Part 19
„Ons pad liep, zooals ik zeide, langs den zeeoever. Het was destijds eb, en eene geheele strook van het eigenlijke strand was droog, d.w.z. was toen niet met water overdekt. Het was evenwel duidelijk, dat bij vloed die strook geheel onder water stond, en dat de takken van zeer vele boomen, die aan den kant meestal in overgebogen helling groeiden, door het blauwe water der zee beroerd werden. Somtijds waren wij door de smalheid van het pad, of door doornige gewassen, waartusschen het slingerde, genoodzaakt een toevlucht op dat strand te zoeken, maar zagen ons spoedig verplicht weer den vasten wal te betreden. Dat strand was overdekt met kort en klein gebroken koraaltakken, die verblindend wit niet alleen voor de oogen pijnlijk in de zon lagen te blakeren, maar die door hare scherpe kanten het gaan daarover voor de ongeschoeide voeten der Javaansche soldaten tot eene marteling maakte, maar ook de schoenen der Europeanen op eene dusdanige proef stelden, dat wij bij eenigszins voortduren van zoo’n marsch, spoedig evenzeer tot de Orde der Barrevoeters zouden behooren.
„In de plassen van dat strand, wemelde het te midden der koraaltakken van garnalen, van krabben, van kleine visschen enz. Sommige onzer Javaantjes schepten met hun etensblik in het voorbijgaan van dien buit, en niet altijd zonder goeden uitslag. Maar wij moesten voort, en werd ook al eens een kort oogenblik rust gegund, dan geschiedde dat niet op het barre strand, waar de weerkaatsing der zonnestralen door de verblindend witte koralen, de warmte onuitstaanbaar maakte, en voor de oogen nadeelig was, maar wel op een gunstig plekje onder de schaduw van den een of anderen boom met een vrij uitzicht om ons heen.
„Op dien tocht troffen wij een der lengteribben van den Radja Bassa aan, die hoog en verheven de zee naderde, daarin een voorsprong maakte, maar toen als door eene onmetelijke kracht verbroken en geknot, slechts een loodrechten muur van geelachtig grijs grofkorrelig trachiet naar de oceaan-zijde vertoonde. Onder aan den voet van dien muur lag een chaos van rotsbrokken, die, bij de onverdroten bestorming van de deining, welke hoog en verheven uit den Indischen Oceaan kwam aanrollen, voor en na naar beneden gestort waren, en zoo een beschermende keten voor dat voorgebergte vormden, waarop de baren bij het laagwatertij op een kleinen afstand thans donderend braken. Over die rotsblokken voerde thans ons pad, want de gidsen verzekerden, dat over de hoogte geen pad voerde, dat daar alles wildernis was, en dat de hellingen zoo steil waren, dat aan geen beklimmen te denken viel. Laat ik hier vertellen, dat die gidsen ons misleidden, want niet lang daarna is gebleken, dat er wel een pad bestond, en een zeer bruikbaar ook, waarlangs later een vrij breeden weg in het bosch uitgekapt werd, die wel is waar op sommige gedeelten trapsgewijze opklom en daalde, maar waarvan de oorspronkelijke helling lang die moeielijkheden niet zouden opgeleverd hebben als nu dat pad langs den kokenden afgrond.
„Dat was een klim, Frank, dat verzeker ik je. Die rotsen lagen in de meest denkbare wanorde, en met de grilligheid waarmede ze door de natuur neergeploft waren. Hier stak een scherpe kant van eene rots omhoog, hobbelig en oneffen als de ruggegraat van een skelet; elders waren de hellende vlakken van zoo’n steenmassa glad geschuurd door de wrijving der golven; op andere plaatsen bestonden gapingen tusschen de steenbrokken, die een afgrond van vele meters diepte daarstelden, en toch met een koenen sprong overschreden moesten worden. Bedenkt daarbij, dat wij den gepakten randsel op den rug en het geladen geweer op den schouder droegen, twee omstandigheden, die zoo’n troep niet tot volmaakte gymnasiasten promoveerden. Maar, wat nog het ergste kon heeten, was, dat al die rotsen met een glibberig mos overdekt waren, die het gaan daarop zeer bemoeielijkte. Het was alsof men in een groenachtig slijm gleed. Wat heb ik toen onze Javaansche soldaatjes met hunne bloote voeten bewonderd. Zij klemden zich met hunne teenen aan kleine oneffenheden vast, waar wij Europeanen met onze schoenzolen over heen gleden, en groot gevaar liepen te vallen. Zij konden daardoor sprongen volvoeren, waaraan wij niet denken konden. Zij lachten ons uit, waar wij struikelden en vielen; maar hielpen ons goedsmoeds weer ter been, terwijl zij ons aanrieden die akelige schoenen uit te gooien. Ik waagde er mij eindelijk aan, en ik heb er geen berouw over gehad.
