papa Groenewald een speeltafeltje laten gereed zetten om een gezellig ombertje te maken.

„Daar heb je die spelbrekers!” riep hij, toen hij zijne vrouw en dochters met de twee heeren zag.

„Ja, nu gaat dienst voor!” riep de controleur. „Nietwaar, Adipati?”

„Saja toean!” (ja, mijnheer), antwoordde de Regent.

„Dan maar aan het verbaliseeren!”

Frank werd ernstig ondervraagd. De plaats van het gebeurde des nachts nauwkeurig bezichtigd, de omtrek scherp onderzocht, en de plek opgespoord, waar de mijningang was aangevangen. Dat gaf geen licht. Dat gat werd buiten bevonden aan den voet van den rechtergevel. Den bedienden werd een ernstig verhoor afgenomen, waaruit ook geen licht te voorschijn trad.

„Wel, Radhen Adipati!” vroeg Emma aan den ouden Regent, „hebt gij wat ontdekt?”

„Tida nonna, koerang trang!” (Neen juffrouw, niet uit te wijzen) antwoordde de inlandsche hoofdambtenaar.

Zijne schoone toespreekster kon een glimlach niet weerhouden. Het was juist het antwoord, hetwelk zij des morgens voorspeld had.

Een oogenblik later regende het dat het goot; maar de jonge dames zaten met haar mama en twee jongelieden heel gezellig in een hoekje van de voorgalerij van het landhuis; terwijl de drie andere heeren hun voorgenomen ombertje begonnen.

„Een uitstekend oogenblik om Riethovens brief ten einde te brengen,” meende Emma.

„Ik hoop het, want daar is nog wat aan te lezen,” antwoordde Frank met een glimlach, en naar Adelien en hare mama kijkende als om toestemming te erlangen.

Toen die volgde, haalde hij zijne brochure, zooals hij Hermans brief noemde, te voorschijn en vervolgde:

„.... was het tooneel, dat wij straks zoo bewonderd hadden, geheel van natuur veranderd, of beter gezegd, daar was niets meer van te ontwaren. Het wolkendak, dat eerst den Radja Bassa top als met een krans omgaf, had zich beneden ons uitgebreid en zich tusschen ons en de aarde geschoven. Boven ons vertoonde zich de lucht helder blauw, en scheen de zon zoo vriendelijk mogelijk, terwijl beneden ons zich eene gordijn uitspreidde, die niet beter vergeleken kon worden dan met eene zoldering van opeengestapelde monsterachtige witte katoenvlokken, ieder wel in omvang van tien of twaalf balen van die vlokkige stof, waarop de zon, schitterend weerkaatsende, de grilligste schaduwen tooverde. De top, waarop wij stonden, stak ongeveer twee honderd meter boven die wolken-massa als een eiland uit. Overigens was van het geheele aardrijk niets meer te ontwaren.

„Het zou gevaarlijk zijn om thans naar beneden te gaan,” sprak de luitenant. „Daar onder ons moet thans een ontzettend dikke nevel hangen.”

„Wij bleven dus boven. Maar terwijl wij dat nieuwe tooneel bewonderden, flikkerde eensklaps onder onze voeten een felle bliksemstraal, die door de dichte wolkenmassa schoot, waarop een grommig dondergeratel weerklonk. Het waren geen slagen, die wij hoorden, het was meer het geluid, alsof men met geweld zeildoek scheurde, toch was er iets dofs in dat geluid, en soms was het of een aantal tamboers een roffel op hunne ongespannen en met rouwfloers overdekte trommen sloegen. Na dien eersten bliksemstraal volgden er meer. Soms zoo schielijk op elkander, alsof een gecompliceerd vuurwerk afgestoken werd, hoewel veel daarvan door het helder schijnen der zon voor ons verloren ging. De donder rolde soms onafgebroken voort, maar steeds dof en zonder scherp afgebakend geluid. Wat zich scherper liet hooren, dat was het geluid van den vallenden regen, die kletterend op de bladeren der onder ons staande maar onzichtbare boomen viel, en daarbij het geluid maakte van erwten die op eene dunne plank tikten.

