Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

Part 4

Chapter 4 3,815 words Public domain Markdown

Wordt ooit een rechtvaardigheidszin toegekend aan de dieren en de zinnelijke wezens, dan doet men het in oneigelijken zin, in zooverre bij hen een schijn of schaduw van verstand is. [77]

Of een handeling, waaromtrent zich het natuurrecht uitspreekt, ons gemeen is met de zinnelijke wezens, bijv. de opvoeding van het kroost, of ons eigen is, gelijk de dienst van God, heeft niets te maken met het wezen van het recht (l. 1. c. 1. § 11 1° 2°.)

Hoe kunnen wij bewijzen, dat een daad volgens het natuurrecht of daarmede in strijd is? Wij kunnen het langs tweevoudigen weg.

A priori, door aan te toonen, dat iets noodwendig overeenkomt met de sociale en redelijke natuur.

A posteriori, indien al de volken of meest beschaafden meenen, dat iets tot het natuurrecht behoort. Want een algemeen feit heeft noodzakelijk eene algemeene oorzaak. En deze algemeene oorzaak kan hier niet zijn dan "sensum ipsum communis qui dicitur." [78] Het eerste bewijs geeft zekerheid, het tweede zoo geen zekerheid, dan toch groote waarschijnlijkheid; het eerste is "subtilior," het tweede "popularior" (ibid. § 12.)

+B. God en het natuurrecht.+

Op het eerste gezicht, schijnt het eene lang niet gemakkelijke taak, de verhouding waarin volgens de Groot God tot het natuurrecht staat, juist aan te geven. Vergelijkt men de verschillende plaatsen, waar dit punt ter sprake komt, dan is men geneigd aan tegenspraak te denken.

Neem bijv. hetgeen hij, na over de grondslagen en bronnen van het natuurrecht gesproken te hebben, schrijft: "Wat wij gezegd hebben (over het natuurrecht) zou waar blijven ook dan nog, als men zou toegeven, wat echter zonder zware misdaad niet toegegeven mag worden, dat er geen God is, of dat Hij geen zorg draagt voor de menschelijke aangelegenheden." (prol. 11.) Lees daarna wat hij een weinig verder zegt: De natuurwet is de uitspraak van het gezond verstand, aangevend dat een handeling al naar gelang zij overeenstemt met onze sociale natuur of daarmede niet overeenstemt, zedelijk noodzakelijk of zedelijk ongeoorloofd is, _en dientengevolge ook noodzakelijk door God geboden of verboden is.... [79]

Hoe is dit alles, zoo vraagt men zich af, overeen te brengen?

Pater van Gestel meende de oplossing gevonden te hebben. [80]

Met de woorden zooeven aangehaald: "ook al zou men toegeven dat er "geen God is, toch bestaat het natuurrecht," met die woorden wil, volgens van Gestel, de Groot slechts dit zeggen, dat uit den aard zelf der menschelijke handelingen een verschil tusschen goed en kwaad kan worden opgemaakt, dat echter in den gewonen en vollen zin des woords recht of onrecht niet kan genoemd worden. Hij wil daarmede niet zeggen, dat het recht in den vollen en waren zin des woords zou blijven bestaan zonder God. Dit strijdt ten eenen male tegen zijne leer (cfr. l. 1. c. 1 § 10,) waar hij "ex professo" de grondslagen van het natuurrecht bespreekt. Aldus v. Gestel. Dat deze daarom de woorden van Dr. Nolens [81]: "In de leer van Hugo de Groot daarentegen is de menschelijke rede, afgescheiden van alle betrekking tot God, de bron van het natuurrecht," niet kon onderschrijven, is duidelijk.

Heeft v. Gestel Grotius hier echter goed begrepen? Wij durven er aan twijfelen. De Groot staat niet zoo dicht bij de scholastieken als de schrijver denkt.

Zien wij eerst waar, volgens Grotius, de bron is van het natuurrecht. Die bron of die grondslag ligt in een feit. In het feit n.l. dat de mensch, een met verstand begaafd wezen, sociaal is. Men lette hierop, Grotius' verder beweren hangt hiermede logisch samen. Want omdat het feit van 's menschen socialen aanleg ten grondslag ligt aan het recht, en dit zichtbare feit niet te loochenen valt, volgens de Groot, moet zelfs hij, die het bestaan van God ontkent, toch erkennen, dat er een natuurrecht is. Moet men dan echter niet besluiten, dat Grotius als hij later het natuurrecht bepaalt, en God als een der grondslagen van dat recht erkent, zich tegenspreekt?

