Het paard

Part 10

Chapter 103,688 wordsPublic domain

Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook (hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen, die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren” aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.

Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste aanvallers, die er in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is) terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven. Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, de paarden, kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent, in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van dat dier, dat eertijds in kudden leefde.

Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch. Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond. Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard was in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen, zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip. Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast.

Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft gehandhaafd.

De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna blijkbaar eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven.

Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets geworden.

Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het duidelijkst, wat wij nog wankelend en als het ware heen en weer schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen, ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje.

Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd.

Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld, maar dat ook deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is, is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende.

In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel, zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak, dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat is dan het beginsel en tevens de uiterste consequentie geworden bij een in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons „Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten. Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte neushoorns van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd. Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen, zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog eens aanwijzingen zullen vinden.

Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. Op het hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen. Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op verschillende wijzen heeft ontwikkeld.

De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen, zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog den echten stand heeft van den eenhoorn.

Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote knobbels, en het geheele dier herinnert bijna aan een grooten, zeer haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den „Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden. Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn” zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den Afrikaanschen neushoorn.

De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn levert de sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn.

De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen, stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken.