Hilda van Suylenburg

Part 16

Chapter 163,895 wordsPublic domain

Eerst nu, onder de opwekking van sommige woorden van Corona, maar vooral onder den prikkel harer tegenwoordige omgeving, waar ze telkens onvrouwelijk hoorde noemen, wat zij heel natuurlijk vond, en waar men de geestelijke minderheid der vrouw voor een onbetwistbaar feit scheen te houden, was zij belang gaan stellen in deze vragen en had getracht daarover voor zich zelf een overtuiging te vormen. Eerst als één der partijen achter gezet wordt in naam eener inferioriteit van welke zij zich niet bewust is, begint het vergelijken een noodzaak te worden.

„Maar freule,” zeide Bertha weer, „als de hersenen gelijk zijn, hoe komt het dan dat er nooit vrouwelijke genieën zijn geweest?”

Hilda dacht aan het bedanken op het kantoor, en lachte—zij kon het niet helpen—een klein geluid van spot. „Daàrom hebt u toch uw betrekking niet opgegeven? Ik dacht niet dat er genialiteit voor notarieele actes vereischt werd.”

„O! nee!” zeide Bertha, kleurend onder Hilda’s ironie. „Toen dominee Moisette ons voorrekende dat er nooit een vrouwelijke Goethe of Shakespeare of Michel Angelo is geweest, zei moeder ook dat dat toch geen reden was om aan vrouwen betrekkingen te ontzeggen, waarvoor zij de vereischte examens makkelijk en goed kunnen afleggen.”

„Natuurlijk, daar komt het maar op aan, en als men nagaat in Engeland en Amerika hoeveel knappe vrouwelijke rechtsgeleerden, doktoren, ingenieurs, chimisten, architecten, professoren, godgeleerden daar zijn en ook hoe in andere landen, overal waar het maar toegestaan is, de vrouwen hoe langer hoe meer met uitstekend succes aan alle mogelijke examens deelnemen, dan begint het toch langzamerhand belachelijk te worden om nog aan haar capaciteit te twijfelen. Ik kan best begrijpen dat het pijnlijk voor sommige heeren is, om zoo het monopolie van geleerdheid te moeten opgeven, het stralenkransje van kundigheden, die veel te hoog voor de vrouw heeten, maar ze zullen er zich wel in leeren schikken. Maar wat betreft de genieënquaestie zelf, de vrouwenemancipatie is nog veel te jong, om ons een ernstig overzicht te laten hebben van wat de vrouw presteren kan. Als Shakespeare den heelen dag aan de waschtobbe had moeten staan zou hij ook niet Hamlet geschreven hebben, en wie weet hoeveel vrouwen gedwongen zijn geweest om stil te zitten spinnen en verstellen, die voor iets groots geboren waren. Vroeger was het voor de meeste vrouwen immers onmogelijk om een goede opleiding te krijgen en zelden hadden ze ooit gelegenheid om haar gaven buiten een heel beperkten kring te toonen. Niet dat er zich zoo weinigen bijzonder hebben onderscheiden moet ons verwonderen, maar integendeel dat in verhouding tot haar uiterst ongunstige omstandigheden, er nog zoo velen iets hebben beteekend. Maar zelfs al was het nu eens waar, dat alleen het mannelijk geslacht genieën voort kan brengen, wat nog bewezen moet worden, nietwaar? en dat de vrouw alleen intelligent, begaafd, talentvol, maar nooit geniaal kan zijn, dan nog zou het immers dwaasheid wezen om te meenen dat de domste man hooger staat dan de knapste vrouw, even als het krankzinnig zou zijn om van twee bergen, waarvan de eene iets hooger dan de andere is, te beweren dat al de aardkorrels van den hoogsten verhevener liggen dan die van den laagsten. De groote zandmassas van beiden liggen immers op hetzelfde niveau, alleen de enkele aardklompen op den hoogsten top steken boven alles uit. En trouwens ....”—Hilda zag op, en een zacht rood van emotie trok even over haar gezicht—„ik heb wel es gedacht, nu het tegenwoordig hoe langer hoe meer blijkt uit de biographieën van alle groote mannen, dat hun moeders buitengewone vrouwen zijn geweest, dat het aandeel in de menschelijke genialiteit misschien heel mooi tusschen de twee geslachten verdeeld is: de man brengt het geniale werk voort, maar de vrouw den genialen mensch! Mij dunkt met dat deel zouden wij best tevreden kunnen zijn!”

