Iets Over De Grammaticale Beoefening Der Friesche Taal In Haar
Chapter 2
Het schijnt mij dan, in de eerste plaats, noodzakelijk toe, dat de beoefening onzer grammatica _historisch_ worde ondernomen. Uit het denkbeeld, dat ik van den omvang der taal getracht heb te geven, vloeit de noodzakelijkheid, altoos de belangrijkheid, eener _historische_ behandeling voort. Het is toch niet eene, op dit punt des tijds bestaande, regelmatige schrijftaal, wier tegenwoordigen toestand men als een afgesloten geheel kan beschouwen en beschrijven. Ware zij dit, dan zou het nog steeds wetenschappelijk belangrijk zijn, historisch te onderzoeken, hoe, langs welke wegen, door welke veranderingen, zij tot haren tegenwoordigen stand gekomen ware;--doch dat historisch onderzoek zou dan niet zoo _volstrekt_ noodzakelijk zijn;--het ware dan mogelijk, van den tegenwoordigen staat, waar ze zich in bevindt, eene getrouwe, naauwkeurige schets te ontwerpen, welke aan de eischen der taalkunde eenigermate zoude kunnen voldoen. In den omvang, waarin wij U de taal hebben voorgesteld, is dit niet wetenschappelijk mogelijk; onze arbeid zoude eerder een Friesch idioticon, dan eene grammatica, opleveren. Doch van waar zullen wij dit historisch onderzoek beginnen? Zal het genoeg zijn, op te klimmen tot het begin der dertiende eeuw, om, wanneer wij bekend zijn geworden met den toestand der taal in dat tijdvak, de geschiedenis harer veranderingen en afslijtingen nederwaarts, tot den tegenwoordigen tijd, voort te zetten? Het is waar, van vroegeren tijd, dan het begin der dertiende eeuw, zijn geene handschriften tot ons overgebleven, en het zou dus al ligt kunnen schijnen een overtollige arbeid te zullen zijn, zoo wij naar den toestand der taal in een vroeger tijdvak wilden onderzoeken. Intusschen zouden wij toch, door niet hooger op te klimmen, slechts de helft harer geschiedenis gewaar worden; wij zouden onbekend blijven met haren oorsprong, en veel onverklaard, en als onverklaarbaar, moeten overlaten.--Het Friesch is een tak van den grooten Germaanschen taalstam; willen wij nu eene innige kennis van den aard van dezen tak verkrijgen, dan behooren wij de natuur van den stam, waaruit hij gesproten is, te kennen. En mogt het ons al onmogelijk zijn, tot den stam zelven op te klimmen, dan zal toch de bekendheid met andere, uit den zelfden stam uitgeschoten, takken, vooral van zoodanige, die wij digter aan hunnen oorsprong uit den gemeenen stam mogen gadeslaan, ons goede diensten bewijzen, om tot ons oogmerk te geraken. Wij verkeeren in het laatste geval. Of men ooit met eenigen schijn van naauwkeurigheid de taal zal leeren kennen, die door onze Germaansche voorvaderen gesproken werd, eer zij zich nog in onderscheidene dialecten verdeeld had, zullen wij het veiligst dienen over te laten aan de vlijtige nasporingen der geleerde mannen, welke de Indo-Germaansche taalstudie tot het doel van hun leven hebben gesteld. Doch het is ons vergund, kennis te maken met een Germaansch dialect, het _Moesogothisch_, waarin reeds zeer vroeg, omstreeks het jaar 360, door ULPHILAS, de Evangeliën zijn overgezet, en waarvan een goed deel ons in den _Codex argenteus_ is bewaard, en door den grooten JUNIUS is uitgegeven. Dit kostbaar overblijfsel brengt ons het naast tot den gemeenen stam terug.