Iets Over De Grammaticale Beoefening Der Friesche Taal In Haar
Chapter 3
Het komt mij dan bescheidenlijk voor, M. H.! dat, na alles wat reeds voor ons gedaan is, de grammaticale beoefening der Friesche taal in hare volle uitgebreidheid nog steeds aanprijzing verdient, want dat wij nog geene historische en analogische grammatica bezitten. En het werk dat ons te doen zoude staan, wilden wij in die behoefte voorzien, zou dunkt mij moeten bestaan in drie deelen; vooreerst _verzamelen_, dan _vergelijken_, en eindelijk _rangschikken_. Wij zouden met het bepaalde doel, om bouwstoffen tot eene grammatica te verzamelen, moeten lezen alle taaloorkonden, die nog voorhanden zijn, te beginnen met het oudste; uit elk afzonderlijk moesten wij alles opteekenen, wat tot de verbuiging der naam- en werkwoorden en voornaamwoorden, tot het regimen der voorzetsels, en wat dies meer zij, betrekking heeft; die lezing zou ons tevens in de gelegenheid stellen, om allerlei grammaticale bijzonderheden op te merken en aan te teekenen; de aanteekeningen uit ieder afzonderlijk werk genomen moesten afzonderlijk gehouden, en geenszins met die uit een ander werk vermengd worden, ten einde niet in het gevaar te geraken, van misschien verschillende dialecten, die zeker reeds zeer vroeg bestaan hebben, ondereen te mengen. Dit verzamelen nu zou een arbeid zijn, waartegen voorzeker menig een zou terug deinzen, zoo hij dien geheel alleen ondernemen moest; doch juist eene vereeniging als de onze zou zulken arbeid ligter maken; wanneer, bij voorbeeld, van drie personen, een de naamwoorden, een ander de werkwoorden op zich nam, een derde zich met de overige rededeelen bezig hield, zou zulk eene eendragtige inspanning gemakkelijker tot het doel leiden; op één belangrijk punt zou bij zulk eene verdeeling, dunkt mij, gelet moeten worden, dat namelijk diegene, welke eenmaal met eenig bepaald rededeel belast was geworden, zich met dat zelfde onderwerp bij voortduring bleef belasten, tot dat al de onderscheidene voorhanden zijnde stukken doorgelezen, en de uittreksels uit elk derzelve verzameld waren.
Als dan al de bouwstoffen uit alle nog aanwezige oude stukken verzameld waren, dan eerst zou het tweede deel van den arbeid, de _vergelijking_, moeten worden ondernomen. Die vergelijking behoorde drieledig te zijn. Vooreerst moesten de verzamelde bouwstoffen onderling worden vergeleken, waardoor men een zamenstel zoude verkrijgen van de verschillende vormen, in onderscheidene gelijktijdige, of althans in tijd weinig verschillende, dialecten. Daarna moest die vergelijking, bij opklimming, plaats vinden met de verwante talen, vooral met het Angelsaksisch. En eindelijk, in de derde plaats, kon men overgaan tot de vergelijking met de nog bestaande dialecten ieder afzonderlijk, waarbij dan wel in het oog moest worden gehouden, dat niet het Hindeloopersch met het gewoon Landfriesch, noch dit met het Sagelterlandsch, het Schiermonnikoogsch of het Noordfriesch vermengd, maar elk derzelve behoorlijk onderscheiden werd. Men zou dan voorzeker bespeuren, hoe het een der nieuwere dialecten meer doorgaande sporen van overeenkomst met dit onder de oudere, het andere weêr met eenig ander, zou opleveren; en langs dezen weg zou het mogelijk worden, eene volledige Friesche spraakkunst, analogisch, historisch, en met in acht neming der verschillende dialecten, zamen te stellen. Dat was het derde deel, het doel van den voorbereidenden arbeid, de _rangschikking_ van het verzamelde en vergelekene. Hier zou men nu het werk van den geleerden RASK ten grondslag kunnen leggen. De eigen verzamelde bouwstoffen gebruikende, zou men zijn voordeel kunnen doen met zijne volgorde,--voor zoo verre het niet bij de bewerking mogt blijken, dat eene afwijking verkieslijk ware,--ook met zijne opmerkingen, en die van anderen;--dan zou het blijken, of men in de vormleer genoegzaam doorgaande regels zou vermogen op te geven; of die, door RASK voorgesteld, aannemelijk zijn; dan of het misschien nog steeds veiliger bleef, om, op het voetspoor van GRIMM, nog maar alleen de voorkomende vormen als zoo vele bestaande grammaticale facta op te geven, en den stand der wetenschap nog niet rijp te achten voor het bepalen van vaste vormregels. En bij dat alles zoude men steeds elk afzonderlijk onderwerp historisch, en, door alle dialecten heen, vergelijkend moeten behandelen.
Ziet daar, M. H.! in korte en algemeene trekken,--in bijzonderheden toch mag ik niet treden,--U voorgesteld, wat, naar mijne geringe meening, door ons zou behooren te worden gedaan, zoo wij de Friesche taal in hare volle uitgebreidheid grammaticaal wilden beoefenen!--Het verdient zijnen lof, zich de nog altijd schoone taal, die in dit gewest op het platte land gesproken wordt, zoodanig te hebben eigen gemaakt, dat men daarin met sierlijkheid, regelmatigheid en naauwkeurigheid, de pen weet te voeren;--het is hoogst belangrijk, de regtsoorkonden onzer vrije voorvaderen vlijtig te hebben beoefend, die te verstaan, haren zin te vatten, en deze kennis aan regts- en oudheidkunde dienstbaar te maken--het is nog meer te prijzen, zoo bij die regts- en oudheidkundige beschouwing taalkundige opmerkingen worden gevoegd;--doch wie zich daarbij bepalen wil, bij al den lof, die hem moge toekomen, van hem mag nog niet gezegd worden, dat hij de taal in hare volle uitgebreidheid grammaticaal beoefent.--
Ik herhaal het, M. H.! ik wensch niemand mijne inzigten of meeningen op te dringen, nog minder mij diets te maken, als had ik den waren weg tot die beoefening gevonden en aangewezen, het allerminst U in den waan te brengen, als of ik mij zelven bekwaam achten zou, dien weg met standvastigen moed te bewandelen;--gelukkig genoeg zoude ik mij achten, zoo ik door deze pligtmatige voorlezing bij sommigen Uwer de opmerkzaamheid mogt hebben gaande gemaakt, zoo niet de aandacht gevestigd op een onderwerp, dat aan de Werkende Leden der derde afdeeling, als het hoofddoel hunner bemoeijingen, door onze wetten is voorgesteld.
[1] J. H. HALBERTSMA, in het _Foärwird_ voor de _Twigen uwt ien âlde stamme, Dimter 1840_.
[2] Op blz. XLVII der _Preface_ voor Dr. J. BOSWORTHS _Dictionary of the Anglo-Saxon language, Lond. 1838_.
[3] Jr. Mr. M. HETTEMA en Ds. R. R. POSTHUMUS, _Onze reis naar Sagelterland, Franeker 1836._
[4] _Altfriesisches Wörterbuch_, Vorrede, § 33: »Dieser alten Friesischen Sprache, welche nunmehr völlig ausgestorben ist," en § 34: »Die Sprache des gemeinen Mannes, in der Niederländischen Provinz _Friesland_, und besonders in _Hindelopen_ und _Mulquerum_ nennt man die Friesische.--Ich habe mich darauf nicht einlassen können, damit ich das Neuere nicht mit dem Alten verwechsele."
[5] _Hollandsche vert. der Spraakleer_, blz. XVI: »Het Friesch, dat nu bijna niet meer bestaat, en in eenige honderde jaren niet meer gesproken is, maar alleen een aantal verwarde en strijdige mondelijke taalsoorten, in de landschappen, welke van het Friesche volk of diens nakomelingen bewoond worden." En blz. 7: »De uitspraak van eene uitgestorvene taal naauwkeurig te bepalen, is wel niet zeer gemakkelijk; veel kan ons evenwel de overeenstemming met het Noord-Friesch en Hollandsch, alsmede het Angelsaksisch en Islandsch, met zekere waarschijnlijkheid leeren."
[6] Zie zulke gissingen bij RASK, _Holl. vert._, blz. 5, omtrent de uitspraak van _ae_ en _oe_,--fouten, blz. 3, _makia_, _capia_, lees: _makja_, _k[oe]pja_, daar _ma-ki-a_, _ca-pi-a_, verg. GRIMM, Recensie van RASK, beneden te vermelden, S. 104,--twijfelingen of _ier_, jaar, _jér_ of _iir_ moet gelezen worden--dadelijke fouten, blz. 3, dat de _v_, als medeklinker tusschen twee vokalen, de Nederl. en Latijnsche _w_, niet de Hoogd. en Holl. _v_ zouden zijn! Verg. GRIMMS _Recensie_, S. 94;--blz. 16, de _a_ in _cap_, _rad_, _dad_, _bam_, tot de doffe _å_ gemaakt; (»welke woorden thans door" enz., is eene bijvoeging van HETTEMA. Verg. BUSS, _Hoogduitsche vertaling_, beneden te vermelden, S. 29, § 13) enz. Alle welke mistastingen, bij kennis van ons _levend_ Friesch, onmogelijk geweest zouden zijn.--Zoo verkeerd is het, van den vreemdeling het _onze_ te willen leeren! Doch zoo is het dan ook onze pligt, gelegenheid te geven, dat men niet tot den vreemdeling zijne toevlugt behoeve te nemen.--Intusschen erkent RASK het voortdurend bestaan van Friesche dialecten, zie BUSS, S. 11, 12, doch zijne fout is, dat hij ons dialect, wat de uitspraak betrof, niet kende, en ook in allen gevalle niet genoeg gewaardeerd heeft. S. 16, _eine Art Volkssprache_.
[7] _Friesche rymlery. Liouwerd 1755._
[8] JAN ALTHUYSEN, heeft, in het 2de deel zijner _Rymlery_, de 150 psalmen DAVIDS, in Friesche berijming, opgenomen, doch alleen die, welke door GIJSBERT waren overgeslagen, zelf berijmd, en de door dezen berijmde, op hare plaats, tusschen de zijne in laten drukken, beider werk door naamsonderteekeningen onderscheidende. Zoo ver het mij gelust heeft, dit na te gaan, is ALTHUYSEN getrouw gebleven aan de versmaat van DATHEEN'S berijming, misschien om de zijne zoo voor het gezang, naar de toen gebruikte zangwijzen, meer geschikt te maken.
[9] _Hiljuwns uwren fen J. C. P. SALVERDA, Schoallemaester to Wons. Ljeauwerd 1834._
[10] Ook komt hier in aanmerking de geographische ligging der Friezen naast de Jutten,--uit welk oogpunt men het Friesch als overgangstaal tusschen het Saksisch en Noordsch kan beschouwen, zie GRIMM, _Recensie_, S. 91. RASK (BUSS, S. 6 seqq.), die daar echter meer het verschil dan de overeenkomst tusschen Friesch en IJslandsch, aantoont.
[11] Zoo is, b. v., nog de oude Friesche genitivus bij ons in bloeijend gebruik: _amme bread smekt swieter as memme koeke_, waarin _amme_ en _memme_, de nu wel verstompte, maar toch in de woordvoeging onveranderd geblevene oude genitivi, _amma_ en _memma_ zijn. De Fries zegt niet _JANS boek_, maar _JANNE boek_, het boek van JAN; en dit niet enkel op het land, maar ook in die steden, waar de vreemdeling niet al, wat eigenaardig is, geheel verdrongen heeft. Even zoo in plurali, _minskene dwaen_, _famne_, voor _fammene_, _dertenheit_, geheel overeenkomstig het oude _Liodena werstal_, _Fresena riuchtboek_ enz.
[12] »Quaedam ad Grammaticam spectantia, linguam Phrysicam, et prima elementa, ante centum quinquaginta et quod excurrit annos conscripta," fol. 3-13: En daarachter: »Fragmentum de literis Frisicis," fol. 14-21.
[13] Ik wil niet beweren, dat de Friezen runenschrift gehad hebben, want ik ben er nog niet van overtuigd, dat het zich laat bewijzen; doch sints er Angelsaksische runen ontdekt zijn, is het althans niet onwaarschijnlijk.
[14] _Frisisk Sprogläre, udarbejdit efter samme Plan som den Islandske og Angelsaksiske. Kiöbenhavn 1825._ Gerecenseerd door J. GRIMM, _Gött. Anz., 1826_, 9te-12te Stück.
[15] Welke er wel eens iets van het zijne heeft bijgevoegd, zonder dit te melden, zoo als mij eene vergelijking met de vertaling van Dr. BUSS geleerd heeft.
[16] _Frisische Sprachlehre, bearbeitet nach dem nämlichen Plane, wie die Isländische und Angelsächsische, von R. RASK, aus dem Dänischen übersetst, und mit einem Vorwort, über die Wichtigkeit des Sprachstudiums für eine gründliche Forschung im Gebiete der Rechts- und Staatswissenschaften begleitet_, von Dr. F. J. BUSS, Professor zu _Freiburg. Freiburg 1834_.