„Ja maar,” zeide Bertha ongeloovig, „dominee Moisette zegt juist dat de bijzonder ontwikkelde vrouwen geen kinderen meer voort brengen .... groote herseninspanning ....”

Hilda zag haar een oogenblik ernstig aan.

„Gelooft u dat de natuur, die alles zoo prachtig doet, ons hersenen en intelligentie zou gegeven hebben, op conditie dat we ze niet mochten gebruiken? Het is heiligschennis, zulke praatjes! Natuurlijk het is best aan te nemen dat groote herseninspanning een overmatig werkzaam zijn van andere lichaamsfuncties zal tegenhouden, maar de emancipatie, vooral onder de getrouwde vrouwen, is nog veel te jong om op dit punt eenige betrouwbare gegevens te hebben. Het eenige wat zeker is, is, dat onder de vrouwen die bijzonder hebben uitgeblonken, er een massa zijn, die moeder zijn geweest: George Sand, mevrouw de Sevigné, Sarah Bernard, Henriette Beecher Stowe, .... ik noem maar enkelen, die mij het eerst invallen, en mevrouw F. Fischer Wood heeft statistische gegevens verzameld, waaruit blijkt dat negen tienden der kinderen van vrouwen, die een academischen loopbaan hadden gevolgd, het eerste levensjaar, waarin de sterfte zoo groot is, goed doorkomen en op de tentoonstelling van Chicago herinner ik me ook de portretjes gezien te hebben van de snoezigste babies van de wereld, die door hun moeders, jonge Engelsche gepromoveerde vrouwen, waren ingezonden, om te bewijzen dat het menschenras niet hoeft te ontaarden of uit te sterven al hebben de vrouwen iets anders in haar hoofd dan meidenpraatjes.”

„Maar gelooft u toch niet op den duur,” zeide Bertha dringend, „dat als de vrouw den grooten wedstrijd om het bestaan met den man gaat aanvaarden, zij met haar zwakker physiek moet ondergaan?”