„Eindelijk was die kaap niet omgezeild, maar omgetrokken, en stonden wij weer op vasten bodem. Wij hadden nu weldra kampong Oedjoeng bereikt. Daar verlieten wij het strand. Het pad, dat wij volgden, slingerde zich thans tegen de hellingen van den Radja Bassa op. Aanvankelijk liep het door pepertuinen, die zich langs de berghellingen uitstrekten en eenigermate de wijnbergen, die wij in het Luikerland wel eens te zamen bezochten, in herinnering brengen. De peper [156] is eene slingerplant, die langs boomen, welke regelmatig in rijen geplant zijn, opgeleid wordt. Wij troffen het niet bijzonder. Het was de bloeitijd van de peperplanten, en de uitwasemingen der bloesems had eene zoodanige prikkelende uitwerking op onze ademhalingswerktuigen, dat wij als een lange kolonne kuchende borstlijders op het smalle pad den ganzenmarsch uitvoerden. Wij waren allen blij, dat wij de zone dier pepertuinen doorgetrokken waren; maar, toen wij de kleine kampong Kenali achter den rug hadden, traden wij het oorspronkelijke bosch binnen.
„Frank, mijn brief is al zoo lang; ik zou het geoorloofde van eene fatsoenlijke epistellengte overschrijden, wanneer ik poogde eene beschrijving van zoo’n bosch te geven. Laat het je genoeg zijn te weten, dat zoo’n bosch een wereld is, die je de onmetelijkheid der schepping wondervol doet begrijpen. Daarbij, ik twijfel er niet aan, of Java zal ook nog wel van die oerwouden bezitten, en dan zult ge wel in de gelegenheid komen er een onder de oogen te krijgen.
„Het pad slingerde steil opwaarts. Nu eens liep het langs den rand van een diep ravijn, langs de boorden van een schuimenden bergstroom; later voerde het weer langs den nok van eene scherpe bergrib, en vond de voet ternauwernood plaats om neergezet te worden, terwijl aan weerszijden afgronden gaapten, waarvan de bodem niet te bespeuren was, maar die de Europeanen met duizeligheid beving, wanneer zij het waagden den blik in die diepte te werpen.
„Eindelijk vertoonde zich eene opening in het bosch, en daar voor ons vertoonde zich....”
Juist op dat oogenblik liet zich het geluid eener tongtong hooren, die in de nabijheid van het landhuis het middernachtsuur aangaf.
„De „kedjineman” [157] waarschuwt ons, dat het tijd is om te gaan rusten,” sprak de heer Groenewald.
„Dan eerst nog een walsje!” kreet Adelien.
En terwijl papa reeds de lichten in de voorgalerij uitdraaide en de bediende riep om te sluiten, bracht het lieve meisje mama naar de piano, greep daarop den arm van Frank, terwijl Emma dien van den controleur aannam, en weldra zweefden die twee paartjes op de maat van een vroolijken wals door de ruime binnengalerij van Wilatoong, en eindigden zoo op echt Indische wijze dien prettigen dag.
XV.
EEN NACHTELIJK BEZOEK.—BANDOELOE.—NAAR DEN RADJA BASSA-TOP.
Een klein kwartier later waren al de lichten gebluscht op Wilatoong, en lag het landhuis in een dichterlijken lommer, dien de rondom geplante boomen, onder het zachte licht der maanstralen op de witte muren wierpen, als geheimzinnig verscholen. Allen hadden zich in het hoofdgebouw te rusten gelegd, en genoten dien heerlijken slaap, die den bewoners van bergstreken in tropische landen zoo weldadig en verkwikkend deelachtig kan zijn. Frank Brinkman en Jan Slierendrecht hadden nog een oogenblik plaats genomen op de luiaardsstoelen, die de gemeenschappelijke voorgalerij der logeervertrekken meubelden, om van de koele nachtlucht nog een oogenblik te genieten en den zachten bloemengeur, die zich verspreidde, in te ademen. Vlak voor hunne vertrekken stond een groote prachtige „patjar tjina,” [158] die den atmospheer als met reseda-geur doortrok.
