Hilda van Suylenburg

Part 15

Chapter 154,000 wordsPublic domain

„Oom, mevrouw Cranz heeft gevraagd of ik vanmorgen wat vroeg wou komen. Om dezen tijd maakt ze altijd allerlei bezendingen klaar voor gestichten, en nou moeten er allemaal boekjes, prenten, teksten, speelgoed en kleeren worden uitgezocht, naarmate van de behoeften. ’t Is ’n heel werk, ziet u, en ze wou graag dat ik het voor haar deed.”

„Natuurlijk, papa, ze gaat weer naar haar lieve mevrouwtje!” riep Eugénie van boven aan de trap, met een lang hatelijk sleepen op de l en i van lieve.

Mijnheer van Starren lachte goedig met de onverschillige toegefelijkheid van oude menschen, voor wie het gekibbel en de ergernissen die de jeugd in ontroering brengen geen beteekenis meer hebben. Hij had de bedoeling van Eugénie’s uitval best begrepen en het amuseerde hem.

Hilda zag hem onder het aantrekken van haar handschoenen peinzend na, zooals hij de lange gang afging, de kleine gebogen gestalte met de korte onzekere stapjes, tot aan de deur van zijn studeerkamer, zijn stoffig paradijs vol wapenboeken en geslachtsboomen. Met de knop in de hand draaide hij zich nog even om en knikte haar toe met een knipoogje.

Hilda kleurde, ’n brandende gloed overstroomde haar gezichtje, terwijl ze zich driftig omdraaide en de voordeur opende.

„Hij denkt het dus ook al! Waar zien die menschen me dan toch voor aan? Dat ik mij vernederen zou om dien man na te loopen? Wat kan me die modepop met al z’n schatten schelen? Hoe durven ze me zoo te beleedigen. Maar misschien vindt oom het niet eens ’n beleediging, misschien vindt ie ’t heel natuurlijk, dat ik m’n netten zou gaan zetten bij de oude mevrouw, om haar zoontje te vangen. In onze wereld, waar het de eenige roeping van het meisje is om een goeie partij te veroveren, neemt men het immers niet zoo nauw met fierheid en zelfachting. Waarom zoûen ze mij dan ook niet verdenken van zoo’n heerlijk doel! ’t Is kinderachtig om het me nog zoo aan te trekken!” Ze kneep de kleine vuisten samen en liep nog harder voort.

„O ik wou dat .... ik hem hier had, die mooie mijnheer, ik zou .... hem toonen ....”

„Goeie morgen, freule, hê, wat hebt u hard geloopen, ik kon u haast niet inhalen; mag ik u even vragen, gaat u misschien ook naar mevrouw Cranz?”

Hilda zag om, bij ’t hooren hijgen vlak achter zich dier woorden, en ze herkende een van de protegéetjes van mevrouw Cranz, een forsch gebouwd jong meisje, in een ouden zwarten regenmantel, die haar te nauw was geworden en uit welks te korte mouwen een paar groote handen staken in grijs garen handschoenen.

„O, dag, juffrouw Wendelings, ik wist niet dat u achter me liep, ja, ik ga naar mevrouw Cranz, maar waarom? moet u er ook heen?”

„Ja, ik ben op weg naar mevrouw, maar ik zie er zoo vreeselijk tegen op, en toen ik u zag loopen, dacht ik, dat het mogelijk een uitkomst zou zijn ....”

Bertha Wendelings was de eenige dochter van een zeeofficiers-weduwe, die in groote armoede van haar klein pensioentje leefde, en jaren lang reeds bijna blind was. Mevrouw Cranz had haar dikwijls ondersteund, en toen het gebleken was dat Bertha makkelijk leerde, had zij haar lessen laten geven en laten klaarmaken voor de examens van candidaat-notaris. Sinds twee jaar was zij nu werkzaam op een van de eerste Haagsche notariskantoren.