„Dat zal zich van zelf wel uitwijzen. Dàar, waar zij den strijd niet kan volhouden, zal ze zich van zelf terugtrekken. Maar vergeet u niet dat overal waar verbeelding, intuïtie, delicate analyse, fijnheid van voelen en raden bij te pas komt, de vrouw gauwer en met minder inspanning haar doel zal bereiken dan de man. Edison bijvoorbeeld schijnt op zijn werkplaats liever vrouwen-machinisten dan mannen-machinisten te gebruiken, en moet es gezegd hebben dat over het algemeen de vrouw veel gauwer begrip van machinerie kan vergaren dan de man. En op het tooneel hebben immers ook alle groote actrices, veel jonger dan de groote acteurs, de volle hoogte van haar talent bereikt. Door sommige eigenaardige vrouwelijke gaven, van zich makkelijker in andere omstandigheden in te denken, zich makkelijker andere persoonlijkheden te assimileeren, bereiken de Sarah Bernards en de Rachels veel gauwer en met minder zware studie haar gloriepunt dan de Talma’s en de Monnet Sullys. En zoo heeft me ook eens een beroemde vrouwelijke tandarts te Londen gezegd dat het kiezentrekken misschien te zwaar voor veel vrouwen zou zijn als het alleen op kracht aankwam, maar doordat de vrouwenhand dikwijls subtieler, fijnervoelend is dan de mannenhand, merkt de vrouw gauwer naar welken kant getrokken moet worden, en hierdoor kan zij dus met minder krachtsinspanning volstaan. U begrijpt wat ik hiermee bedoel, nietwaar? Dat het wellicht blijken zal, in sommige gevallen, dat de vrouw, door enkele harer eigenaardige gaven, langs een anderen weg, met andere middelen, hetzelfde doel zal bereiken, en voor hetzelfde werk zich op een andere manier en misschien minder, zal moeten inspannen. Maar al was het waar dat wij ons voor den zelfden werkkring evenveel of meer dan de man moesten aangrijpen, dan hou ik het er toch nog voor dat we over het algemeen best tegen hem zullen kunnen opwerken! Dit is trouwens al glorierijk bewezen bij alle examens, op alle scholen, conservatoires, academies, waar men vrouwen heeft toegelaten, en als ik naga hoeveel, op z’n zachtst uitgedrukt, hoogst middelmatige heeren ik dezen winter heb ontmoet, die hooge betrekkingen bekleeden, dan geloof ik zelfs dat we op den duur makkelijk zullen kunnen mee doen.”—Zij lachte even, de oogen vol ondeugend licht.—„En als dan de tijd zal zijn gekomen van den korten arbeidsdag in alle kringen en als men de krankzinnige overdrijving in het onderwijs zal hebben laten varen, die nu zooveel slachtoffers kost, evengoed onder de jongens als onder de meisjes, en er in de opvoeding meer op gezondheid en karakter en intelligentievorming, dan op ingepompte schoolboekengeleerdheid gelet zal worden, dan zal op den duur de zuster zonder het minste bezwaar naast den broer kunnen opwerken en heel wat levenskrachtiger kinderen voortbrengen, dan het slappe zenuwachtige vrouwengeslacht van nu!”

„Maar als u dan gelooft dat de man en de vrouw precies hetzelfde zijn, waarom ....”

„O! pardon!” zeide Hilda snel. „Dat geloof ik heelemaal niet! Ik geloof dat zij equivalent zijn, maar heel anders, munten van gelijke waarde maar met andere stempels!”

„Nou ja,” zeide Bertha ongeduldig, „als u dan meent dat de man en de vrouw equivalent zijn, hoe komt het dan dat de emancipatie nou pas begonnen is? Het is onzinnig, zegt dominee Moisette dat, wat altijd bestaan heeft en duizende jaren geduurd, nou ineens door een troepje dames zou worden omvergeworpen!”

Hilda stond in eens stil. Zij waren de boschjes reeds diep ingegaan. Een bank stond vlak bij haar en zij liet er zich moe op neervallen.

„Hoe is het mogelijk!” zeide ze bitter. „Hij neemt de verantwoordelijkheid op zich om uwe carrière te breken en weet zoo weinig van die zaken, dat hij zoo iets zeggen kan!”

„Is het dan niet zoo? U hebt daar juist zelf gezegd, dat de emancipatie nog zoo jong was.”