--Wij bezitten echter nog naauwer vermaagschapte taalverwanten, dan hen, die dit Moesogothisch gesproken hebben. Dezen toch bewoonden, toen de Bisschop ULPHILAS onder hen leefde, de landstreken van _Servië_ en _Bulgaria_, afschoon andere van hunne stamgenooten zich reeds veel vroeger in _Jutland_ en het zuidelijk gedeelte van _Zweden_ hadden neêrgezet. Doch het is een ander volk, welligt, ten tijde van deszelfs verblijf op het noordelijk Germaansche kustland, één met de Friezen, en van dezen uitgegaan, althans zeker met hen op het allernaauwste verwant, wier taal, veel vroeger dan de onze geschreven, ons meer dan eenige andere kan voorlichten. Het was omstreeks het midden van de 5de eeuw, dat dit volk _Engeland_ overstroomde, en deszelfs oude bewoners onder het juk bragt,--en de oudste geschreven stukken in hunne taal, sedert bekend onder den naam van de _Angelsaksische_, klimmen op tot het laatste van die zelfde 5de eeuw. Het is dus meer dan waarschijnlijk, dat de Friezen, die tot deze volkplanters in de naauwste betrekking stonden, te dier tijde, behoudens geringe dialectsverschillen, met hen de zelfde taal zullen hebben gesproken; en de beoefening van dat oude Angelsaksisch, hetwelk zich bovendien door eene zeer rijke literatuur aanbeveelt, is alzoo voor de historisch-grammaticale beoefening van het Friesch volstrekt onmisbaar.--Nog komt bij zoodanige beoefening ook het _IJslandsch_ in aanmerking, ik bedoel die Skandinavische taal, die onder de algemeene benaming van _Danske tonge_, de taal was van die volkeren van het noorden, Deenen en Noormannen, welke, door hunne veelvuldige strooptogten, en somtijds langdurige overheersching, op de kustlanden der Friezen eenen zoo gewigtigen invloed oefenden, en te diepe indrukken achterlieten, dan dat men niet ook in de taal de sporen daarvan zou mogen opmerken[10].--En zoo volgt dan uit het gesprokene, M. H.! dat deze historische taalbeoefening, door ons opwaarts tot onze taalverwanten te voeren, tevens eene _etymologisch-_ of _analogisch-vergelijkende_ taalstudie met zich brengt.
Doch niet alleen moeten wij opklimmen tot de bronnen der taal, zoo wijd wij kunnen, ook, nederdalende, behooren wij den loop des strooms tot op onze tijden te volgen. Wanneer wij de taal, in hare zuivere, nog weinig afgesletene, bewerktuiging, zoo als ze in de oudste stukken der 13de eeuw voorkomt, zullen hebben gadegeslagen,--de waardij harer eenvoudige letterteekenen zullen hebben vastgesteld,--hare regelmatige verbuigingen toegelicht,--hare eigenaardige woordvoeging nagegaan,--en ook haar prosodisch deel, allitteratie en rijm, beschouwd zullen hebben,--dan zal het de taak dezer historische grammatica worden, om de verandering, het verloop, de afslijting van dat alles, de vermenging met vreemde bestanddeelen, zoo als die van lieverlede zijn ontstaan en toegenomen, in de taaloorkonden van latere tijden aan te wijzen, en tot in de nog bestaande dialecten op den voet te volgen. Zoo zal deze beschouwing tot veelsoortige en belangrijke opmerkingen en uitkomsten kunnen leiden. Het zal duidelijk worden, dat, sints de taal opgehouden heeft als eene volksschrijftaal te bestaan, ook hare ware orthographie is verloren gegaan, en door eene, aan het taalkarakter vreemde, spelling vervangen is, geschoeid op den leest van de spelling van dat volk, onder hetwelk het Friesche dialect is overgebleven. Het zal blijken, dat, hoewel, even als in al de andere nieuwere talen van Germaanschen oorsprong, de verbuigingsvormen veelzijdig zijn afgesleten, en als het ware onmerkbaar geworden, daarvan evenwel in ons Landfriesch meer is overgebleven, dan bij eene oppervlakkige beschouwing welligt door menig een wordt verondersteld[11]. Dan zal het bewezen worden waarheid te zijn, dat, zoo men het nog onder ons levend Friesch ontledigen kon van al deszelfs Hollandsche inmengselen, het overblijvende gedeelte, ondanks alle afslijting, die er heeft plaats gehad, onmiskenbaar nog die zelfde taal is, in welke de Friezen in de 13de eeuw hunne kernachtige wetten hebben te boek gesteld, en dat het daarin, voor het misschien nog veel meer afgesletene Hollandsch, waarin toch wel ieder de taal van STOKE en MAERLANT ontdekken zal, geenszins behoeft onder te doen, en dus ook evenmin, als dat Hollandsch, den naam van patois verdient.