Zeker, als het waar was, dat daar ter plaatse, God als een der grondslagen van het recht wordt erkend. Wie dit echter meent vergist zich.

Geven wij den heelen tekst: Jus naturale est dictatum rectae rationis indicans, actui alicui, ex ejus convenientia aut disconveniontia cum ipsa natura rationali, inesse moralem, turpidinem aut necessitatem moralem, ac _consequenter_ ab auctore naturae, Deo talem actum aut vetari aut praecipi. (l. 1 c. 1 § 10.) Men vestige de aandacht op het woordje "consequenter". Zou, zoo vraag ik mij af, Grotius hier niet gedacht hebben, aan hetgeen hij bij oude Grieksche en Romeinsche schrijvers gelezen had over "natura naturans" en "natura naturata"? Bestaat het recht, omdat de mensch nu eenmaal sociaal is, hieruit volgt, voor dengene, die gelooft aan een "natura naturans", die aan het bestaan van God gelooft, van een Schepper van hemel en aarde, dat ook God zulke met de sociale natuur overeenkomende rechtsverhoudingen wil. God als Schepper gaf zulke geaardheid, Hij wilde zoodanigen aanleg en derhalve ook de gevolgen: het recht. Het is redelijker, geloof ik, de woorden van Grotius aldus uit te leggen. Dan houdt alle tegenspraak op. Bovendien Grotius zelf geeft ons deze verklaring. Als hij spreekt over het willekeurig door God gegeven recht, zegt hij, dat evenals dit recht ook het natuurrecht, het jus sociale zoowel als het jus laxius, goddelijk recht kan genoemd worden. Want, alhoewel het natuurrecht uit den mensch van nature inwonende beginselen voortvloeit, kan het met reden aan God worden toegeschreven; en wel, omdat het Gods wil was, dat zoodanige beginselen in ons waren. Daarom zoo voegt hij er bij, zeiden reeds Chrysippus en de Stoicijnen, dat de grondslagen van het recht nergens anders te zoeken waren dan bij Jupiter zelf. (prol. 12.)

Het recht blijft dus zonder God; het verliest echter, zoo God niet bestaat, zijn allergrootste, ja zelfs noodzakelijke sanctie, gelijk Grotius later bij het strafrecht zal zeggen.

Dr. Nolens had dus gelijk met te zeggen, dat voor de Groot de menschelijke rede, afgescheiden van alle betrekking tot God, de bron is van het natuurrecht.

"La définition du droit naturel, zegt Charles Perin [82], laisse apercevoir une conception rationaliste, bien qu'elle fasse appel à l'intervention divine--C'est donc la raison que Grotius invoque d'abord, c'est dans la raison qu'il prend son point de départ, et Dieu ne vient là, que par voie de conséquence". Ook Descamps [83] schijnt onze zienswijze te zijn toegedaan. Hij schrijft: "Grotius avait remarqué ... que certaines règles morales se présentent à nous comme ne dépendant pas de la libre volonté de Dieu.... De ce que ces ... règles, ne dépendent pas de la libre volonté de Dieu, est-on autorisé à conclure qu'elles peuvent revendiquer une valeur propre, absolue, abstraction faite de tout rapport à l'être divin? Evidemment non! [84]

Men ziet, dat Grotius niet dezelfde ideeën heeft als een St. Thomas en vele scholastieken. 't Is waar, hij spreekt van handelingen, die in zich zelf goed, die in zich zelf slecht zijn. Men mag hem derhalve niet zoo maar zonder meer onder de voorstanders rekenen van een moraal-positivisme. Wij weten ook, dat Puffendorf, de Cocceji, Glafeij en allen, die een positivisme beleden in de zedenleer, Grotius, hoe groot hij hun ook leek, op dit punt heftig bestreden hebben; en laten wij het er bijvoegen met succes. Grotius had zich bloot gegeven. Hij was niet principieel genoeg. Grotius zag niet in, dat God toen Hij den mensch schiep de natuurwetten niet geschapen had. Hij begreep niet dat God, den mensch scheppend, slechts wezens voortbracht, waarop noodzakelijke, altijd en overal onveranderlijk, zijn en blijvende, voorschriften, toepasselijk waren. St. Thomas vraagt zich af, wat de mensch noodzakelijk is; voor hem een openbaring van Gods heerlijkheid. Deze hier beginsel-kwestie, laat Grotius onbesproken, hij gaat er overheen, is misschien zelfs niet ongenegen om aan te nemen, dat de mensch anders aangelegd had kunnen zijn, dan hij feitelijk is. Het is hier, dat Grotius' fout ligt; tot gegronde opwerpingen gaf hij aanleiding.