Het gesprek der jongelieden liep vooral over het heerlijke dien dag genoten, over de gastvrijheid der familie Groenewald, over de lieftalligheid hunner dochters, enz. totdat ook zij begrepen, dat het tijd was om te gaan slapen.
Maar Frank kon den slaap zoo niet vatten. Zijne levendige verbeeldingskracht tooverde hem voortdurend het liefelijke gelaat van Adelien voor oogen. Hij bewonderde die aanminnige trekken, die fraaie oogen; hij herinnerde zich ieder woord door haar gesproken, iederen glimlach van hare lippen opgevangen. Hij voelde den druk nog van hare lieve hand, toen die bij het walsen op zijnen schouder gerust had. O! die bekoorlijke leest van het jonge meisje rustte nog in zijn arm, toen zij met licht achterovergebogen hoofd, en met zacht geopende lippen hare oogen onafgewend in de zijne spiegelde, terwijl haar blik daarbij van grenzenlooze liefde getuigde. Was het wonder, dat met zulke beelden in het hoofd, de slaap den jonkman niet kon naderen? En van Adelien voerden hem zijne gedachten naar de toekomst. Of beter, het lieve meisjeskopje weerde zich met die toekomst tot een ideaal te zamen. O! wat zouden zij vereenigd gelukkig zijn! Dat landleven, ja, daarvan had hij nog niet veel gezien; maar dat zou aan hare zijde verrukkelijk wezen! Zij zouden ... ja, maar Emma? Och, dat Herman haar nu zoo in haar huishoudelijk gedoente eens te zien kreeg. Of die ijskorst dan niet smelten zou? Wel zeker zou dat, daar was hij zeker van. Die Maastrichtsche....
En zoo droomde hij met open oogen voort, terwijl hij zich nu eens op deze, dan weer op gene zijde wentelde. Neen, zijn verbeelding was nog te opgewekt om hem rust te laten genieten. Hij dweepte steeds voort en....
Maar wat was dat?.... Een licht geritsel liet zich hooren.... zoo zacht, zoo onbestemd, dat hij geen naam kon geven aan hetgeen hij waarnam. Hij lette er dan ook verder niet meer op.
„Wellicht het geritsel van de avondbries,” had hij in zichzelven gezegd..... „Juist, die Maastrichtsche hartstocht zou wel op den achtergrond raken.... Wellicht is Lydia reeds getrouwd?.... Wellicht heeft ze reeds een.... Daar hoor ik het weer.... en nu duidelijker....”
Werkelijk, het geritsel was langzamerhand vervangen geworden door een geluid, dat op een krabben of op een schrapen geleek. Dat geluid begon Frank’s aandacht te boeien. Hij hield zich doodstil. Dat krabben en schrapen kwam nader, hield somtijds op, om na verloop van een tiental minuten, die den jonkman wel een uur toeschenen, andermaal te beginnen. Maar telkens was het alsof het geluid dan weer dichterbij was.... Eindelijk ging Frank zich verbeelden, dat het geluid in zijne kamer geboren werd. Het nachtlampje brandde rustig op zijn nachttafel, verlichtte vrij wel de ruimte voor zijn ledikant, maar liet de stroken aan het hoofden- en voeteneind geheel in het donker. Hij lichtte het hoofd zachtjes op, keek rond; maar zag niets.... Toch beweerde hij, dat het gerucht zijn oorsprong in zijn vertrek had. Hij zette zich langzaam, bijna onmerkbaar overeind, en verliet in alle stilte het bed. Zacht vooruittredende, doorzocht hij het vertrek, maar vond niets verdachts.... Hij ging weer liggen, en keek scherp uit.... Eensklaps meende hij, dat een der roode tegels, waarmede zijn vertrek bevloerd was, die daar buiten de grens der rottanmat, die voor zijn bed gespreid lag, aan het hoofdeneind van zijn ledikant, bewoog.
„Dat is slechts verbeelding,” sprak hij zich toe. „Hoe zou die tegel bewegen kunnen? Het is om te lachen! Wat scheelt mij toch? Het is.....”