„Waarom ziet u er zoo tegen op om bij mevrouw te komen? Mevrouw is altijd zoo lief, niemand hoeft toch bang te zijn om haar iets te vragen!” Hilda zeide het aanmoedigend, in de veronderstelling dat het een kwestie van voorschot of zoo iets zou zijn.

„Ja, ze is altijd erg lief voor ons geweest, maar dat is het juist .... dat maakt me zoo vervelend, omdat .... ze zal het erg ondankbaar van ons vinden .... want ik vond .... ik heb voor m’n betrekking bedankt!”

Heel zenuwachtig, gauw, binnensmonds had ze het gefluisterd, maar toen op eens luider, heel heftig:

„Ik wil niet langer dat mannenbaantje waarnemen, ik bedank er voor! ....”

„Bedankt?” herhaalde Hilda, alsof ze niet kon begrijpen. Zij herinnerde zich hoe mevrouw Cranz nog onlangs gezegd had:—„als dat meisje nou flink haar best doet, kan ze de laatste levensjaren van haar moeder nog ’n boel aangenamer maken, en voor haar zelf ook is de toekomst nu verzekerd en hoeft ze niet, als zooveel andere stumpertjes in haar omstandigheden, te zitten hunkeren of er ook een man komt, die zoo goed wil zijn haar te onderhoûen.”—En Edward van Starren, die er bij zat, had er zijn ruwe jongensgrap bijgevoegd:—„En als ze nou ooit trouwt, kan ze de inspraak van haar hart volgen, in plaats van die van haar maag!”—En wat beteekende nu deze stap?

„Wat bedoelt u met mannenbaantje?” zeide Hilda koel.

„Wel .... zoo’n betrekking, die tot dusver alleen door heeren is vervuld geworden, zoo’n kantoorleven alleen tusschen al die mannen ....”

„Hebben ze het u lastig gemaakt?”

„Nee, ze waren allemaal heel beleefd, behalve één die probeerde wel es om flauwe grapjes te zeggen.”

„En hebt u daàrom bedankt? Natuurlijk, overal, in elke positie kan men onaangename menschen treffen, maar ’n massa vrouwen in Amerika, en ook hier verscheidene dames, die betrekkingen bekleeden, hebben me altijd gezegd, dat iedere waarachtig ernstige vrouw, die het wil, zich kan laten respecteeren.”

„Dat is ook zoo!” zeide Bertha kleurend, omdat ze in Hilda’s woorden een verdenking voelde. „En dat is ook heelemaal niet de reden van mijn bedanken. Maar de vrouw moet vrouw blijven en niet mannenwerk doen.”

„Waarom noemt u zulk kantoorwerk speciaal mannelijk? Waar is toch die grens tusschen mannen- en vrouwenwerk waar altijd zoo over gesproken wordt? En wat denkt u nu te doen?”

„Ik zal zien naaiwerk te krijgen, maar ik ben helaas niet erg handig met de naald ....”

„Naaiwerk? O! maar juffrouw, hoe onvrouwelijk! De naald is geen vrouweninstrument, want duizende kleermakers en goudborduurders en stoffeerders hanteeren haar!”

„En ik zal leeren kantwasschen,” ging Bertha voort, alsof zij Hilda’s ironie niet had verstaan, „daar kan ik misschien ook nog wat mee verdienen.”

„Wasschen? O, maar dat is mannenwerk! In heel de Vereenigde Staten wordt de wasch haast uitsluitend door mannen gedaan, mannelijke Chineezen! En wilt u u misschien ook toeleggen op het koken? dat is ook al zoo verschrikkelijk mannelijk! want in alle kazernes, oorlogschepen, hotels, restaurants, paleizen, wordt door duizende mannen gekookt. U ziet wel, als de vrouwen zich wilden onthouden van alle werk, dat op grooten schaal door mannen gedaan wordt, zouên ze niet alleen de kantoren moeten vaarwel zeggen, maar dan bleef er zelfs niet veel anders over dan kinderjuffrouw. Dat is nog een van de weinige baantjes, voor zoover ik weet, waar ze niet in concurrentie met de mannen treden, of het moest zijn met een haakwerkje voor het raam gaan zitten; zoover hebben de mannen het ook nog niet gebracht.”