Ik gevoel, dat ik, door het gesprokene in eenige voorbeelden meer aanschouwelijk te maken en dadelijk toe te passen, de duidelijkheid daarvan bevorderen zou; doch ik vermeen tevens, dat, èn de aard van de spreekbeurt, welke ik hier vervul, zoodanige afgetrokken grammaticale ophelderingen verbiedt, èn dat de tijd, mij, door uwe toegevendheid toegestaan, om te spreken, mij daarin verhindert. Ik moet mij dus tevreden stellen met de hoop, dat het mij gelukt moge zijn, duidelijk genoeg te hebben voorgesteld, wat het, mijns inziens, beteekent, de Friesche taal _in hare volle uitgebreidheid grammaticaal_ te beoefenen.
Mogt ik mij met die hoop niet geheel te vergeefs gevleid hebben, dan zouden wij nu, in de tweede plaats, dienen over te gaan, tot het onderzoek:
II. Wat wij, Leden van dit Genootschap, kunnen en behooren te doen, om ons te kwijten van de taak, die wij vrijwillig hebben op ons genomen, en wier aanvankelijke en gedeeltelijke vervulling althans met reden van ons mag worden verwacht?
Die taak is verre van gemakkelijk, M. H.! Zij vordert eene vrij uitgebreide, langdradige en volhardende studie; zij vordert groote naauwkeurigheid en veel scherpte van opmerking; eene veelzijdige grammaticale kennis en bedrevenheid. Het is geen arbeid voor weken of maanden, maar een werk, dat vele jaren van inspanning vorderen zal. Moet ons dit vooruitzigt niet afschrikken, ons, wie het meerendeels niet gegund is, onzen tijd onverdeeld aan de beoefening der letteren te wijden, maar die, eerst verpligt onze krachten te wijden aan hetgeen beroep en ambt een ieder te doen geeft, slechts uitgespaarde uren voor de wetenschappen mogen afzonderen? Er bestaan, dunkt mij, twee omstandigheden, welke het gewigt van deze bedenking eenigzins kunnen verligten. De eerste is, dat de bedoeling onzer Genootschapsinstellingen van zelve medebrengt, dat wij dien arbeid, voor éénen te uitgebreid en te zwaar, onder elkanderen mogen verdeelen; dat wij ons met de verzameling, bijeenbrenging en bewerking der in dezen noodige bouwstoffen gezamentlijk mogen onledig houden; en mogt het ons niet vergund zijn, zelven het gebouw te voltooijen, die voltooijing gerust, in het bewustzijn van daartoe het onze te hebben bijgedragen, aan anderen mogen overlaten. De tweede gedachte, die onzen moed tot het opvatten dezer taak mag versterken, is, dat wij niet de eersten zullen zijn, die zich de grammaticale beoefening van de Friesche taal zullen aantrekken, dat anderen ons reeds in dit spoor zijn voorgegaan, en reeds veel hebben gedaan en geleverd, dat voor ons leerzaam, nuttig en bruikbaar kan zijn.
Wij willen dien vóór ons gedanen arbeid vooraf kortelijk beschouwen, om na zulks de som te kunnen opmaken van hetgeen ons overblijft te doen.
1. Bij de beschouwing van hetgeen door anderen vóór ons gedaan is, zullen wij voornamelijk op zoodanige geschriften te letten hebben, die met het kennelijk doel zijn opgesteld, om eene grammatica te leveren, zonder echter vele andere, die tot de grammaticale kennis der taal kunnen leiden en medewerken, met stilzwijgen voorbij te gaan.
Wanneer wij dan, met billijken eerbied voor ouderdom van jaren, het eerst zullen noemen, die het eerst in het licht verschenen zijn, dan dient het allereerst gewaagd van het werk van den ouden Grammaticus, hetwelk GABBEMA, in het tweede deel zijner uitgave van GIJSBERT JAPIX, heeft opgenomen[12]. Het heeft betrekking tot het Landfriesch uit het midden der 16de eeuw: na de formatie van het meervoud der naamwoorden opgegeven te hebben, beuzelt de schrijver over de geslachten en naamvallen, wier bestaan hij, op den enkelen genitivus na, slecht weg ontkent, alsmede over de formatie van de vergelijkende trappen en de getallen der bijvoegelijke naamwoorden, over de verkleiningsvormen, de artikels en de telwoorden; alles zeer kort en oppervlakkig. Hier is achter gevoegd een brokstuk over de Friesche letters,--de schrijver handelt over de figuur der letters, en geeft de zonderlinge meening op, dat de Friezen eerst Grieksche karakters gebruikt zouden hebben; van runenschrift schijnt hij nooit iets gehoord te hebben[13]; vervolgens gaat hij de waarde der klinkers na, en gewaagt van de diphtongen. Deze beide stukjes zullen ons weinig leeren, misschien hebben zij nog eenige waarde, als bevattende taalproeven, die eene eeuw ouder zijn dan GIJSBERT JAPIX. Doch aan deze ontbreekt het ook overigens niet. Echter is het fragment ongetwijfeld van eene veel ervarener hand, dan het eerste stuk, en bevat over de uitspraak der vokalen eenige niet onbelangrijke opmerkingen. Wij leeren er, bij voorbeeld, uit, dat de Angelsaksische diphtong _eo_, toen dat stuk gesteld werd, in de Friesche taal nog bloeide, zoo als nog te _Hindeloopen_.