-Het willekeurig recht (gegeven recht.)-

+I. Het menschelijk recht.+

Het willekeurig recht in 't algemeen wordt bepaald als volgt: "Gegeeven wet is die haer naeste oorspronk heeft uyt de wille des instellers." [85]

Eerst bespreekt Grotius het door een menschelijken wil geworden recht, dewijl het door een grooter aantal menschen gekend is dan het goddelijke recht.

Het menschelijk recht kan worden onderdeeld in burgerlijk recht, en in recht, dat zich minder ver dan dit, en in recht, dat zich verder uitstrekt. Burgerlijk recht, noemt men het recht, dat ontstaat door de burgerlijke overheid; en deze overheid is de macht, die voorzit in het gemeenebest. De "civitas" of het gemeenebest is "een volmaeckte vergaderinghe van vrije menschen, te samen vergadert om recht te ghenieten en ghemeijn profijts wille. (l. 1 c. 7 § 14. 7°.)

Het willekeurig recht, dat zich minder ver uitstrekt dan het burgerlijke, omvat de voorschriften van ouders ten overstaan hunner kinderen, van meesters tegenover hunne dienaren en dergelijke; het dankt derhalve zijn ontstaan niet aan de burgerlijke overheid, alhoewel het aan die macht is ondergeschikt. Het recht dat zich verder uitstrekt dan het burgerlijke is het volkenrecht.

Volkenrecht of volkenwet kan men bepalen als de samenvatting van die voorschriften, die kracht van wet gekregen hebben, door de vrije instemming van alle of van vele volkeren.

Van alle of van vele volkeren, van _vele_, want er zijn bijna geen voorschriften, zegt Grotius, buiten die, welke tot het natuurrecht behooren, die allen volken gemeen hebben.

Om te weten of iets tot het volkenrecht behoort of niet behoort, moet men te werk gaan, gelijk bij het niet geschreven burgerlijk recht; men moet letten op de gebruiken. Is iets van oudsher gewoonte, dan is dit een bewijs dat wij voor een volkenrechtelijke bepaling staan. Ook het getuigenis van hen die in deze zaken bedreven zijn, kan als bewijs dienen. (ibid 2°) [86].

Volgens de Groot beteekent derhalve volkenrecht, de stellige, door overeenkomst tusschen volken en vorsten geworden wet; aan deze bepaling houdt hij zich overal. Men zie prol. 17, 40--47, l. 3. c. 4. § 2. 1°. 2°.--[87]

Aan zijn beloften, in de voorreden gedaan, is Grotius getrouw gebleven. Ik heb er mij, zoo zegt hij daar, bijzonder op toegelegd goed onderscheid te maken tusschen natuur-en volkenrecht. Te dikwijls heeft men beiden verward.

Boven de willekeurige menschelijke wet, waaronder het volkenrecht valt, staat volgens Grotius het goddelijk recht en de natuurwet.

Alle menschelijke wet verliest haar rechtskracht, zoo zij inbreuk maakt op een van deze twee. Maar dit vooropgezet, is dan ook hij, die het recht, dat de verhoudingen van vorsten en volken regelt, wil aangeven, niet verplicht het natuurrecht te behandelen, zoowel als het positieve recht?

Grotius wilde spreken over oorlogs-en vredestijd en kon derhalve niet anders doen dan hij gedaan heeft. Men ziet weder, hoe zich de titel, die Grotius zijn werk over het natuurrecht gaf, rechtvaardigt.

+2°. Het goddelijk recht+

Goddelijk recht noemt men die voorschriften, die door Gods vrijen wil geworden zijn, en door dit laatste onderscheidt zich dit recht van het natuurrecht, dat ook in zekeren zin goddelijk recht genoemd kan worden.

Wat door dit recht wordt voorgeschreven is "Jure debitum", wijl God zulks wil.

God kan bepalingen, wetten maken; want God staat boven ons als overheid. Hij heeft recht ons te bestieren, wij zijn verplicht Hem te gehoorzamen als Hij iets gebiedt. Voor een bepaald volk kan God wetten maken, maar ook voor de heele menschheid. Hij heeft inderdaad beide gedaan. De wet die God aan een bepaald volk gaf, is gelijk wij weten, de joodsche wet. Tot driemaal toe openbaarde God zijne geboden aan de menschheid n.l. onmiddellijk na de schepping van den mensch, na den zondvloed, en bij de verlossing door Christus. [88]

De wet aan het joodsche volk gegeven verplicht de andere volken niet. De wet immers verplicht slechts hen aan wie zij gegeven is, en zij is slechts gegeven aan Israël, dit blijkt uit de woorden der wet zelf. Dat zij de anderen niet verplichtte, is nog op te maken hieruit dat midden in het volk vreemdelingen leefden, rechtvaardigen genoemd, die door de wetverklaarders zelf als staande buiten de verplichting der wet werden beschouwd.

Ook de besnijdenis was verplichtend alleen voor Abrahams nageslacht, niet voor de overigen. Na in den breede dit alles te hebben bewezen, zegt Grotius, dat wij in geenendeele onder de joodsche wet vallen, wat hare verplichting betreft, dewijl de verplichting buiten de natuurwet ontstaat, door den wil des wetgevers. Nergens echter blijkt, dat God ons door de joodsche wet heeft willen verplichten, en toch slechts dit hebben wij te bewijzen, niet dat de wet voor ons heeft opgehouden, wijl er geen sprake is van ophouden, als iets niet heeft bestaan.

Verplicht ons Mozes' wet niet, hare kennis echter is ons nuttig en wel op de eerste plaats wijl wij daaruit weten dat hetgene, wat zij voorschrijft niet is tegen het natuurrecht. Want wijl dit laatste eeuwig is en onveranderlijk, kan God die nimmer onrechtvaardig is, niets hiermede in strijd gebieden.

Grotius legt er den nadruk op, dat hij hier slechts spreekt over de _voorschriften_ der joodsche wet. Wat immers datgene betreft wat zij toestaat, hier moet men onderscheid maken. Het toestaan is ofwel volkomen dat is, dat er een volslagen recht wordt gegeven iets te doen, ofwel onvolkomen, dat is er wordt een onstrafbaarheid verleend, zonder daardoor het recht dier handeling te erkennen.

Slechts het recht de handeling te verhinderen, wordt ontkend.

Vervolgens kunnen zij die de souvereine macht in de christenwereld bezitten, wetten maken in den geest van de wet van Mozes, behalve omtrent die punten, waar de joodsche wet geheel en al het oog had op de komst van Christus, of waaromtrent Christus in 't algemeen of in 't bijzonder iets anders heeft vastgesteld. Ten derde wat betreft de deugden door de wet van Mozes voorgeschreven en door Christus van zijne leerlingen gevorderd, zooals zijn de nederigheid, zachtmoedigheid, liefde, nog in een hoogere mate dan door de Joden, moeten zij door de Christenen beoefend worden. [89]

_V. De "Determinatio Juris."_

Grotius omschrijft het "recht" in de beteekenis van het "zijne", in de beteekenis derhalve van voorwerp der rechtvaardigheid, als een volkomen zedelijke hoedanigheid een persoon eigen om iets rechtens te doen of te bezitten. (De Jure B. ac P. l. 1 c. 1 § 4, 5.)

De deugd van rechtvaardigheid eischt, dat juist dit recht om iets te doen of iets te bezitten, door ons in een ander geëerbiedigd worde; het is onzen plicht een ieder het "zijne" te geven. Die plicht gelijk wij gezien hebben vloeit, volgens de Groot, uit den zin voor sociaal leven, een den mensch kenmerkende eigenschap, voort.

Het behoeft geen betoog, dat de sociale aanleg van den mensch, die oorzaak is van de "efficacia juris", de oorzaak niet is, dat iets, en dan bedoel ik hier een bepaald iets, aan een ander rechtens toekomt of behoort.

De "determinatio juris" hebben wij hier op het oog; deze vloeit niet voort uit den socialen zin van den mensch; zij is logisch eerder, zou men kunnen zeggen.

Hoe komt er derhalve een rechtsbetrekking tusschen iemand en een bepaald iets; wanneer kan men zeggen, dat iemand ergens recht op heeft?

Iets is het onze als er, uit den aard zelf der zaak, een betrekking tusschen ons, en hetgeen waarover het gaat bestaat m. a. w. als iets in de natuurlijke orde op ons past. Op nog andere manieren echter kan er een rechtsbetrekking tusschen iemand en iets, komen; door bezit n.l., door overeenkomst, door de wet. Iemand kan derhalve ooit aanspraak maken op een ding, niet omdat het zoodanig is, maar wijl er tengevolge van een menschelijke of goddelijke daad een betrekking tusschen hem en dat ding is ontstaan. [90]

Uit dat alles volgt, dat in een natuurtoestand, d.i. voor dat er eene menschelijke of goddelijke daad gesteld is, iemand slechts datgene rechtens toekomt, wat hij om en aan heeft. In het werkelijke leven komt hierin echter verandering; door een vrijwillige daad kunnen, en zijn ook rechten overgedragen. Er kunnen verbintenissen en quasi-verbintenissen zijn, en de mensch is gehouden dezen op te volgen, omrede hij sociaal is.

De rechten die iemand aan een ander afstond, zijn natuurlijk afgestaan in zoover hij, die zijn recht overdroeg, dat wilde of moest willen en in zoover hij dat kon willen. En hieruit is dus ook af te leiden, hoever iemands verkregen rechten gaan.

Wij hebben gezegd de individueele rechten die de mensch heeft in zijn natuurtoestand vermeerderen of verminderen, ondergaan veranderingen doordat de eene ze overdraagt op den anderen en in zoover men ze kan en wil overdragen of moet willen. Kan overdragen, want wat de mensch niet heeft kan hij niet vergeven; moet willen, want de mensch heeft den rechtsplicht te doen, wat niet in strijd is met de societeit; wat deze dus in gegeven omstandigheden noodzakelijk vordert, moet hij derhalve willen. Zoo bijvoorbeeld hij, die een misdaad begaat, geeft aan anderen recht hem te straffen. En wel hierom, omdat men moet veronderstellen, dat hij, die het kwade doet, tergelijkertijd implicite wil, wat in een samenleving noodzakelijk met het kwaad samenhangt; het recht n.l. der anderen om de booze daad te straffen, en het recht tot zelfverdediging.

Niet alleen op de zooeven genoemde wijzen, kunnen rechten overgaan; het kan ook gebeuren door de wet.

Hoe dit is te verklaren? Ziehier. De wet veronderstelt een overheid, dit is duidelijk. Wat is nu een overheid, of liever waar ligt de grond van haar recht?

God is, volgens de Groot, onze overheid, maar ook een mensch kan zulks zijn. Sluit men de vaderlijke overheid uit, dan ontstaat het overheidsrecht van een mensch door een verbintenis, een contrakt. Wat heeft de onderdaan gedaan? Hij heeft de bestiering van zich zelven gegeven aan een ander.

Deze andere, die dus het gezag gekregen heeft, dat weleer de onderdaan zelve had, is in zekeren zin in zijne plaats getreden. Hij kan voortaan evenveel, als de nu onderdaan zijnde, vroeger kon. Natuurlijk in zoover die rechtsbevoegdheid aan de overheid is overgedragen.

De overheid treedt in de plaats van een ander, ziedaar, op welken grond zijn macht om rechten over te dragen zich baseert. Hij kan wat vroeger de onderdaan kon. [91]

Een andere vraag, die wij hier moeten beantwoorden is deze: Is het in strijd met het natuurrecht, een ander bijv. iets te ontnemen, wat hij bezit, niet door het natuurrecht, maar door verbintenis of door de wet?. Het antwoord moet hier bevestigend luiden. Het doet er immers niet toe, hoe iemand iets het zijne noemt, mits hij het langs rechtmatigen weg in zijne macht heeft. [92]

Allicht zal men hier opwerpen. Maar is het dan nog denkbaar, dat men ooit niet misdoet tegen het natuurrecht, maar tegen de stellige wet? Wel zeker.

Die daad is tegen het willekeurig recht, tegen goddelijke of menschelijke wet, die niet overeenkomstig is aan die wet. Als voorbeeld zou men kunnen nemen, een wet die bepaalt, dat wij iets van het onze, en in zoover dit het onze blijft, aan een ander moeten geven. Handelt men in strijd hiermede, dan misdoet men tegen een positieve, niet tegen een natuurwet. Men laat ieder het "zijne" maar men geeft niet van het "zijne" hetgeen de wet "in casu" gebiedt.

Om een voorbeeld hiervan te geven, de verplichting die een volk, ten overstaan van ambassadeurs van andere volken heeft, zijn niet natuurrechtelijk, maar volkenrechtelijk.

"Hactenus", zoo zegt Grotius (l. 2. c. 18.) als hij gaat spreken over "de legationem jure", "ea memoravius, quae ex jure naturae debentur nobis, [93] paucis dumtaxat, additis de gentium jure voluntario ... Bestat veniamus ad obligationes, quas ipsum per se jus illud gentium, quod voluntarium dicimus induxit." [94]

De leer van Grotius over het eigendomsrecht, over den staat en het staatsgezag, over het strafrecht, zullen natuurlijk niets anders zijn dan een toepassing dezer ideeën. Pour la société internationale comme pour les États particuliers, toute la vie sociale, tout le droit social, relèvent en définitive, de la souverainité de la conscience individuelle, en d'autres termes du droit individuel, zegt met alle recht Charles Perin. [95]

#Grotius' Theoriën over Eigendomsrecht, Staat en Strafrecht.#

_I. Het Eigendomsrecht_

Een volkomen rechtsbevoegdheid bezit de mensch over zijn leven, over zijne ledematen, zijn lichaam, zijn eer en faam en kuischheid. Dit alles is van nature het zijne; het vormt immers als een geheel met zijne persoonlijkheid. Iets anders is het wat betreft de goederen dezer aarde. Deze zijn onderscheiden van den mensch, niet een met hem; zij zijn ook niet door hem voortgebracht. Daarom kan hij die goederen "de zijne" niet noemen. Hun heer en meester is God, Die ze geschapen heeft. God echter gaf den mensch het recht die goederen te gebruiken en zoo is 's menschen rechtsbevoegdheid over het aardsche ontstaan.

Hoever gaat die rechtsmacht? Het is een den mensch gegeven rechtsmacht, zij is derhalve in zoover zij gegeven is; daarom welk recht heeft God gegeven?

Aan dezen mensch heeft God niet dit, aan genen niet dat toegedeeld; aan de geheele menschheid heeft Hij gegeven de geheele aarde. Het bezit was daarom in den beginne communistisch, een privaat eigendomsrecht bestond er oorspronkelijk niet. [96]

Bestond er in den beginne geen privaateigendomsrecht, nu, zegt Grotius, bestaat het wel degelijk.

Al vroeg zag de mensch de noodzakelijkheid in om het privaatseigendomsrecht te stellen in de plaats van het gemeenschappelijk bezit. Waarom men afzag van een communistisch leven, leert ons de gewijde geschiedenis. [97]

Het privaat eigendomsrecht is derhalve in heel zijn omvang, volgens de Groot, een vrije, menschelijke instelling. Deszelfs ontstaan is, gelijk wij verder zullen zien, te vergelijken met het ontstaan van den staat. Beiden zijn geen natuurlijk bestaand iets, zij zijn iets willekeurigs; gewild echter door den mensch omdat zij goed, ja gezien de omstandigheden, zelfs noodzakelijk waren voor een rustige samenleving. [98]

Welke de regeling is van het privaat eigendomsrecht leidt de Groot eveneens af uit de geschiedenis.

Men bezat de goederen in het gemeen. Dit verdroot. Men verdeelde hetgeen men had, ieder kon voortaan, met uitsluiting van anderen, zeggen, dit is het mijne. De dingen echter die nog niet in bezit genomen waren door de eerste menschen, zij konden natuurlijk niet verdeeld worden. Hoe zou men hierop voortaan eigendomsrechten krijgen? Door toeeigening, want men moet veronderstellen, dat allen, toen gemeen bezit mishaagde, en privaateigendomsrecht ontstond, dat allen als wettige titel van recht-verkrijgen, stilzwijgend erkenden de toeeigening van hetgeen nog geen bezitter had. [99]

Men had reden om af te zien van gemeen bezit voor sommige, niet echter voor alle zaken. Sommige dingen zijn beperkt, andere niet; is een zaak zoo overvloedig, dat allen ze kunnen gebruiken zonder eenigen last, dan bestaat er ook geen reden, waarom men ze als privaat eigendom zou willen hebben. Dit is het geval bijv. voor de zee, de lucht. Deze zijn dus gemeen goed gebleven. En niet alleen op grond van het zoo evengenoemde, het zou zelfs onmogelijk zijn ze toe te eigenen, want slechts een nauw begrensde zaak kan toegeeigend worden. [100]

Het privaat eigendomsrecht is een menschelijke instelling, en daarom moet men ook, wil iemand zijn omvang juist kennen, gaan zien, wat de mensch wilde toen hij dit instelde. [101]