„Ja, wel het woord, en het bewuste streven er naar door min of meer aaneengesloten partijen en het consequent doorvoeren van haar principes. Maar de behoefte naar meer vrijheid en recht is er altijd geweest. Of dacht u dat wij daar minder gevoel voor hadden dan de man? In geen enkele onafhankelijkheidsoorlog heeft het toch ooit ontbroken aan vrouwen, die de grootste offers met enthousiasme wisten te brengen. Nee! de behoefte om de slavenketen af te schudden zit oorspronkelijk in elk mensch, men kan haar onderdrukken en bedwelmen, maar zij blijft bestaan, en door alle eeuwen heen, soms duidelijk, soms onmerkbaar heeft de menschheid gearbeid aan de emancipatie der vrouw! Stapje voor stapje is het opwaarts gegaan, soms met pijnlijk terugvallen maar altijd vooruit. Elke nieuwe generatie worstelende tegen de vooroordeelen der oudere generatie: dat is de geschiedenis van alle evolutie! En als dominee Moisette zich uit den Bijbel herinnerd had, hoe de vrouw in den tijd van de koningen Saul en David behandeld werd, of geweten wat de vrouw in de Grieksche wereld was: niets dan een wezen om wettige kinderen voort te brengen, dat de man bij zijn dood, alsof zij goed of vee was, aan een vriend kon legateeren, of bij de oude germanen, waar zij kon worden verdobbeld als huisraad en wapens, dan had hij toch kunnen inzien dat, hoeveel verkeerds er nu ook nog moge zijn in de positie der vrouw, er sinds dien tijd toch heel wat stapjes voorwaarts zijn gedaan! Vrouwenemancipatie is niet een grilgedachte die in eens uit de lucht is komen vallen in het opgewonden brein van een troepje negentiende eeuwsche dames! Zij sluit zich logisch aan bij al wat is voorafgegaan! Als een zaadje is zij geweest, dat langzaam, langzaam ontkiemd is, telkens schuchter één klein worteltje schietend, één klein blaadje ontplooiend, tot het nu een flinke jonge plant is geworden, die zich niet meer laat ontwortelen door spotgelach en holle phrases.

Trouwens het is onwaar wat dominee Moisette u verteld heeft, dat de vrouw overal en van den beginne af aan onderdane is geweest. Bij veel volken,—al is het dan ook niet bij alle, zooals men vroeger wel eens meende—is er een tijd geweest, dat de vrouw heerschte en volkomen macht had over zich zelf en haar kinderen. Dat noemen ze het matriarchaat, het moederrecht—bij enkele wilde volken schijnt het nog te heerschen. En het is ook heel natuurlijk, niet waar? dat in het primitieve huisgezin de moeder soms hooger stond dan de vader, zij die het leven aan de kinderen gaf, en ze verzorgde en macht en welvaart aan haar stam schonk door die vermeerdering van strijd- en werkkrachten. Maar ieder die iets van de geschiedenis weet, kan zich niet verwonderen dat die toestand niet blijvend is geweest. Toen het leven gekompliceerder werd, het bezit kwam en de rijkdom en daardoor strijd, en door toeneming van bevolking, volksverhuizingen ontstonden, en daardoor veroveringszucht en slavernij en soms vrouwenroof, kan ieder licht begrijpen dat in de ruwheid dier tijden het sterke geslacht moest zegevieren. Denkt u eens even aan de tijden die toen gekomen zijn! Aan de Romeinsche oorlogen, aan Attila met zijn woeste Hunnen, aan de prediking van het christendom met het zwaard, waarbij duizenden werden gedood, die niet onmiddellijk overtuigd waren van zijn voortreffelijkheid, aan de Noormannen en hun invallen, aan de middeleeuwen toen het oorlogvoeren onderling der kleinere en grootere kasteelen zoo onhoudbaar was geworden, en de roof- en plunderzucht der edelen zoo groot, dat de geestelijkheid, die zich machteloos voelde tegenover het kwaad zelf, eenige verbetering in den toestand trachtte te brengen door de Trêve Dieu in te voeren, een bepaling waarbij het op straffe van excommunicatie verboden was, om te dooden of met gewapende hand te stelen, van Woensdag avond tot Maandag morgen. Niet waar? zulke bepalingen, geldende de grooten en machtigen, zeggen meer dan alle beschouwingen over de woestheid dier tijden! En denkt u verder nog eens even aan de gruwelen der burgeroorlogen, der kettervervolgingen, aan den honderdjarigen oorlog in Frankrijk, aan den dertigjarigen in Duitschland, aan den tachtigjarigen in ons eigen land! Aan al die benden slecht bezoldigde huurtroepen die het land door trokken of muitend heele streken onveilig maakten, en later, nog geen eeuw geleden, aan Napoleon’s bloedheerschappij! Dan kan het u toch waarlijk niet verwonderen dat de vrouw in die tijden een ondergeschikte plaats moest innemen! Zonder zich zelf aan het grootste gevaar bloot te stellen, kon ze zich toen immers nauwelijks buiten de poorten van haar stad of burcht wagen tenzij onder vertrouwd geleide, en alleen achter de kloostermuren, of in het huwelijk, vond zij zekere veiligheid, die zij met haar onafhankelijkheid moest koopen. Wèl vinden wij in de geschiedenis telkens en telkens weer vrouwenfiguren in kracht en moed, zelfs in strijdlust, de gelijken van den man en als de omstandigheden het eischten ontbrak het nooit aan heldinnen. Maar onze aard is het nu eenmaal niet om op het slagveld te schitteren. Zoolang de wereld voortdurend vervuld was van het kletteren van wapenen en kanongebulder kon de vrouw zich nooit laten hooren, zoolang physieke kracht en vaardigheid in wapenhandel onder de hoogste deugden werden gerekend, oorlogvoeren de hoogste carrière was, tournooien houden het eenigste voorname vermaak, dapperheid de eenige heldendeugd, was er in de groote maatschappij voor de vrouw officieel geen plaats. Eerst in deze eeuw waarin Bertha von Suttners kreet: Leg neer de wapens [5] luid heeft geklonken en echos heeft gewekt aan alle kanten, kan er sprake zijn van vrouwenemancipatie; d.i.: de vrouw vrij en onbeperkt werkzaam op alle gebied midden in de maatschappij, en ook eerst in deze eeuw, met zijn trillend verlangen naar sociale rechtvaardigheid, kan de vrouw de plaats opeischen die haar toekomt.”