De tweede, ons bekende, poging, om eene grammatica te leveren, is van den geleerden ECCO EPKEMA, den verdienstelijken uitgever van GIJSBERT JAPIX; doch het is er verre van daan, dat deze zoude zijn ingerigt op den voet, dien wij ons hebben voorgesteld; niet de Friesche taal in hare volle uitgebreidheid, alleen het Landfriesch vinden wij hier geschetst, en dan nog maar het Landfriesch, zoo als GIJSBERT JAPIX dat schreef. De reden is duidelijk. Als inleiding op zijn _Woordenboek_ op dien Dichter, was het geenszins zijn voornemen, »een volledig zamenstel van spraakkunst der Landfriesche taal te geven," hij achtte dit volstrekt onnoodig, »daar, weinige afwijkingen uitgezonderd,"--het zijn 's mans eigene woorden,--»de Landfriesche taal, zoo als wij ze bij onzen Dichter aantreffen, eene tamelijke overeenkomst heeft met de Nederduitsche, zoo als wij dezelve bij CATS, KAMPHUYZEN, en andere tijdgenooten van hem, lezen." Ziet daar het standpunt, waarop EPKEMA stond, en waaruit men het werk van dezen geleerden man moet beoordeelen,--meer als eene bijdrage tot de Nederduitsche taal, dan tot de zuiver Friesche. Zijne orthographie is dan ook even als die van den Dichter, de Hollandsche van de 17de eeuw; al wat hij zeer uitvoerig over de letters, klinkers, diphtongen, verdubbeling der klinkers en over de medeklinkers schrijft, is grootendeels Nederduitsch, enkele belangrijke opmerkingen over de litterae prostheticae en epentheticae, of klikletters, zoo als hij ze noemt, en over de weglating in uitspraak, en de verwisseling der letters, raken het Friesch meer bijzonder, en kunnen tot ons doel gebruikt en vergeleken worden. In zijne behandeling der naamwoorden volgt hij den ouden Grammaticus, doch alleen, om hem telkens teregt te wijzen. Bij de verbuigingen der naam- en werkwoorden geeft hij ons alleen die van zijnen Dichter op, zonder tot de oorspronkelijke vormen op te klimmen, of, klimt hij al hooger op, dan nog bepaalt hij zich tot de taal der _Oude Friesche wetten_, als behoorende tot het dialect van ons gewest, doch ongelukkig, onder de oude taaloorkonden van lateren oorsprong, min zuiver, meer met Nederduitsch vermengd, dan bij voorbeeld het oudere _Asegaboek_ en _Emsiger landregt_.--Voor zoo verre dan onze GIJSBERT JAPIX mag gehouden worden voor den vertegenwoordiger van den staat van het Landfriesch dialect, zoo goed en kwaad, zuiver en vermengd, oorspronkelijk en afgesleten, als het zich in het midden der 17de eeuw vertoonde,--even zoo ver mag EPKEMA voor den naauwkeurig grammaticalen beschrijver van dat dialect gelden, in wiens arbeid echter de historische studie der zuiver Oud-Friesche bronnen te veel wordt gemist.
Het is voor de Friesche grammatica een onschatbaar voorregt geweest, dat de beroemde Deensche taalkundige RASMUS RASK, door en na het schrijven zijner _Angelsaksische spraakleer_, op het gelukkig denkbeeld gekomen is, om ook eene _Friesche spraakleer_ zamen te stellen. Zij kwam in 1825, in het Deensch, in het licht[14], en werd in 1832, door ons geleerd Medelid den Heer HETTEMA, in het Nederduitsch[15], en in 1834, door Professor Buss, te _Freiburg_, in het Hoogduitsch, overgezet en uitgegeven[16]. Dit is de eerste, en tot nog toe de eenige, zuiver Friesche grammatica, welke wij bezitten, uit de oudste schriftelijke gedenkstukken geput. Uitvoerig behandelt deze groote taalkundige de letters, en derzelver waarde en uitspraak, waarbij echter valt op te merken, dat onbekendheid met ons Landfriesch hem dikwijls heeft doen dwalen, waar de bekendheid met dat dialect hem gemakkelijk zou hebben te regt geholpen, en dat hij in de vokaalspelling tot toonteekenen de toevlugt heeft moeten nemen, welke hij eveneens, bij veronderstelde bekendheid zijner lezers met onze landtaal, zeer wel zoude hebben kunnen ontberen; dat hij gedurig, tot het bepalen der klanken, zijne toevlugt moet nemen tot het Angelsaksisch en IJslandsch, terwijl intusschen de klankbepaling in eerstgemelde taal, zoo als de Heer HALBERTSMA overtuigend heeft aangewezen[17], juist omgekeerd, het best uit ons nog levend Friesch kan worden opgemaakt. Omtrent de verbuigingen der naamwoorden en werkwoorden heeft hij taalkundig-regelmatige wetten voorgesteld, gegrond op hetgeen hij daaromtrent in zijne _IJslandsche en Angelsaksische grammatica's_ had opgegeven, het hoofdverschil der verbuigingen daarin zoekende, of de woorden in eenen klinker of medeklinker eindigen, of althans oorspronkelijk geëindigd hebben; de eerste noemt hij de opene, en de tweede de geslotene hoofdsoort (GRIMM noemt de _opene_ van RASK _zwakke_, de _geslotene_ bij RASK _sterke_, _Recensie_, S. 88); intusschen ontdekt men bij de naauwkeurige beschouwing dezer vormleer eene zoo groote menigte uitzonderingen, dat men aan de vastheid en waarheid der voorgestelde regels begint te twijfelen, en het mij althans voorkomt, dat dezelve nog wel eens aan eene streng beproevende kritiek mogen worden onderworpen[18]. Voor het overige geeft deze spraakleer ons eene getrouwe schets van de taal, zoo als die in het _Asegaboek_ en den _Brokmannerbrief_, als het oudste en zuiverste Friesch, voorkomt, met analogische verwijzing naar het Angelsaksisch en IJslandsch, en met aanhaling hier en daar van het nog levende Noordfriesch; doch zij kan geene aanspraak maken op den naam van eene historische grammatica, waarin op alle dialecten acht geslagen, en ook het verloop der taal aangewezen is.
Eindelijk mag, bij de vermelding der grammatica's, geenszins worden verzwegen de belangrijke schets van het Sagelterlandsche Friesch, gevoegd bij de _Reis_ naar dat land van de Heeren HETTEMA en POSTHUMUS; wij worden daar op eene korte en duidelijke wijze met dat dialect bekend gemaakt, en deze arbeid is voldoende, om hem, die zich met eene algemeene Friesche spraakleer mogt willen bezig houden, in staat te stellen, om van dit dialect een noodig en nuttig gebruik te maken.
Volgens schrijven van den Hoogleeraar RASK, in de _Voorrede_ tot zijne _Spraakleer_, heeft de Heer B. BENDSEN, te _Ærøskøbing_, met groote vlijt en naauwkeurigheid eene uitgebreide _Spraakleer_ van het Noordfriesch verzameld; welk werk echter, zoo veel ik weet, nog niet door den druk is gemeen gemaakt[19].
