Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
Part 29
Het witachtige vleesch van dezen Visch is veel minder smakelijk dan dat van den Zalm en wordt lager geschat dan dat van de Zalmforel. Men vangt den Donauzalm in groote netten of met den hengel; soms kan men hem, terwijl hij rustig in een diepe waterlaag staat, met een harpoen of met een kogel dooden. Indien hij niet zoo vraatzuchtig was en niet zoo dikwijls te lijden had van een bij de Visschen veel voorkomende huidziekte, zou het zeer wel mogelijk zijn hem te kweeken in vijvers, die een aanhoudenden toevoer van zacht water ontvangen, daar hij hierin goed gedijt.
De Spieringzalmen (Osmerus) hebben kleine of middelmatig groote, glanslooze, spoedig losgerakende schubben op hun doorschijnend lichaam; de lange bovenkaaksbeenderen reiken tot onder den achterrand van het oog; de mondspleet is dus zeer wijd; alle beenderen van den bek, ook de vleugelbeenderen en de tong, dragen tanden; deze zijn het grootst op het voorste uiteinde van het zeer korte ploegschaarbeen en van het tongbeen, zeer fijn aan den rand van tusschen- en bovenkaak, waar zij op een enkele rij staan; de ver vooruitstekende onderkaak heeft, behalve een buitenste rij zeer fijne, een binnenste rij van grootere tanden. De valsche kieuwen zijn aanwezig, maar rudimentair.
Bij de belangrijkste soort van dit geslacht, die de Spiering of Spierling, in Friesland Spjirring wordt genoemd (Osmerus eperlanus), zijn de omtrek van romp en kop, de grootte en de kleur zeer verschillend. De bovendeelen zijn gewoonlijk grijs, de zijden zilverkleurig met blauwachtigen of groenachtigen weerschijn, de onderdeelen roodachtig. De lengte bedraagt meestal 13 tot 20 cM., bij uitzondering 25 à 30 cM.
Vele kuststreken van Noord-Europa en de oostkust van Noord-Amerika zijn zeer rijk aan Spieringen. In Europa schijnen zij zich voornamelijk op te houden in de Noordzee en de Oostzee; men vindt hen echter ook in het Kanaal niet zelden; ook bewonen zij de haffen en groote zoetwatermeren langs de Oostzeekust in meer of minder grooten getale. Sommige dierkundigen onderscheiden een Zee- en een Zoetwater-spiering. Gene zwemt om kuit te schieten de rivieren op, waar zijne jongen geruimen tijd blijven. Volgens Van den Ende zwemmen de Spieringen van de Zuiderzee den IJsel op in Februari en Maart; in de lente en den zomer worden zij op deze rivier tot voorbij Zutfen, doch nooit hooger dan Doesburg gevangen; na een zeer langdurigen winter treft men niet voor April te Zutfen Spiering aan. Dat er het geheele jaar door op het Hollandsch Diep Spiering wordt gevischt, schijnt te pleiten voor de opvatting, dat men hier met een in zoetwater blijvenden vorm te doen heeft; het is althans nooit gebleken, dat hij een uit zee binnenvallende trekvisch zou zijn. Bijzonder overvloedig verschijnt de zoogenaamde Zeespiering in de monden van de Elbe en den Wezer, zelden op de kusten van Holstein, Mecklenburg en Pommeren, in buitengewoon groot aantal daarentegen in het Kurische Haf. Dit haf wordt ook bewoond door de Zoetwaterspiering, die nergens anders de zee bezoekt en vooral in de zoetwatermeren van Oost-Pruisen, Pommeren, Brandenburg, Mecklenburg en Holstein voorkomt. Beide vormen zijn steeds tot talrijke gezelschappen vereenigd, die zich gedurende den winter in de diepte verborgen houden en zich eerst in Maart en April in de bovenste waterlagen vertoonen, om met het oog op de voortplanting stroomopwaarts te reizen. De Spieringscholen trekken nooit zoover als de overige Zalmvisschen, hoewel zij zich tot diep in het binnenland begeven, in de Elbe tot Anhalt en Saksen, in den Wezer tot Minden, in de Seine tot Parijs den stroom opzwemmen. Nadat zij in het begin van April hunne kleine, gele eieren op zandige plaatsen hebben gelegd, keeren zij naar de zee of de meren terug.