Daar verdween plotseling diezelfde tegel, waarop de jongman het oog strak gevestigd hield, niet zonder gedruisch in de diepte. Maar tegelijkertijd sprong hij ook op, greep zijn sabel, dien hij uit de scheede trok, en vatte post bij het hoofdeneind van zijn ledikant, waar hij in het donker stond, maar tevens het volle gezicht had op en in de nabijheid was van het pas ontstane gat. Zijn geduld werd evenwel op eene harde proef gezet; want het eene kwartier verliep voor en het andere na, zonder dat het minste gerucht vernomen werd. Eindelijk begon Frank zich te verbeelden, dat het gat toevallig, ja, op natuurlijke wijze ontstaan was.... Kon het niet zijn, dat de vloer uitgehold was door de mijngangen van witte mieren?.... Ja, zoo was het, en.... reeds wilde hij zijn sabel opbergen, terwijl hij om zijn eigene beangstheid, zooals hij dat noemde, lachte, toen plotseling een verdacht geritsel zich weer hooren liet....
Frank stond andermaal stil als een beeld in de schaduw van zijne klamboe, en keek scherp in de holte van het ontstane gat. Aanvankelijk zag hij niets dan eene zwarte diepte, die hem als aangluurde. Eindelijk meende hij zich iets in die donkere ruimte te zien bewegen. Hij kon nog niet ontwaren wat het was.... Maar daar steeg in den lichtenden hoek, die door het nachtlampje bij den rand der opening geworpen werd....
„God in den hemel! een menschenhoofd! Ja waarachtig! Dus een dief! Wacht, kerel!”
Maar het hoofd bleef een wijl met de monding van het gat gelijk. Het was alsof de drager van dat hoofd zich bezon. Frank stond klaar met den sabel in de hand, en wachtte in de grootste spanning.... Daar bewoog het hoofd weer.... o, het lange sluike haar van een inlander was reeds duidelijk te erkennen. Het hoofd was reeds ter halverwege buiten de opening. Frank wachtte nog.... hij zou zijn slag op den nek toebrengen!.... Nog eene sekonde, daar sloeg hij eindelijk toe.... en met zoo’n kracht, dat het hoofd met kletterend geluid over den tegelvloer rolde, terwijl een kreet zich in het hol onder den grond liet hooren.
Brinkman sprong toe, en greep dat hoofd.... Maar.... wat was dat? Hij had eene leege klapperdop in de hand, waarop eene soort pruik van „idjoh” [159] geplakt was. De inbreker had een der gebruikelijke listen gebezigd, om zich te overtuigen, dat in het vertrek, waarin hij trachtte te komen, geen onraad was.
Half suf stond Frank Brinkman zijn buit een oogenblik aan te staren. Eindelijk begreep hij de list, en barstte nu in een luid gelach uit, dat hem een knorrig:
„Wat drommel, hebt gij zoo midden in den nacht te lachen? Gij belet mij te slapen,” van zijn buurman op den hals haalde.
„Mijnheer Slierendrecht!” riep hij. „Kom eens kijken..... Neen, toe kom toch! Er is voor u wat aardigs te zien.... Wezenlijk, het is de moeite waard.”
Een oogenblik later verscheen Jan Slierendrecht met slaperige tronie, die evenwel ophelderde, toen hij het gat in den vloer zag.
„Drommels! eene poging tot inbraak!” zei hij. „Eene politiezaak! ik ga dadelijk aan het verbaliseeren! Dat is juist een kolfje naar mijn hand.”
„Eene poging tot inbraak?” vroeg Frank. „Om wat te doen?”
„Wel om u te bestelen!”
„Mij te bestelen?.... Ha, ha, ha, ik had het gezicht van den dief wel eens willen zien, op het oogenblik, dat hij, bij welgelukken van zijne poging zijn buit zoude nageteld hebben. Dat zou werkelijk een wonderschoon beeld weergegeven hebben van: den dief bestolen. Een onderofficier van het Nederl. Indische leger bestolen! Neen, de gedachte alleen is kluchtig! die dief... Maar... ik bedenk mij daar... zou hij zich ook van kamer vergist, en het op uwe portemonnaie gemunt hebben?”
„Inbreken bij een civiel ambtenaar!”... sprak Jan Slierendrecht met waardigheid. „Den nieuw benoemden toean controleur bestelen!... dat durft geen inlander. Daartoe wordt hij te zeer door het prestige van den Nederlandschen ambtenaar beheerscht. Ik vind het al schrikkelijk, dat zoo eene poging bij een mijner vrienden, in de kamer naast de mijne aangewend wordt. Maar, ik zal verbaliseeren!... en wee den snoodaard!”