Hilda had lang en heftig doorgesproken, zich zelf soms verbazend over de klaarheid waarmede al deze dingen haar in de gedachten kwamen, nu zij ze onder woorden brengen moest.

Bertha zat zwijgend met neergeslagen oogen en teekende met de punt van haar parasol onvaste dwarrelende strepen in het zand, onvast en dwarrelend als haar eigen gedachte.

„Dominee Moisette zegt juist, dat de vrouw in de middeleeuwen zoo hoog vereerd werd,” zeide zij aarzelend, „en daaruit leidt hij juist af dat hoe afhankelijker de vrouw blijft, hoe meer zij beschermd en geëerd wordt.”

„Ja,” zeide Hilda bitter, „de troubadours en minnestreels verheerlijkten haar in hun liedjes en de ridders trokken met de kleuren van hun dames op hun banieren gestikt ten strijde. Maar ik zou wel eens willen vragen aan de arme koninginnen en burchtvrouwen, die naast zich, en met meer eerbewijzen omringd dan zij zelven, de minnaressen van haar mannen moesten dulden, aan de vrouwelijke slachtoffers der geplunderde steden, aan de duizende vrouwen, die liever een wijkplaats achter de kloostermuren zochten, dan het voorwerp dier hooggeroemde bescherming te zijn, aan de knappe kruidkensters, eigenlijk de doktoressen van de middeleeuwen [6], die wegens hekserij op de vreeselijkste manier werden doodgemarteld, aan de jonge vrouwen, die zoo juist in het huwelijk waren verbonden met den man dien zij liefhadden, en daarop den gruwel moesten doorstaan van Droit du seigneur! of die allen wel erg over de vrouwenvereering dier tijden tevreden waren? Ik denk dat zij gaarne zouden hebben willen ruilen met de vrije Amerikaansche!”

Het meisje keek verward op. Voor haar, die weinig van geschiedenis wist, waren Hilda’s toespelingen op de middeleeuwsche toestanden nauwelijks verstaanbaar, maar aan den toon van afgrijzen begreep zij dat het vreeselijke dingen waren, die der vrouw toen werden aangedaan. Roerloos bleef ze zitten, bijna niet in staat om te denken van zenuwachtigheid.

