Het paard

Part 9

Chapter 93,587 wordsPublic domain

In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten zeer voldoende bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam. Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond. Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte, evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk ook uit zulke strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen menschenoog die ooit heeft gezien.

In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende modellen had gehad.

Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan, en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef. Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig, nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond, langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.

Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft, zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.

Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of „oude dieren” heeft genoemd.

Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam. Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir. Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd. Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt vospaard was.

Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen. Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den hoofdstam.

De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland, Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig door die Palaeotheriën verworven.

Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard” onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de oude, eocene periode uit.

Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak, ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.

Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen, evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.

Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners „dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi. Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee met elkander verbindt en wat ze scheidt.

Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone, Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd. Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier, dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.

Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd, natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst in hem moet uitgraven.

Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.

En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval. Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den bovensten trap volkomen vervuld is.

Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.

Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één, gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog. Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken, zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen. Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen, takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels te breken.

In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt. Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten, schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd. Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop, bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een andere eigenschap geeft te denken.