Hilda lachte bitter. De ergernis over dit jonge meisje, dat heel een toekomst weggooide onder suggestie van een paar holle phrases over vrouwelijkheid, maakte haar woorden bijtend.

„Ik had gehoopt steun bij u te vinden, maar als u zoo spreekt zal ik maar liever niets meer zeggen!” zeide juffrouw Wendelings geraakt.

Hilda zag haar aan, strak, uitdagend, en toen uit de hoogte, half omdat zij boos was, half om Bertha uit te lokken tot verder spreken:

„Natuurlijk, tegen mijn argumenten valt ook verder niets te zeggen!”

„Dat wel!” riep Bertha geprikkeld, „want u kunt misschien gelijk hebben dat er eigenlijk geen speciaal vrouwenwerk bestaat dan klein-kinderverpleging, maar wij kunnen toch niet allemaal bonnes worden, en we moeten toch leven en dus....”

„En dus,” viel Hilda warm in, „is het logisch, aangezien er bijna geen vrouwenarbeid is, die niet evengoed door mannen kan gedaan worden en is gedaan, dat men ophoude te schermen met die vage woorden van mannen- en vrouwenwerk! Waarom laat men niet aan ieder individu de vrijheid om zijn of haar levensonderhoud te zoeken op die manier die lust en geschiktheid aanwijzen!”

„Maar gelooft u dan niet dat de natuur toch zekere grenzen heeft gesteld?”

„Ja zeker,” zeide Hilda, „werk, waar groote spierkracht voor gevorderd wordt, in mijnen, steengroeven, dokken, smidsen en natuurlijk slachters- en oorlogswerk, enz. zal wel nooit bij voorkeur en als regel door vrouwen gezocht worden, evenmin als mannen zich ooit als opzichters in fröbeltuinen zullen aanmelden. Maar tusschen deze uitersten, waarbij de natuur zelf hare grenslijnen getrokken heeft, ligt het groote algemeene menschen-werk, waarvoor alle verschillende gaven en hoedanigheden kunnen worden gebruikt, en waaruit het belachelijk is, de eene helft der menschheid willekeurig buiten te sluiten. Als u meent, dat ’n vrouw die op ’n registratie- of hypotheek- of notaris- of post-kantoor of secretarie, of bureau werkt, de natuurgrenzen overtreedt, waarom vindt u het dan hoogst natuurlijk dat er mannen zijn, duizende, die bakken en braden, en anderen die keurige zoompjes maken? De natuur heeft immers bij zulke werkverdeelingen niets te maken. Alleen vooroordeel en sleur trekken als ’t ware ’n toovercirkel om de vrouw, die haar aan alle kanten insluit, dien zij nooit mag overschrijden, op straffe van voor onvrouwelijk te worden uitgekreten, maar dien de man volkomen vrij is om overal binnen te dringen zonder onmannelijk te worden genoemd. Maar ziet u dan niet dat ’t maar ’n kwestie van jaren is om dien cirkel tot het uiterste te verwijden? De laatste vijf en twintig jaren hebben reuzenschreden gedaan, nu nog vijf en twintig jaren en men zal de vraag vergeten hebben: „is dit wel werk voor een vrouw?” er zal alleen nog gevraagd worden: „is deze persoonlijkheid geschikt voor dezen arbeid?”

„Maar er zal toch sommig werk zijn dat door het eene geslacht veel beter dan door het andere kan gedaan worden?”

„Waarom beter?” zeide Hilda, „dat geloof ik niet! maar anders zeker! In het onderwijs, in de geneeskunde, in politiek en armenzorg, in handelszaken, in godsdienstquaesties, overal in zal de vrouw een ander standpunt innemen, een ander oordeel over, een anderen blik op den toestand hebben dan de man, en daarom is het juist zoo noodig dat zij beiden te samen dezelfde functies vervullen. Want alleen daardoor kan de volle som der gaven van de tweevoudige menschelijke natuur aan de gemeenschap ten goede komen.”