„Maar Frank, wat eene bijzondere gewaarwording, die ik ondervond, toen ik het daar onder mijne voeten hoorde en zag onweren, terwijl een onbewolkte hemel zich daar boven mij uitstrekte. Ik zie mij niet in staat het gevoel, dat mij beheerschte, te ontleden. Was het bewondering, was het angst, was het trots, was het nieuwsgierigheid? Ik geloof, dat ik dat alles beurtelings, en ook bij wijle als een mengelmoes ondervond. Dat onweêr duurde nagenoeg anderhalf uur, toen begon de wolkenmassa zich in het oosten te verdeelen. Voor en na kwamen scheuren in dat lijkkleed, hetwelk de aarde verborgen had gehouden. Het liefelijke groen kwam er tusschen door prijken als een bode der hoop, die ons uit onze gevangenschap kwam verlossen. Zoo heel spoedig zou dat evenwel niet gaan. Wel was de lucht beneden ons vlug aangezuiverd, en dreven de wolken aan flarden in zuidelijke richting, waar zij zich om de toppen van Sebessi en Krakatoea verzamelden. Wel glinsterde de zon weer heerlijk in de blauwe zee; maar.... toen wij den terugtocht aangenomen hadden, en de strook bereikten, waar de regen den bodem overvloedig gedrenkt had, bleek het ons dat de grond, uit leem bestaande, zoo glibberig was, dat de rotsen, de boomtakken en boomwortels, waar langs wij des morgens opgeklommen waren, en waar langs wij nu afdalen moesten, zoo glad waren, dat weinigen onzer heelhuids beneden zouden komen, wanneer wij die afdaling doorzett’en. Neen, daar viel niet aan te denken. Wij moesten naar den top terug, om daar den nacht door te brengen. Den volgenden ochtend zouden de hellingen genoegzaam opgedroogd zijn, om zonder gevaar naar beneden te komen.

„Aanvankelijk ging alles goed. Er lag zelfs iets dichterlijks in het denkbeeld, om daar zoo hoog op ruim 4500 voeten te bivouackeeren. Maar toen de zon ondergegaan was, begon het frisch te worden. Veel hinderde dat nog niet. Maar die frischheid nam hand over hand toe. Tegen acht uur vonden wij het zelfs meer dan frisch. Om tien uur vonden wij het koud. Tegen middernacht kropen de Javaansche soldaatjes als een troep schapen bij elkander, en trachtten zich zoo te verwarmen, en prevelden al klappertandende: La illaha illa-llahi (Er is geen God als Allah). De luitenant, ik en de twee Europeesche korporaals, die bij het troepje waren, liepen driftig op en neer om ons te verwarmen. Met kracht sloegen wij de handen tegen de schouders, en trappelden op den bodem, omdat de koude aan die uiteinden onlijdelijk werd. Het meeste medelijden had ik evenwel met de Javanen. Hoe ongelukkig die er uitzagen, is niet te beschrijven.

„Zoo moest de dageraad afgewacht worden. Och! hoe lang is mij die nacht gevallen! Met wat zucht van verlichting werd die eerste rozenroode streep begroet, die het oosten, daar laag beneden ons bij den gezichteinder, verfde. Maar hoe stonden wij te kijken, toen de eerste lichtstraal tot ons kwam. Al de grassprieten op het plateau stonden te schitteren, alsof zij met brillanten overtogen waren, die in mat zilver gevat zouden zijn. Alles wat boven de aarde uitstak was met rijp overdekt. Op de enkele kleine poelen, die op het plateau aangetroffen werden, was het water ter dikte van een paar streep bevroren. Ja, nu begrepen wij, dat wij het met onze dunne pantalons en nog dunnere katoenen baatjes koud hadden gehad. Zoodra de zon boven de kim was, lieten wij ons naar hartelust door haar beschijnen om zoodoende te ontdooien. De Javaantjes lieten de geledingen hunner vingeren en hunner armen en beenen knappen, en verklaarden na die manipulatie tot den marsch gereed te zijn. Nu spoedden wij naar beneden. De honger gaf ons vleugels, want behalve de katoepats, die het meerendeel der Javaantjes uit voorzorg medegenomen en broederlijk met allen gedeeld hadden, hadden wij sedert den vorigen morgen niets gehad en waren wij dan ook overblij, toen wij zoo ten tien uur het signaal „etenhalen” in onze nabijheid hoorden weerklinken, en wij dus zeker waren bij tehuiskomst dadelijk te kunnen aanvallen om onzen honger te stillen.