"Gedurende vele maanden van het jaar," schrijft Dr. Hoek, "is op het Hollandsch Diep en Haringvliet voor den ankerkuil en de staalboomen de vangst van Spiering hoofdzaak: met name is dit het geval in den winter en voorjaarsmaanden, terwijl gedurende de zomermaanden, althans voor de "eigen" schokkers, de aasvisscherij de spieringvangst geheel verdringt. De kantoren blijven echter het geheele jaar door--de maanden van den gesloten tijd (1 April tot 15 Juni) natuurlijk uitgezonderd--Spiering vangen en ten verkoop opzenden. Hoewel van Mei tot Juli of Augustus het aantal Spieringen niet groot is, ontbreken zij echter ook in dezen tijd niet. De grootste op het Hollandsch Diep gevangen Spieringen, die wij zagen, waren 25 à 26 cM. lang. De waarde van de Spiering is aan zeer groote schommelingen onderhevig. Bij zeer hooge markt, zoowel te Parijs als te Londen, maakten de kantoren voor één grooten Spiering 6 à 8, soms zelfs 10 à 12 cents. Als de hoeveelheid Spiering niet aanzienlijk genoeg is om ze te verzenden, wordt zij in de plaatsen, waar de visschers thuis behooren, verkocht. Ook dan wisselt de prijs zeer sterk af. Als de prijs laag is, brengt de groote Spiering 60 à 75 cents de honderd op, terwijl voor een mandje van ongeveer 100 stuks kleine Spiering (10 à 12 cM. lang) 10 à 15 cents wordt betaald." Van Juni tot Februari is de Spiering zeer menigvuldig in de Zuiderzee, waar in sommige jaren meer dan 1 millioen KG. van dezen Visch gevangen wordt, o.a. in 1895 toen de opbrengst van de Zuiderzee-spieringvisscherij ruim f55000 bedroeg.
Den naam Osmerus en ook den Duitschen naam "Stint" dankt de Spiering aan zijn eigenaardige lucht, welke met die van bedorven augurken vergeleken wordt. Toch wordt dit vischje als zeer smakelijk geroemd en is op vele plaatsen zeer gezocht. Soms vangt men de Spieringen in zulk een ontzaglijke hoeveelheid te gelijk, dat men ze voor een groot deel als mestspecie moet gebruiken. Men geeft ze ook wel aan kostbare, in vijvers gekweekte Visschen als voedsel.
Een van de kleinste Zalmvisschen, de Kapelaan (Mallotus villosus), bewoont in ontzaglijke hoeveelheid de IJszee en is van zeer groot belang voor de visscherij aldaar. Het geslacht der Lodden, waarvan hij de eenige vertegenwoordiger is, kenmerkt zich door een slanke gestalte, kleine schubben, zeer groote, ronde borstvinnen, ver naar achteren verschoven rugvinnen en zwakke, borstelvormige tanden op de kaken, het gehemelte en de tong. De kleur van den rug is donkergroen met bruinachtigen weerschijn, die van de zijden en van den buik zilverwit met vele zwarte stippels; de vinnen zijn grijs en hebben een zwarten rand. De mannetjes en wijfjes vertoonen een vrij aanzienlijk verschil. De lengte wisselt af van 14 tot 18 cM.
Het verbreidingsgebied van den Kapelaan ligt tusschen 64 en 75° N.B. Men vindt hem bij de kust van Finmarken, IJsland en Groenland; in wonderbaarlijke menigte verschijnt hij echter gedurende den paaitijd op de Bank van Newfoundland. Evenals hunne verwanten houden deze Visschen zich gedurende den winter in de diepten der zee op en beginnen eerst in Maart op te stijgen naar de ondiepere paaiplaatsen. Zij vereenigen zich daarbij tot scholen, die 50 zeemijlen lang en breed zijn. Deze dringen met gesloten gelederen in alle bochten en riviermonden door, zoodat de bovenste waterlagen geel gekleurd worden door hunne eieren, die dikwijls bij hoopen op het strand worden geworpen; met korte netten kan men ze letterlijk bij millioenen uit de zee scheppen; voor de arme bewoners van Groenland zijn zij nagenoeg even belangrijk, als voor ons het brood is. In Noorwegen wordt de Kapelaan in 't geheel niet gebruikt wegens zijn geringe grootte en zijn onaangename lucht; op IJsland eet men hem in verschen toestand, wanneer er geen andere Visschen zijn: in Groenland echter vormen deze Visschen, na in de lucht gedroogd te zijn, een belangrijk deel van den leeftocht voor den winter. Nog belangrijker is de Kapelaan als aas voor de vangst van Kabeljauwen. Behalve door Meeuwen, Zeezwaluwen en Zeehonden worden zijne scholen gevolgd door allerlei roofvisschen, die zich met dezen buit voeden en zoolang de paaitijd van de Lodden duurt, niets anders eten. Voor de helft van de Kabeljauw, die men op de Bank van Newfoundland vangt, dient de Kapelaan als lokaas; millioenen Visschen zijn hiervoor noodig; bovendien worden er millioenen gezouten, in de zon gedroogd, in tonnen gepakt en later voor 't zelfde doel gebruikt.
De middelmatig groote en kleine Zalmvisschen, die men in het geslacht van de Houtingen (Coregonus) samenvat, hebben een zijdelings eenigermate samengedrukten romp, een kleinen, nauwen mond, die tandeloos is of met zeer fijne, licht uitvallende tanden gewapend, middelmatig groote, spoedig uitvallende schubben, een kleine vetvin en een hooge rugvin, waarvan de aanhechtingsplaats een weinig vóór die van de buikvinnen gelegen is. De 40 soorten van dit geslacht bewonen de zee langs de kust en het zoetwater van het noordelijk halfrond en komen in gestalte en levenswijze zoozeer overeen, dat het in vele gevallen zeer moeielijk is voor deze vormen en hunne verscheidenheden kenmerken op te geven, waardoor men ze met zekerheid kan onderscheiden. In Nederland vindt men twee, in Duitschland minstens 6 soorten van dit geslacht; de Houtingen, die de meren van Groot-Brittannië, Skandinavië en Rusland bewonen, worden meestal tot andere soorten gebracht.
De Blauwe Houting, het Blaufelchen (Coregonus Wartmanni), is slanker gebouwd dan al zijne Duitsche verwanten. De bovenloop en de rug vertoonen op lichtblauwen grond een zilveren weerschijn; de zijden van kop en romp zijn zilverwit; de zijdestreep is zwart gestippeld; de vinnen zijn geelachtig wit met breeden, zwarten zoom. Gemiddeld, wordt hij 30 à 50 cM. lang en 2 à 3 KG. zwaar; hij kan echter een lengte van 60 cM. bereiken. Zoowel de vorm als de kleur varieeren zeer sterk.
De Blauwe Houting bewoont de meeste groote Zwitsersche, Beiersche en Oostenrijksche meren, die aan de noordzijde van de Alpen gelegen zijn. In den regel houden deze Visschen zich, evenals de meeste van hunne verwanten, in de diepste plaatsen der meren op, niet zelden op een diepte van 200 M. onder den waterspiegel, slechts bij uitzondering in waterlagen van 40 à 100 M. diepte. Bij onweders en warme regenbuien naderen zij, naar men zegt, de oppervlakte tot op een afstand van 20 of nog minder M., om zich, zoodra het koeler wordt, weer naar de diepte te begeven. In de rivieren gaan zij nimmer over en trekken dus ook niet van het eene meer naar het andere. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zeer kleine waterdieren, die op groote diepte leven en die de natuuronderzoekers voor een deel eerst door het onderzoek van den inhoud der maag dezer Visschen hebben leeren kennen. Bovendien eten de Blauwe Houtingen de slijmerige stof, die den bodem van het meer bedekt en uit allerlei lagere dieren en planten in hunne eerste ontwikkelingstoestanden bestaat. Tot hun buit behooren ook vele kleine Schaaldieren, Waterslakken, Wormen en larven van Insecten.
Gedurende den paartijd gedragen de Blauwe Houtingen zich op soortgelijke wijze als de Haringen. Van het midden van November (iets vroeger of iets later, al naar de weersgesteldheid) tot in December, dus gedurende een tijdperk van 3 weken, verschijnen zij in tallooze scholen aan de oppervlakte der meren; soms begeven zij zich zoo ver naar boven, dat hunne rugvinnen zichtbaar zijn; soms blijven zij, afgeschrikt door de lage temperatuur der bovenste waterlagen, door sneeuwvlagen, ijsschotsen, enz., verscheidene meters onder den waterspiegel. Zij dringen er zoo dicht opeen, dat hun huid door het tegen elkander schuren beschadigd wordt, een deel van haar buitenste laag en zelfs een aantal schubben verliest, welke huidwoekeringen het water over een aanmerkelijke uitgestrektheid bedekken en troebel maken. Zelfs loopt het leven dezer dieren gevaar door de drukking, die zij van elkander ondervinden.
De Blauwe Houting is voor het Bodenmeer, wat de Haring is voor de Noordzee. Beider vangst brengt een groote bedrijvigheid teweeg. Gedurende den zomer varen dagelijks een groot aantal uitsluitend voor de vangst van dezen Visch bestemde booten het meer op; waarschijnlijk maakt iedere boot gemiddeld wel 100 Houtingen buit. Bij koud weder is trouwens de opbrengst aanmerkelijk minder; zeer slecht weder maakt deze visscherij geheel onmogelijk, omdat de Blauwe Houtingen zich dan begeven naar diepten, waarvoor men nog geen geschikte netten heeft vervaardigd. In den paaitijd maakt men gebruik van groote diepgaande netten, waarmede deze Visschen bij honderden in één trek worden opgehaald. De prijs van deze vischsoort mag in verhouding tot haar kwaliteit gering heeten.
De Witte Houting of Bodenrenke (Coregonus fera) bewoont dezelfde meren als de vorige soort; zij onderscheidt zich van deze door een stomperen, korteren snuit en een korteren, meer gedrongen staart; de kleur stemt over 't geheel genomen met die van de Blauwe Houting overeen, met dit verschil, dat de donkere kleur van den rug niet zoo levendig is en minder ver op de zijden afdaalt. Deze soort kan een lengte van minstens 60 cM. en een gewicht van meer dan 3 KG. bereiken en wordt dus aanmerkelijk grooter dan de vorige.
De Witte Houting is een van de beste Visschen, die in de Zwitsersche meren leven; van groot belang is hij ook door zijn veelvuldigheid; men kan hem het geheele jaar door vangen, ook in den winter, als er geen Blauwe Houtingen gevischt worden. In den winter maakt men voor dit doel gebruik van netten; in den zomer, vooral in Mei en Juni, van den hengel. De gevangen exemplaren sterven bijna oogenblikkelijk, zelfs wanneer men ze zorgvuldig uit het water schept.
Over de kwaliteit van dezen Visch zijn de meeningen verdeeld. Eenigen geven aan den Witten Houting de voorkeur boven den Blauwen; anderen oordeelen juist andersom.
Nog heeft men niet met zekerheid kunnen uitmaken of de Marene (Caregonus maraena), die het Madu-meer tusschen Stettin en Stargard en het Schaalmeer in Lauenburg bewoont en die uit het eerstgenoemde water in verscheidene meren van Brandenburg en Pommeren is overgeplant, als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd of slechts een verscheidenheid van den Witten Houting is. De overeenkomst in vorm en levenswijze schijnt voor de laatstgenoemde meening te pleiten; het verschil tusschen deze beide verwante Visschen is gering en bepaalt zich hoofdzakelijk tot den vorm van den snuit. Beide hebben nagenoeg dezelfde kleur: de rug is blauwachtig, de buik zilverwit, de zijdestreep met witte stippels geteekend. De lengte bedraagt 60 of meer cM., het gewicht 7 à 8 KG.
Evenals de Witte Houting leeft de Marene steeds op zeer aanzienlijke diepten, die zij eerst in 't midden van November, haar paartijd, verlaat; ook zij kiest voor 't kuitschieten betrekkelijk ondiepe plaatsen op geringen afstand van den oever. Haar voedsel bestaat uit soortgelijke dieren als door de andere Houtingen gegeten worden.
Het meest vangt men dezen Visch des winters onder het ijs in zeer groote netten; in sommige jaren is deze visscherij ook in de lente, in andere in den herfst van beteekenis. Hoewel de Marenen sterven, zoodra zij uit het water gehaald zijn, kan men ze in sneeuw en ijs gepakt tamelijk ver verzenden; ook worden zij wel, evenals de Witte Houting, gezouten en gerookt. In de lente wordt deze Visch als bijzonder lekker geprezen.
In de Zuid-Duitsche meren leeft ook de Winterhouting of Kilch (Caregonus hiemalis), zoo geheeten, omdat hij in den winter kuitschiet. Zijn lengte bedraagt hoogstens 40 cM., meestal minder, en is dus aanmerkelijk geringer dan die van zijne reeds genoemde verwanten, van welke hij zich bovendien onderscheidt door de kortheid van den romp en de sterkere kromming van den rug. De kleur van den bovenkop is geelachtig wit, die van de zijden en van de kieuwdeksels zilverwit; de overige deelen van den romp zijn licht bruinachtig grijs, de vinnen kleurloos, maar, met uitzondering van de borstvinnen, zwartachtig gezoomd.
Vóór de onderzoekingen van Von Siebold kende men den Winterhouting alleen als bewoner van de Bodensee; de genoemde onderzoeker vond hem ook in de Ammersee en is van oordeel, dat men hem ook in andere Alpenmeren zal aantreffen. Verklaarbaar wordt onze onbekendheid met dezen Visch, als men bedenkt, dat hij zich steeds op een diepte van 70 à 90 M. ophoudt en slechts tegen het einde van September in hoogere lagen komt om kuit te schieten. Zijn voedsel stemt, naar uit het onderzoek van den inhoud van maag en darm gebleken is, volkomen overeen met deze levenswijze. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit Slakjes, Mossels en slijmerige stoffen, die hij van den bodem van het meer opneemt.
"Daar de Winter-houting," zegt Von Siebold, "naar het schijnt, diepere gedeelten van de meren bewoont dan onze Houtingen, zal hij eerder dan deze in opgeblazen toestand verkeeren, wanneer men hem met een net uit zijne diepe verblijfplaatsen ophaalt. Wegens deze eigenschap is hij in de omstreken van de Bodensee bekend onder den naam van Krophouting (Kropffelchen). Op een diepte van 80 M. is de Winterhouting en zijn met lucht gevulde zwemblaas aan een waterdrukking van ongeveer 7 1/2 atmospheren blootgesteld. Gedurende het ophalen van den Visch neemt deze drukking zeer schielijk af om geheel op te houden, zoodra hij aan den waterspiegel is gekomen, waar alleen de dampkringsdrukking op hem werkt. In dezelfde reden als de spanning van de lucht in de zwemblaas vermindert, zal haar volume toenemen, daar de zwemblaas en de voor een deel zeer dunne wanden van de buikholte geen weerstand kunnen bieden aan de uitzetting. Hierdoor zal de buik van den Visch een wanstaltige vervorming ondergaan; het rekken en verschuiven van de buikingewanden en de vermeerderde drukking op de bloedvaten veroorzaken den schielijken dood van den trommelzuchtig geworden Visch."
Aan het vooruitsteken van de onderkaak, waardoor de kin de spits van den snuit vormt, onderscheidt men de Kleine Marene (Coregonus albula) van al hare Middel-Europeesche verwanten. In kleur stemt zij er mede overeen: de bovendeelen zijn blauwachtig grijs, de zijden en de buik glanzig zilverwit, de rugvin en de staartvin grijs, de overige vinnen witachtig. Haar lengte bedraagt gewoonlijk slechts 15 à 20, maar kan bij uitzondering stijgen tot 25 cM. en nog iets hooger.
In Duitschland wordt de Kleine Marene vooral in de meren van Posen, Oost- en West-Pruisen, Silezië, Brandenburg, Mecklenburg en Holstein gevonden; hoogst waarschijnlijk behoort echter de Houting, die op het Skandinavische schiereiland en in Noord-Rusland aangetroffen wordt, ook tot deze soort. In enkele meren van Schotland, die zij eveneens bewoont, werd zij, volgens de overlevering, door Maria Stuart ingevoerd. In de Oostzee vindt men haar, volgens Möbius en Heincke, niet zelden in de Stockholmer Scheren en in de Botnische Golf. In de Finsche Golf komt zij weinig voor. Een exemplaar werd in de haven van Kiel gevangen. Door Dr. Hoek werd er in 't laatst van Nov. 1886 één aangetroffen in den ankerkuil van een schokker, die in de Nieuwe Merwede vischte.
Door levenswijze en gewoonten gelijkt de Kleine Marene op de Houtingen, die, evenals zij, de meren bewonen. Buiten den paaitijd houdt zij zich steeds in diepe waterlagen van de meren op; in de maanden November en December verschijnen deze Visschen in dicht opeengedrongen scholen aan de oppervlakte, bewegen zich met ver hoorbaar gedruisch; ook trekken zij wel, door de grootere watervlakte aangetrokken, van het eene meer naar het andere. Hunne eieren laten zij in het open water vallen.
Te recht wordt de kleine Marene als een buitengewoon smakelijke Visch beschouwd, welks vangst wel eenige moeite waard is. In Pommeren en Mecklenburg wordt zij gewoonlijk 's winters van onder het ijs opgehaald, in Masuren meestal bij 't trekken van het eene meer naar het andere opgevischt.
De Houting, die bij verscheidene Nederlandsche schrijvers den naam Adelvisch draagt (Coregonus oxyrhynchus), leeft in de zee en begeeft zich van hier gedurende den paaitijd geregeld naar de rivieren. Hij is gemakkelijk te herkennen aan de ver vóór de onderkaak uitstekende, van voren in een weeken, kegelvormig verlengden snuit overgaande bovenkaak. Hij is 40 à 50, hoogstens 60 cM. lang en O.7 à 1 KG. zwaar. Zijn kleur is blauwachtig, gedurende den paaitijd blauwachtig zwart.
De Noordzee en de Oostzee moeten als het woongebied van den Houting beschouwd worden. Van hier begeeft hij zich in Mei, dus reeds lang voor het begin van den paaitijd, die, naar gezegd wordt, in de maanden September tot December valt, in meer of minder grooten getale in de haffen, stroomen en rivieren, die met de zee in gemeenschap staan, en zwemt stroomopwaarts. Naar het schijnt, geschiedt dit trekken met een zekere regelmatigheid en plaatsen de reizigers zich als Kraanvogels in den vorm van een driehoek, komen zeer langzaam vooruit, zoodat de weg, die door een school wordt afgelegd, in 24 uur weinig meer dan 4 KM. bedraagt. Bij ongunstige weersgesteldheid zoeken de Houtingen de diepte op om uit te rusten en vereenigen zich later weer om de reis voort te zetten. Deze strekt zich veel minder ver uit dan die der Zalmen; in de Elbe komen de Houtingen hoogstens tot in de buurt van Maagdenburg en Torgau, in den Wezer tot aan het vereenigingspunt van Werra en Fulda, in den Rijn tot op de hoogte van Spiers. Na het kuitschieten keeren zij vroeger of later naar de zee terug; als de jongen een lengte van 8 cM. bereikt hebben, volgen zij hunne ouders en verschijnen eerst in geslachtsrijpen toestand weer in de rivier. Bij ons is de Houting menigvuldig in de Zeeuwsche stroomen en in de Beneden-Maas; hij gaat de Merwede, den Rijn en de Waal op, komt ook in den Dollard, de Zuiderzee en den IJsel voor en verdwaalt soms in geringen getale door de sluizen tot in den Rijn bij Leiden.
Het witte, malsche en smakelijke vleesch van den Houting wordt zeer geschat en versch zoowel als gezouten en gerookt gegeten. Voor de visscherij met de handzegen is deze soort niet onbelangrijk; zij begint op onze rivieren, zoodra de elftvisscherij heeft opgehouden; ook in Noord-Duitschland houdt men zich overal ijverig met deze vangst bezig.
De zeer groote, ver vóór de buikvinnen beginnende, opmerkelijk hooge en lange rugvin, de middelmatig groote, stijve, vastzittende schubben, de kleine mondspleet en de fijne tandjes op de kaakranden en op de ploegschaar- en gehemeltebeenderen worden beschouwd als de kenteekenen van de Vlagzalmen (Thymallus). De vijf soorten van dit geslacht bewonen de rivieren van de noordelijke koude en gematigde aardgordels. In onze wateren wordt het vertegenwoordigd door den ver verbreiden Vlagzalm of Esch (Thymallus vulgaris). Zijn kop is klein, de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak uit; de rugvin is tweemaal zoo lang als de aarsvin. De kleur wisselt in verband met verblijfplaats, jaargetijde en leeftijd aanmerkelijk af. Het groenachtig bruin, dat op de bovenzijde gewoonlijk de overhand heeft, gaat op de zijden in grijs, op den buik in glinsterend zilverwit over; de kop is van boven bruinachtig, aan de zijden op geelachtigen grond zwart gevlekt; deze teekening breidt zich van voren ook over een deel van den romp uit of vormt met de reeksen van schubben bruinachtig grijze, overlangsche strepen. De rugvin prijkt met prachtige kleuren en draagt aanmerkelijk bij tot verfraaiing van dezen Visch; haar grondkleur is schitterend purperrood; dit vormt als 't ware een spiegel, die door 3 of 4 reeksen van zwarte vlekken nog duidelijker uitkomt; de parige vinnen hebben een vuil geelroode, de aarsvin en de staartvin een paarse kleur. Meestal bedraagt de lengte weinig meer dan 30 cM.; zij kan echter tot 60 cM. toenemen. Het gewicht wisselt af van 0.7 tot 1.5 KG.