„Maar moet dan de vrouw aan alle betrekkingen deelnemen?” zeide Bertha ongeloovig.

Hilda knikte. „Evengoed als de vrouwen altijd aan de hoogste betrekking, die van den troon hebben deelgenomen, kunnen ze ook de minder hooge met den man deelen.”

„Maar wat een vreeselijke concurrentie voor den man!”

Hilda dacht aan haar gesprek een poos geleden met Dominee Moisette over het arme naaistertje en, bijna zonder het te weten, herhaalde ze de woorden die zij toen ook gezegd had: „Hebt u dan meer medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw? vindt u dat om hem concurrentie te besparen zij maar gebrek moet lijden? Heeft de vrouw dan niet evenveel recht op levensonderhoud? Hebt u er wel es aan gedacht, voor wie van de twee de levensstrijd het zwaarst is? Voor den man beteekent armoede: gebrek en honger, dat is zeker heel erg; maar voor de vrouw beteekent ze: gebrek, honger en .... schande. Voor de man is ze lijden, voor de vrouw lijden en gevaar! Trouwens als men kunstmatig de bittere concurrentie dezer overgangstijden wil verzachten, zou men veeleer beginnen moeten, om alle rijke jonge mannen uit te sluiten van alle goed gesalarieerde betrekkingen. Deze, veel beter dan onbemiddelde vrouwen, zouden den druk der tijden kunnen weerstaan. Maar dat zou immers nonsens zijn! en u zoudt es zien wat ’n kreet van verontwaardiging er door ’t land zou gaan van alle gefortuneerde ouders als zoo iets serieus werd voorgesteld. En waarom dan, als iedereen het hoogst natuurlijk, zelfs flink vindt, dat de rijke jonge man studeert en een betrekking krijgt, die een ongefortuneerde ook zoo graag gehad had, waarom dan de vrouw in naam der concurrentie het recht ontzegd om in eerlijken strijd mee te dingen naar een levensonderhoud? Is dit argument van concurrentie niet een van de aller-onrechtvaardigste, laagste, zelfzuchtigste die de man tegen de vrouw heeft aangevoerd? Maar hier zijn we er!” en Hilda strekte de hand uit om te bellen.

Bertha hield haar tegen met een beweging van angst:

„O! ik durf nooit binnen te gaan! Wacht u nog even, freule, ik durf nou nog minder dan zoo straks. Het is nog zoo vroeg, zoudt u nog niet ’n eindje met me door willen loopen?”

Hilda knikte, en langzaam liepen zij voort, de Javastraat uit, toen de Scheveningsche weg tot in de Boschjes, beiden zoo geheel verdiept in haar vraagstuk, dat zij niet eens Valérie Vermaezen in haar dogcarretje zagen voorbijrijden met naast zich Eugénie.

„Dear me, Eus, kijk es, wat doet Hilda daar, met dat onmogelijke kind?”

„Ik heb er geen ahnung van,” zeide Eugénie, zich wringend op het nauwe bankje om ver achteruit te zien. „Wat ’n log gevaarte! Je moest die dikke handen uit die korte mouwen zien bengelen! Hilda heeft bepaald ’n passie om zich te encanailleeren.”

En voort vloog het aardige carretje, licht en elegant, met den correcten groom en de vroolijke meisjes, achterlatend waar Hilda liep een kleine warreling van stof en spotgelach. Maar Hilda merkte het niet; zij dacht niet aan den nauw geworden regenmantel; voor haar was Bertha en haar jammerlijk besluit op dit oogenblik alleen een abstractie, een vraagstuk dat zij met alle macht trachtte op te lossen.

„Maar freule .... gelooft u toch ook niet dat .... ons eigenlijke werk in het huishouden ligt,” zeide Bertha eindelijk. „Daàr is ons koninkrijk en daàr moeten we ons aan houden.”

„Het huishouden ....? En waar moeten de ongetrouwde vrouwen dat hooggeprezen huishouden vandaan halen? Alleen op een kamertje ’n potje koken, of voor zichzelf eten bestellen? Dat is toch geen menschwaardige levensvulling! En hier in den Haag zijn 15000 vrouwen meer dan mannen! In heel Europa zijn er honderd duizenden meer! Wat ’n leuterzinnetje voor die allen als men ze naar ’t huishouden verwijst! En wat de getrouwde vrouw betreft, o! juffrouw Wendelings, het is grappig u te hooren zeggen dat het huishouden haar koninkrijk is! Weet u wel, dat noch over haar zelve, noch over de plaats waar ze haar huisgezin wil vestigen, noch over het land onder welks wetten ze leven wil, noch over het geld waarmee ze haar huishouden moet bekostigen, ook al heeft ze het aangebracht, of al verdient ze het zelf noch over haar goed, noch over hare kinderen, heeft de getrouwde vrouw bij de wet iets te zeggen! Alles, verstaat u, alles hangt van den wil van den man af. De man, ook de dronkaard, ook de laagst gezonkene, heeft wettelijk, dus feitelijk, als hij wil, alles over het huishouden te zeggen! En natuurlijk weet ik wel dat er ’n massa goeie mannen zijn, en het er in de praktijk niet zoo zwart uitziet als in het wetboek, maar er zijn toch ook voorbeelden in overvloed van mannen, die ten koste van het gezin hun macht daarop laten gelden! En daarom is het harde ironie, vindt u niet? om het huishouden ons koninkrijk te noemen! Een mooi rijk, waar we alleen door gunst, dus als favorite in kunnen heerschen, maar nooit als wettig regeerende vorstin!”

„Maar ’t is toch onze roeping ....”

„Dat geloof ik niet!” zeide Hilda beslist. Aangeboren lust en aanleg voor de dingen van het huishouden zijn geheel individueele gaven, die even goed bij den man als bij de vrouw worden gevonden, getuige de heel oude benaming van keuken-Piet, maar getuige vooral het feit dat er minstens evenveel beroemde koks als beroemde keukenmeiden zijn geweest en dat op sommige oorlogschepen het heel gekompliceerde huishouden, uitsluitend door mannen bestuurd, zoo goed wordt gedaan, dat heel wat huisvrouwen er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen! Van de twintig vrouwen zijn er immers ook maar hoogstens vier of vijf voor wie koken, inmaken, wasch opdoen, verstellen, poetsen een genot, een behoefte zijn. U ziet het immers dagelijks: zoodra de middelen het toelaten draagt iedere vrouw zooveel mogelijk de huishoudzorgen aan gehuurde hulp over. Waar vindt je een dame, die zich de luxe van ’n paar meiden kan veroorloven, en die bij voorkeur het werk zelf doet? ’t Zijn hooge uitzonderingen. Zelfs bij vrouwen die nooit anders dan met afschuw het woord „emancipatie” hebben gezegd, bestaat hoe langer hoe meer de drang en de gewoonte om alles buitenshuis te laten maken. Bewijst dat niet duidelijk dat het huishouden even goed als elk ander werk, heel goed door ons gedaan kan worden uit plichtbesef, wanneer de omstandigheden het eischen, maar volstrekt niet een aangeboren roeping voor ons is?

Weet u wat me verleden is ingevallen? Er bestaat ’n mooie gelijkenis van de getrouwe en de ongetrouwe dienstknechten die talenten hadden ontvangen, en de eene woekerde er mee en de andere begroef ze. En ziet u, ik geloof dat wij vrouwen maar al te veel en te lang behoord hebben tot de ontrouwe dienstknechten, die hun talenten begroeven, en het treurigste hiervan is nog, dat men ons wijs heeft gemaakt, tot we het zelf geloofden, dat wij juist onze vrouwelijke roeping vervullen door een groot gedeelte onzer talenten te begraven, om maar in een heel klein kringetje een paar er van te gebruiken! Niet in het kleine huishoudentje, besloten tusschen de vier muren van een modern huisje, ligt de roeping van de vrouw, juffrouw Wendelings, maar overal in de groote maatschappij, waar goed te doen valt.”

Bertha zuchtte. „Ik weet het niet,” zeide ze fluisterend met tranen in haar stem. „Ik kan me niet tegen u verdedigen, want als u zoo spreekt, heb ik ’n gevoel, dat u gelijk hebt, en toch, als dominee Moisette zoo met ons zat te praten zag ik het duidelijk in dat ’t niet goed was om op het kantoor te blijven! Ik wou dat u es met hem spreken woudt?

„O! was het dominee Moisette, die u er toe overhaalde?” zeide Hilda in hartstochtelijke ergernis.

„Ja .... kent u hem?”

„’n Beetje .... en wat zei hij dan wel?”

Bertha aarzelde. „Hij sprak van de verleiding, die meisjes wacht buitenshuis op groote kantoren ....”

„Verleiding! ....” riep Hilda heftig met een glimlach van vernietigend minachten. „Voor elk mensch, waar hij ook leeft, wat hij ook doet, is er strijd en verzoeking! Maar ik zou wel es willen weten, voor wie de verleiding grooter is, voor ’n arm meisje dat nauwelijks weet hoe rond te komen en ’n armzalig suf bestaan heeft, of voor iemand die eervol een goed inkomen verdient! Vergeef me dat ik ’t zoo ruw zeg, als dominee Moisette in de wereld had rondgekeken, zou ie gezien hebben, dat gebrek, of zelfs maar de angst er voor, het grootste gevaar voor jonge meisjes is. Er zouden heel wat minder te gronde gaan als er meer goede betrekkingen voor haar open stonden! En wat zei hij nog meer?”

„Dat als de vrouw dezelfde rechten en hetzelfde werk wil hebben als de man, hij haar als zijn concurrent en kameraad zal gaan beschouwen en dat dat zal zijn ten koste van den eerbied en de bescherming waarvan zij nu het voorwerp is.”

„Eerbied en bescherming,” zeide Hilda lachend, „vindt u heusch dat die nu zoo groot zijn? Als het maar ’n beetje donker wordt mogen we niet op straat, uit vrees dat iemand ons de beleediging zal aandoen van zijn weinig eerbiedig geleide! O! zeker, de rijke jonge dame in haar equipage of onder geleide van papa’s en broers, wordt allerliefst eerbiedig behandeld, maar ik zou wel es willen vragen of het naaistertje, dat ’s avonds moe naar huis gaat en nog een ver eind te loopen heeft, ook zoo tevreden kan zijn over den eerbied voor haar als vrouw! O! zeker in fatsoenlijk gezelschap wil men aan de „dames” wel zekere eerbiedige beleefdheid bewijzen, haar ’t eerst een deur laten ingaan of het eerst van een schotel presenteeren, en zelfs, als het niet al te hard regent, zijn er soms heeren, die hun plaats binnen in de tram aan dames afstaan. Maar als ik in ons wetboek de getrouwde vrouw telkens gelijk zie genoemd met misdadigers, krankzinnigen en kleine kinderen, als ik overal reine, onwetende meisjes zie uithuwelijken aan mannen, van wier verleden zij zouden gruwen wanneer zij het kenden, als ik het hoogst natuurlijk hoor noemen in de wereld, noodzakelijk zelfs, dat er dagelijks duizende meisjes uit het volk worden geofferd aan de genotzucht van den man, als ik het meisje voor éen enkele zondestap zie uitwerpen, en de man na jarenlange débauche overal zie ontvangen, als ik de echtgenoote en moeder voor de wet in alle opzichten in de macht van den man, ook den dronkaard zie gesteld, als ik de vrouw overal voor gelijk werk minder loon zie ontvangen, dan vraag ik u toch, waar is nu die hoog geroemde eerbied? Waarlijk ik geloof dat als de vrouw wat meer deel kon nemen aan mannenwerk en mannenrechten het er beter uit zou zien in het wetboek en de maatschappij met vrouweneerbiediging en vrouwenbescherming! Trouwens in Amerika is het al bewezen: geen land waar de vrouw meer rechten en vrijheid heeft, en geen waar zij hooger geëerd wordt!”

„Misschien wel,” zeide juffrouw Wendelings weifelend, „maar dominee Moisette zegt ook nog, en dat zult u toch niet ontkennen dat de vrouw voor ’t meeste mannenwerk ongeschikt is. Haar hersenen zijn zooveel lichter en kleiner ....”

„O! dat eeuwige hersenargument!” Hilda glimlachte. „Zoudt u het logisch vinden als men zei dat de olifant beter denken kon dan de mensch omdat hij grooter hersenvolume heeft? Is de bij niet veel intelligenter dan het schaap? Trouwens bij de mannen onderling verschilt het hersengewicht immers nog veel meer dan gemiddeld tusschen mannen en vrouwen. De hersenen van Byron wogen 1.807 gr. die van Dante 1.320 en niemand zal toch wel durven beweren dat Byron superieur aan Dante is geweest of dat Gambetta een onnoozele was, omdat zijn hersenen maar 1.241 gr. wogen, dus minder dan 1.250 gr., het gemiddelde cijfer van hersengewicht bij de vrouw. [4] Daarbij is het gebleken dat in verhouding tot haar lichaamsgrootte en zwaarte het hersenvolume der vrouw gemiddeld grooter is dan dat van den man in verhouding tot zijn veel zwaarderen bouw. Men zou hier dus uit kunnen besluiten dat de vrouw per slot van rekening nog de superieure is, maar dat geloof ik niet. Het zal bij de hersenen wel hetzelfde zijn als bij de meeste dingen, dat het meer op de qualiteit aankomt, dan op de quantiteit, en ’t lijkt me ook ’n beetje erg kruideniersachtig om de menschelijke denkkracht naar ’t gewicht te willen berekenen!”

Vroeger in haar rustige jeugd, onder de wijze leiding van een vader, dien zij voor den knapsten en edelsten van alle stervelingen hield, was het nooit in Hilda opgekomen om zich af te vragen of de vrouw ook superieur of inferieur aan den man kon zijn. Waar man en vrouw te zamen in volle vrijheid naar hun beste krachten arbeiden aan hetgeen hen interesseert, is de vraag wie van beiden wel het uitnemendste is, zoo hoogst onbelangrijk. In de toekomst, waarvan wij nu de overgangstijden beleven, zal zij vergeten zijn. Wie zou er nu in ernst willen twisten over wat mooier is, de vrouwen- of de mannenstem? De sopraan stijgt hooger dan de tenor, de bas vindt dieper toonen dan de alt, een vrouwen-koor klinkt als gewiek van witte duiven, zilverblank in de lucht, een mannenkoor als ’t vallen van een diepen bergstroom; als zij beiden hetzelfde lied zingen klinkt het volkomen anders, maar wie kan beslissen wat het mooiste is? een knap componist smelt ze samen tot een groot geheel. Samen met haar vader had Hilda de hoofdfiguren van alle eeuwen en volken bestudeerd en bij beide geslachten hadden zij hoogedele verschijningen gevonden en ook afzichtelijk lage en wijze en dwaze. Alles wat haar vader goed vond dat zij leerde, had ze geleerd met het grootste gemak, en zonder zelfs te vermoeden dat er veel geschreven en gesproken is over vrouwelijke inferioriteit, had Hilda onbewust een ontwikkeling gekregen ver boven die der meeste jongelieden van beiderlei geslacht.