„Jawel! dat’s goed,” zei Frank, ietwat verbluft door den solemneelen toon van den controleur, en niet minder door dat bewijs van de werking van dat prestige, dat een dief er toe bracht bij een onderofficier in te breken, waar zeer weinig of niets te verwachten was, en de kamer te ontzien van den prestige-wekkenden ambtenaar, waarbij meer buit te verwachten was.
„Jawel, dat’s goed. Maar, met die gekheid heb ik nog niets geslapen. Over een paar uren breekt de dageraad aan, en dan is het reveille. De afspraak is immers, dat wij met de dames naar het meer zullen gaan. Als wij nu gedurende die paar uurtjes slapen?...”
„Ook goed,” sprak de controleur. „Ik zal morgen een expresse naar Magettan afzenden, om den Regent op te roepen. Wij zullen die zaak toch wel tot klaarheid brengen en den dief pakken! Dat verzeker ik u!”
De beide vrienden namen eenige voorzorgen, om een tweede bezoek van den dief te verijdelen, hoewel dat niet meer te verwachten was, nu zijn mijngang, dien hij van buiten onder de fundeering van den buitenmuur doorgegraven had, ontdekt was. Zij draaiden de tafel van Frank’s kamer om met de vier pooten in de lucht, en met het blad op het ontstane gat. Daarna plaatsten zij een der pooten van het ledikant op dat tafelblad, waardoor dat gat niet te bezigen was, zonder de slaapstede te bewegen.
Frank sliep dan ook een kwartier later den onbezorgden slaap der jeugd. Hij had evenwel zijn uitgetrokken sabel naast zich in het bed genomen.
De jonge dames lachten Frank des morgens dapper uit met de vreemdsoortige onthoofding, die hij verricht had.
„Als gij op het veld van eer klappers afslaat, in stede van „brandal’s” [160] te raken,” spotte Emma, „zullen de vijanden er wel bij varen, maar geen lauwerkroonen zullen dan uw hoofd versieren.”
„Een weinig te driftig geweest,” zeide de heer Groenewald.
„Te driftig? Hoe bedoelt gij, mijnheer?” vroeg Frank.
„Gij hadt nog moeten geduld oefenen. Dan hadt gij die klapperdop, die met geen ander doel uit dat gat omhoog gestoken werd, dan om hem, die waakzaam in dat vertrek mocht zijn, tot een voorbarigen aanval te verlokken, zien verdwijnen, waarna eindelijk het hoofd van den dief met de noodige behoedzaamheid te voorschijn ware gekomen. Dan ware het tijd geweest om toe te slaan.”
„Nu, ik ben maar wat blij, dat de zaak zoo afgeloopen is,” sprak Adelien gevoelig.... „God, wat ijselijke gebeurtenis ware dat geweest, wanneer er bloed vergoten, wanneer die sabelslag op een menschelijk lichaam ware te recht gekomen.”
„Maar een dief, juffrouw Adelien....” bracht Jan Slierendrecht in het midden, „is die uw mededoogen waard?”
„Een dief, die wellicht uit gebrek steelt, wel zeker. Die wellicht eenige guldens trachtte meester te worden om zijne kinderen te kleeden, om hen wellicht voedsel te geven.”
„Of om wellicht naar de amfioenkit te gaan?” klonk twijfelachtig uit des ambtenaars mond.
„Ja, zeer mogelijk, maar ook dan nog verdient de ongelukkige diep medelijden!” antwoordde het jonge meisje met hartstocht.
„Medelijden, juffrouw Adelien!” riep de ambtenaar met afgrijzen.
„Zeker, medelijden! mijnheer Slierendrecht. Want de ongelukkige gehoorzaamt dan nog maar aan de inspraken van den hartstocht, waartoe hij verlokt en verleid werd, ter wille van de rijke inkomsten, welke die vergiftiging van een geheel volk aan de Nederlandsche schatkist bezorgt!”