De orthographie is een belangrijk deel der grammatica. Hoe zou ik dan, M. H.! na U de bestaande spraakkunsten, zoo verre mij bekend, te hebben opgenoemd, mogen nalaten, U het schoone stukje over de spelling van den Heer HALBERTSMA te herinneren, geplaatst in den jaargang voor 1834 van het _Friesche Jierboeckjen_? Eenvoudig en duidelijk is die poging, om den rijkdom van ons Landfriesch in letterteekenen uit te drukken. Alle onnutte en verwarring barende bijvoeging van veelvuldige klinkers, waarin GIJSBERT JAPIX zich wel eens te buiten ging, is daarbij vermeden; de letters, welke in ieder woord, krachtens zijnen aard en grondvorm, behooren, hoewel in de uitspraak onderdrukt of weggelaten, worden daar meerendeels aan hetzelve terug gegeven; in het kort, de taal eenparig zoo geschreven, wordt voor den taalkundigen Nederduitschen aanschouwer klaar en bevattelijk. Intusschen houde men bij de groote voortreffelijkheid dezer proeve nog steeds in het oog, dat ook deze spelling meer op de Nederduitsche, dan op de Oud-Friesche, gegrond is; de bedoeling van het opstel maakte dit noodzakelijk; voor lezers, aan de Hollandsche spelling gewoon, wenschte men het Friesch aanschouwelijk voor te stellen, en uit dat oogpunt beschouwd, was deze wijze van handelen de eenige, die het doel kon doen treffen. Vraagt men echter, of zij ook taalkundig goed te keuren is, dan zou ik daarop geen in allen deele toestemmend antwoord durven geven. Mogt bij de vraag, hoe men dan tegenwoordig het Landfriesch moet spellen, mijne geringe meening iets gelden, ik zoude niet de spelling voorstaan, die men in het _Asegaboek_ of het _Emsiger landregt_ aantreft, even min als ik verlangen zoude, dat men het tegenwoordige Hollandsch ging schrijven eveneens als MAERLANT, VAN HELU of STOKE, in hunnen tijd deden; maar, gelijk de Nederduitsche spelling van onzen tijd gegrond is, altoos gegrond behoorde te zijn, op die van deze ouden, als overeenkomstig met den aard der taal,--zoo zou ik ook meenen, dat wij de spelling van het Landfriesch behoorden te gronden op de oude spellingwijze onzer voorvaderen. Ik zoude, wilde men een voorbeeld, naar het tegenwoordige Deensch verwijzen; die taal is eene, hoewel verbasterde, dochter van het oude IJslandsch, even als ons Landfriesch het is van het oud Friesch; de spelling van dat IJslandsch en van ons oud Friesch komen naauw met elkander overeen; in uitspraak zweemt ons Landfriesch, in meer dan een opzigt, sterk naar het tegenwoordige Deensch, en ik zou uit dien hoofde eene proeve allerbelangrijkst achten, die ons het Landfriesch eens in Deensche spelling voorstelde; ik geloof dat men bevinden zou, dat zoodanige spelling met den aard der taal meer overeenkomstig zijn zou, dan de thans in zwang zijnde gewijzigde Hollandsche.
Doch keeren wij van deze uitweiding terug tot de verdere vermelding van den arbeid die, reeds vóór ons gedaan, ons tot de zamenstelling eener grammatica zou kunnen helpen. Na de opnoeming der grammatica's kunnen wij kort zijn. Immers, het _Oud Friesch woordenboek_ van den geleerden WIARDA, dat, hoe onvolledig ook, op sommige artikels zeer rijk is[20],--de _Aanteekeningen_ op de _Friesche wetten_, door WIERDSMA en BRANDTSMA, die op het _Asegaboek_, door WIARDA, op het _Oostfriesche landregt_, door VON WICHT, op het _Emsiger landregt_, door HETTEMA,--kunnen en behooren bij de studie van de bronnen der taal geraadpleegd te worden. In de _Aanteekeningen_ van HOEUFFT, op de _Friesche spreekwoorden_, en omtrent de naamsuitgangen van plaatsen, in het _Idioticon_ van WASSENBERG, en soortgelijke stukken meer, vindt men hier en daar belangrijke opmerkingen verspreid. Mogt een gunstige zamenloop van omstandigheden het nog eens toelaten, dat wij ons zouden mogen verheugen in de uitgave van HALBERTSMA'S _Lexicon Frisicum_, wij zouden dan eenen schat van etymologische kennis voor ons geopend zien, waarin wij de verwantschap en geschiedenis van elk Friesch woord zouden mogen nasporen; thans willen wij met de schoone proeven, in het berigt omtrent de Wachtendonksche psalmen, ons voordeel doen, en niet ongebruikt laten, wat die geleerde, in het _Voorwerk_ voor BOSWORTHS _Anglo-Saxon dictionary_, over de verwantschap van die taal met de onze, gegeven heeft.
2. Ziet daar dan, M. H.! het voornaamste van hetgeen vóór ons gedaan is;--wat blijft er nu voor ons te doen overig? dit was de laatste vraag, waarbij wij ons nog moeten bepalen.