„Kom,” zeide Hilda, „’t is hoog tijd, we moeten gaan. Ik heb het al half elf hooren slaan, en ik had nog wel aan mevrouw Cranz beloofd vroeg te zullen komen.”

Maar Bertha bleef zitten .... „Wat zal ik toch aan mevrouw zeggen?” zeide ze met ’n hijgenden snik.

Hilda zag op haar neer en in haar gezicht kwam iets zachters van medelijden. „Kom juffrouw Wendelings, grijp uw moed bij elkaar, wil ik eerst met mevrouw spreken? Mevrouw is zoo innig goed en houdt zooveel van uw mama. Ga naar haar toe en zeg haar dat u onder verkeerden invloed een .... enfin, een domheid hebt begaan maar dat u trachten zult ....”

„Nee, nee,” zeide juffrouw Wendelings, „dat is het juist, ik geloof tòch dat dominee Moisette gelijk heeft en ik wil niet meer ....”

Hilda stond verslagen. Een uur lang had zij met alle inspanning haar zaak bepleit, éen voor éen alle bezwaren weerleggend en niets was ze gevorderd. „U bent toch geen kind meer, dat u iets alleen op gezag van een ander aanneemt!” zeide ze zacht met het plotseling moeie gevoel, dat alles wat ze zeggen kon toch tevergeefs zou zijn. „Dominee Moisette is toch geen paus voor u, aan wiens onfeilbaarheid u zelfs tegen logica en geweten in moet gelooven?”

Maar toen in eens met de intuïtie dat er wellicht nog een laatste argument bestond dat Bertha niet gezegd had, maar dat zwaar bij haar woog: „Waarom hebt u toch eigenlijk bedankt?” zeide ze alsof het vorige vergeten was.

Bertha boog het hoofd en zat zenuwachtig plukkend aan de toppen der grijsgaren handschoenen, die haar groote handen nog grooter maakten.

„Zulk werk,” zeide ze eindelijk, „zal de vrouw het bekoorlijke ontnemen, haar leelijk maken.”

Een oogenblik kwam er verlangen in Hilda op, om weg te loopen en de onvruchtbare discussie te eindigen, toen zag ze neer op de gebogen gestalte, plomp in elkaar gezakt, waarvan elke lijn tot in de kleinste bijzonderheden ongracieus was. Van het dikke roode gezicht met de vooruitstekende lippen, den stompen neus, en de kleine diepliggende zwarte oogen, kon zij niets zien omdat het hoofd te veel naar voren hing, maar zij zag onder het vaal verkleurde stroohoedje het armoedige knoopje van rosachtig haar, en onder uit het nauwe kleedje zag ze de groote, leelijk gevormde voet uitkomen in een oude laars, de hak, naar buiten gekeerd en de punt naar binnen. Toen steeg er langzaam een groot medelijden in haar op.

Zou dit meisje werkelijk denken, dat, door stil thuis te zitten bij moeder in het bovenkamertje in het benauwde Juffrouw Ida straatje, zij in eens een bekoorlijke jonkvrouw zou worden, zooals ze voorkomen in ouderwetsche romans? Hilda dacht aan een paar Amerikaansche meisjes, die zij in Philadelphia had ontmoet, de eene boekhoudster, de andere stenografe, twee slanke feetjes vol frischheid en gratie, zij dacht aan een vrouwelijke advocate in Washington, de elegantste vrouw die ze ooit gezien had, en ze verbaasde zich over de macht van holle phrases.

„Ik zou juist denken,” zeide ze zacht, „dat uw betrekking u mooier zou hebben gemaakt. Met wat ruimer inkomen zou u wat meer werk van uw toilet kunnen maken, wat niet zonder beteekenis is in het uiterlijk van een vrouw, nietwaar? en als u dan in uw vrije avonden wat koekjes aan de thee voor uw moeder kondt meebrengen en haar wat moois kondt voorlezen, in plaats van nu uw oogen moe en rood te gaan werken op slecht betaald naaiwerk, geloof ik, dat u er veel vroolijker en liever zoudt hebben uitgezien. Overwerken is voor ieders gezondheid slecht en dus ook voor de schoonheid, maar een rustig volbrachte dagtaak en een voldoend salaris zijn uitstekende schoonheidsmiddelen!”