Het gelaat van het lieve meisje gloeide van verontwaardiging bij het uitspreken dier woorden. Hare anders zoo lieve zachte blauwe oogen schoten thans vuur. Met de houding eener koningin richtte zij thans hare anders zoo van zachtmoedigheid getuigende gestalte op. Jan Slierendrecht boog het hoofd. Zoo baar was hij niet meer in Nederlandsch Indië om niet te begrijpen, dat hij hier uiterst onhandig een argument aangehaald had om den dief te verzwaren, hetwelk als verlichtende omstandigheid bij ieder weldenkende moest dienen. Zoo’n nieuweling was hij niet meer om niet te weten, dat het opiummonopolie de vloek der Nederlandsche koloniale staatkunde is, en dat iedere beschuldiging deswege, hoe bar ook klinkend, den vaderlandlievenden Nederlander het hoofd moet doen buigen, om den blos van schaamte te verbergen, die onmiskenbaar moet te voorschijn treden, wanneer dat onderwerp aangeraakt wordt.
„Nietwaar, mijnheer Slierendrecht?” smeekte het jonge meisje, toen hare zachtere geaardheid de overhand weer hernomen had, terwijl zij beide handen naar den jongman uitstak, „niet waar, gij zult medelijden met den schuldigen hebben, wanneer hij uit nood tot het plegen zijner euveldaad overging, en gij zult bij den „rappat” [161] verzachtende omstandigheden bepleiten, wanneer het amfioenschuiven de grondoorzaak van den diefstal is.”
„Ik voeg mijne smeekbeden bij die mijner zuster!” zei Emma aangedaan, terwijl ook zij den controleur hare hand toestak.
„Dat beloof ik,” sprak Jan Slierendrecht, terwijl hij die twee handjes met warmte drukte. „Maar.... daarom mag ik eed en plicht niet vergeten. Mij is eene poging tot inbraak met ondergraving van een muur ter kennis gekomen. Ik ben verplicht alle moeite aan te wenden om den schuldigen op te sporen. Ik heb dan ook reeds mijn brief gereed om den Regent op te roepen, ten einde een nauwkeurig onderzoek in te stellen. Mag ik u verzoeken, mijnheer Groenewald, dat schrijven door een uwer bedienden naar Magettan te laten brengen?”
Emma klapte in de handen.
„Dat ’s heerlijk! Dan komt de Regent in dienst, dat kan en mag hij niet uitstellen. Ik ga dadelijk een briefje aan den zoutverkooppakhuismeester schrijven, dan komt die mee, en dan heeft papa zijn partijtje van avond.”
„Maar het onderzoek?” vroeg Adelien angstvallig.
„Och, dat zal wel „koerang trang” (niet helder, niet uit te wijzen) blijven, zusje lief, laat mij daar maar voor zorgen. Ik zal den ouden Regent wel bewerken,” antwoordde Emma.
Weinige minuten later was het geheele gezelschap, op papa Groenewald na, die te huis bleef, op weg naar Telogo Passir, om zich met het voorgenomen zeilpartijtje te vermaken. De heeren hadden ieder een jachtgeweer van het wapenrek van den landheer medegenomen; ook gingen ettelijke Javanen ter begeleiding mede, die met „toembakh” (lans) en „parang” (zwaard) gewapend waren. Men kon toch niet weten. In dat gedeelte van het zoo woeste Lawoe-gebergte, zoude eene ontmoeting met een tijger niet tot de onmogelijkheden behooren. Maar niets verdachts werd ontwaard. Het was eene aangename wandeling door de koffietuinen, die alleen door de klimming van het terrein eenigszins bemoeielijkt werd. Maar wij weten het, de wegen slingerden zigzagsgewijze tegen de scherpe hellingen op, waardoor groote vermoeidheid ontgaan werd. De zon was nog niet ter kim, toen de dessa Sarengan bereikt werd, die op de nok van het ringgebergte van het meer gelegen was. De helling van dien binnenwand was snel afgedaald, en een oogenblik later had een sloep den oever verlaten en stevende onder den invloed van een lichte morgenkoelte, die de zeiltjes zacht vulde, naar het midden van het meer.
„Amis! la matinée est belle!”
zong Slierendrecht met heldere stem en wekte de echo’s der omringende bergen wakker. Na hem droeg Frank het
„Auf der Alma (bis) ist’s so herrlich, ist’s so schön!”
voor; en toen hij aan het einde van ieder vers het zoo fraaie joedelrefrein uit volle borst uithaalde, en over de watervlakte liet weergalmen, was het of honderden stemmen die fraaie klanken aan den oever herhaalden. De beide meisjes klapten in de handen van vergenoegen. Maar ook zij lieten zich niet onbetuigd, en weldra lieten hare lieve stemmen, Emma’s diep gevoelvolle alt en Adelien’s zachte maar uiterst zuivere sopraan, zich op hare beurt hooren.