[17] In de boven aangehaalde _Preface_ op Dr. BOSWORTHS _A.-S. dictionary_.
[18] Verg. GRIMM, _Recensie_, S. 99, b. v. _seke_, dat volgens RASK, § 86, bij BUSS, p. 50 en 51 (want bij HETTEMA, p. 47, is hier veel uitgelaten, of elders gezet?) verbogen zou worden als _dede_, en dan in genit. plur. hebben moest _deda_, heeft daarentegen _sekena_. Zie VON RICHTHOFEN, _W. B._, voce _seka_.
[19] Bij deze opsomming der bestaande spraakkunsten had nog gevoegd moeten worden L. TEN KATE'S _Schetse van de Land-Vriesche dialect, vergeleken tegen onze Nederduitsche_, te vinden in het I deel zijner _Aanleiding_, blz. 699-710.--Ook had reeds J. GRIMM, in zijne _Deutsche Grammatik_, 2te Ausgabe, het Oudfriesch vergelijkend met de verwante taaltakken beschouwd, welke beschouwing, wat betreft de vokalen, in de in 1840 in het licht verschenen 3te Ausgabe, S. 402-420, aanmerkelijk is verrijkt en uitgebreid.
[20] Eerst na het voorlezen van dit stukje werd ik bekend gemaakt met het _Glossarium der friesischen Sprache, besonders in nordfriesischer Mundart, von N. OUTZEN, Kopenhagen 1837_, uitgegeven door de Hoogleeraren ENGELSTOFT en MOLBECH, uit wier Voorrede ik ook toen eerst gezien heb, dat reeds in 1817 het Koninklijk Deensch Genootschap eene hoogst belangrijke prijsvraag had uitgeschreven, »über die Beschaffenheit und Geschichte der friesischen Sprache, ihr Verhältniss zu den übrigen deutschen und nordischen Idiomen, ihre Mundarten und ihr Schicksal, Ausdehnung und jetzigen Bestand auf der cimbrischen Halbinsel," waarop echter geen voldoend antwoord schijnt te zijn ingekomen.--Ik kon in mijne voorlezing nog geen gewag maken van het hoogverdienstelijk _Altfriesisches Wörterbuch_, waarmede Dr. KARL, Freiherr VON RICHTHOFEN in 1840 de Friesche literatuur heeft verrijkt, zeker het beste en volledigste werk van dien aard, dat tot nog toe het licht zag, te hooger te waarderen, daar de geleerde schrijver hetzelve, even als zijne met zoo veel arbeids verzamelde en zoo voortreffelijk uitgegevene _Friesische Rechtsquellen_ (_Berlin 1840_), slechts als eenen noodzakelijken voorarbeid wil beschouwd hebben voor de Friesche regtsgeschiedenis, welke hij in het licht denkt te geven.
+--------------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend | | hersteld. Bladzijde-nummering is verwijderd. | | | | De voetnoten op elke bladzijde zijn naar het eind van het boek | | verplaatst. | | | | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is in | | dit e-boek weergegeven als +uitgespatieerd+. | | Het cursief is weergegeven als _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. | | | | De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: | | (NB. regel 1 = 4 witregels voor begin titel): | | | | Plaats Bron Correctie | | | | Regel 77 1. I. | | | | Regel 80 2. II. | | | | Regel 451 MAARLANT MAERLANT | | | | Regel 617 [Hele bladzijde 30] [Bladzijde 30 verwijderd | | (bladzijde 30 & 31 zijn op | | 1 hoofdletter na identiek)] | | | | Regel 732 , . | | | | Regel 795 Alt-Friesisches Altfriesisches | | | | Regel 816 vocalen vokalen | | | | Regel 863 [Niet in bron] . | | | | Informatie ter verduidelijking: | | Een verwijzing naar een boek is in twee verschillende | | vertalingen opgenomen. Aangezien beide fout lijken te zijn, | | wordt hier ook de originele onvertaalde boeknaam gegeven. | | | | Plaats Bron Extra informatie | | | | Regel 187 Brocmanner brief bedoeld wordt: 'Willküren der | | Brockmänner, eines freyen | | friesischen Volkes' | | | | Regel 606 Brokmannerbrief bedoeld wordt: 'Willküren der | | Brockmänner, eines freyen | | friesischen Volkes' | | | | Regel 623 Spraakleer op (verwijderde) bladzijde 30 | | gespeld: 'spraakleer' | | | +--------------------------------------------------------------------+