Bertha vouwde de handen en Hilda zag een paar tranen neerglijden, die als donkere vlekjes neerspatten op de grijsgaren handschoenen.

„Kom juffrouw Wendelings, zeg het me maar. Al uw argumenten waren maar uitvluchten, nietwaar? U ziet wel, dat het maar klanken en zinnen zijn, die niet bestand zijn tegen ’n beetje doordenken. Zeg me nou maar waarom u bedankt hebt, het zal u goed doen om het te zeggen!”

„O! omdat .... nee, het waren geen uitvluchten, het waren wel degelijk argumenten van dominee Moisette, maar ik kan ze niet verdedigen tegen u, maar hij heeft ook nog gezegd .... hij heeft ons gewaarschuwd .... dat misschien .... es iemand komen kon .... die, .... onze eigenlijke bestemming is toch het huwelijk, niet waar? .... en .... heeren hoûen niet van meisjes die zulke betrekkingen bekleeden .... en zoo iemand, die mij gelukkig had kunnen maken zou dan niet naar me om zien....” Hakkelend met een roode vlam in het gezicht had ze het uitgesproken.

Hilda stond een oogenblik strak voor zich ziende, toen draaide ze zich om en begon den terugweg. Bertha volgde zwijgend.

Dus voor een vaag iemand, die misschien nimmer komen zou, en die, als hij kwam, heel misschien haar werkkring zou afkeuren, had dit meisje haar toekomst vernield? Marguérite van Arkel had het haar onlangs wel gezegd hoe verslappend het vage denkbeeld op vele vrouwen werkt: dat „de heeren” sommige betrekkingen onvrouwelijk vinden. Zij had het niet willen gelooven en nu zag zij het vóór zich. Al hare fierheid kwam in opstand tegen deze laffe angst voor een denkbeeldige afkeuring van een denkbeeldig minnaar.

„Weet u dan niet,” zeide ze hard, „dat er honderd duizenden meer vrouwen zijn dan mannen? Wie zegt u dat die „iemand,” voor wie u uw carrière gebroken hebt, ooit komen zal? En dan, waarom zou het niet even goed kunnen dat die „iemand,” in plaats van bekrompen te zijn, vol verouderde dwaze begrippen over vrouwenarbeid juist in u apprecieerde, uw energieke werken, uw geld verdienen voor uw moeder; waarom zou het niet kunnen dat hij u juist liefhad om uw moedig alle bezwaren en vooroordeelen overwinnen, dat hij juist trotsch was op een vrouwtje dat haar uitzet had betaald met haar eigen mooie zelfverdiende geld? Zulke mannen bestaan er toch ook! en mij dunkt, zij die zoo denken zijn onze liefde meer waard dan de anderen. O! het is ergerlijk, ergerlijk, dat dominee Moisette u de dingen zoo verkeerd heeft voorgesteld. Ik vind het ellendig van hem!”

Bertha zag op, snel met een hooge kleur.

„Hoe kunt u zoo iets zeggen, freule, dominee Moisette heeft nooit iets ellendigs gedaan. Hij is de wijsheid en goedheid zelf en al zoudt u me ook honderdmaal bewijzen dat ie ongelijk heeft, ik geloof het toch niet. Hij is zoo vreeselijk verstandig en edel, hij moet het beter weten ....”

Toen zuchtte Hilda even met een erg vernederd gevoel dat ze al heel weinig scherpzinnig was geweest dien morgen. Dàt was het dus, ze had den jongen dominee lief en ze had haar toekomst vernietigd om niet in zijn oogen onvrouwelijk te schijnen.