Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
Part 14
Het merkwaardigste deel van de levensgeschiedenis der Stekelbaarzen is ongetwijfeld de wijze, waarop zij hunne eieren verzorgen. Als de tijd van kuitschieten nadert, kiest ieder mannetje een bepaalde standplaats uit en verdedigt deze met zijn gewone hardnekkigheid en strijdlust tegen iederen soortgenoot van zijn sekse, die het wagen durft hem te verdringen. De uitverkoren plaats kan zeer verschillend zijn. De Stekelbaarzen, die in zoetwater kuitschieten, zoeken gewoonlijk een met grind of zand bedekte ondiepte op, waarboven het water tamelijk snel vloeit of althans dikwijls bewogen wordt; zij bouwen op den grond een nest, dat half in het zand begraven is, of bevestigen het vrij-zwevende gebouw tusschen waterplanten. De Zeestekelbaarzen kiezen soortgelijke standplaatsen voor hun nest; zij hechten het meestal vast aan lange wieren in de nabijheid van het strand, waartusschen zij zich over 't algemeen gaarne ophouden: een uitgevezeld stuk touw, dat in het water hangt, kan hiervoor ook zeer goed dienen. Het mannetje, dat gedurende den voortplantingstijd met de prachtigste kleuren prijkt, toont ook op andere wijzen een vermeerderde levensenergie; om een nest op den bodem te bouwen moet hij in de eerste plaats eenige wortels en andere plantendeelen van dezen vorm, die niet zelden langer zijn dan hij zelf, aansleepen, soms van een tamelijk grooten afstand; dikwijls rukt hij stukken van levende planten los en onderzoekt hun gewicht door ze te laten vallen; die, welke snel op den bodem zinken, zijn voor bouwstoffen geschikt, de overige zijn te licht en worden weggeworpen. De kleine bouwmeester stapelt de steeds met zorg uitgekozen materialen laagsgewijs opeen en verandert hun rangschikking, totdat zij naar zijn genoegen is. Het vasthechten aan den grond geschiedt door bezwaring met zand of grind; om het nest van binnen af te ronden en tevens de noodige stevigheid te verschaffen, zwemt de Stekelbaars er langzaam doorheen, de reeds aan den bodem gehechte deelen intusschen aan elkander lijmend en verbindend. Het aanvoeren van de vereischte bouwstoffen duurt ongeveer 4 uren: na verloop van dezen tijd is tevens het nest, althans wat de grove omtrekken betreft, voltooid; voor het afwerken, voor het uitschiften van de te lichte bestanddeelen, het wijzigen van de schikking van sommige halmen, het samenvlechten van hunne uiteinden en het bezwaren met zand zijn echter verscheidene dagen noodig. Gedurende dezen arbeid denkt de Stekelbaars aan niets anders en tracht iedere stoornis te verhinderen. Terwijl hij vlijtig aan 't werk is, kijkt hij wantrouwig naar ieder wezen, dat zich in de nabijheid vertoont, zoowel naar een andere Stekelbaars als naar een Salamander, een Waterkever of een larve, hetzij deze dieren met booze of met onschuldige bedoelingen het nest naderen. Een Waterscorpioen werd door een nestbouwend mannetje meer dan dertigmaal gegrepen en in den bek naar den anderen kant van den waterbak vervoerd! De grootte van het nest is zeer verschillend en hangt zoowel van de standplaats als van de soort van bouwstoffen af; gemiddeld is het ongeveer zoo groot als een vuist. Gewoonlijk is het langwerpig rond en van boven volkomen gesloten, aan de zijden echter met een ingang en een uitgang voorzien. Aanvankelijk ziet men er slechts één opening aan, later hiertegenover ook de tweede. Zoodra n.l. een Stekelbaars zijn nest gereed heeft, tracht hij er een wijfje in te lokken. Dit legt hier eenige eieren, boort tegenover den ingang een gat in den wand en ontsnapt. Daar het nest van nu af twee openingen heeft, kan het water er door stroomen, hetgeen voor de ontwikkeling der kiemen noodig is. Het mannetje, dat den volgenden dag een tweede wijfje naar het nest leidt en hier goedschiks of kwaadschiks kuit laat schieten, gaat op deze wijze voort, totdat het noodige aantal eieren bijeen is. Om deze tegen elken aanval te vrijwaren en te verdedigen, moet het mannetje zijn ijver en waakzaamheid verdubbelen. Iedere andere Stekelbaars, die zich in de buurt van het nest vertoont, wordt vol woede besprongen en op de vlucht geslagen; deze voorzorgsmaatregel geldt zoowel de mannetjes als de wijfjes; deze zijn niet minder gevaarlijk dan gene, eer meer dan minder belust op de eieren of de pasgeboren jongen. Tot aan het tijdstip van hun geboorte draagt het mannetje ook nog op een andere wijze zorg voor het goed gedijen zijner nakomelingen. Met den snuit herstelt hij gebreken van het nest, hetzij deze bij toeval ontstaan of door een nieuwsgierige hand veroorzaakt zijn; bovendien begeeft hij zich dikwijls vóór of in de broedruimte en brengt door een trillende beweging van de borstvinnen een verversching van het water in het nest teweeg, alsof hij weet, dat aan de eieren versche zuurstof toegevoerd moet worden. Afgunstige mannetjes, die zich waarschijnlijk van het nest willen meester maken, en snoeplustige wijfjes storen telkens weer den trouwen wachter, die, zoolang zijn diensttijd duurt, bijna aanhoudend strijd moet voeren. Nieuwe zorgen wachten hem, wanneer eindelijk de eieren uitkomen. Hij moet, om de hulpbehoevende jongen te beschermen en te verdedigen, vreemde Stekelbaarzen verjagen. Voorloopig blijft hij met zijn kroost in de onmiddellijke nabijheid van het nest, hoewel hiervan niets anders overgebleven is dan eenige in den grond vastzittende halmen. Minder moeielijk wordt zijn taak allengs, naarmate de vischjes meer en meer bekwaam worden in 't zwemmen; hij bekommert zich niet meer om hen, zoodra zij eindelijk in staat zijn om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien.
In de vrije natuur is het nest gewoonlijk grootendeels in het slijk verborgen; waarschijnlijk is het vooral hieraan toe te schrijven, dat men eerst zoo laat begonnen is te letten op de zorgen, die de mannelijke Stekelbaars aan zijne jongen wijdt.
Hoewel de Stekelbaarzen niet meer dan ongeveer 60 à 80, dus betrekkelijk weinige eieren leggen en, ondanks hunne uitmuntende verweermiddelen, door sommige vijanden, vooral door bijzonder groote Lintwormen geplaagd en geteisterd worden, hoewel zij, naar men zegt, hoogstens drie jaar leven, vermenigvuldigen zij zich soms ongeloofelijk sterk, vooral in de zoogenaamde doode armen van een rivier, in plassen of meren met stilstaand water en in vestinggrachten. In dit geval kunnen zij voor den mensch lastig worden en hem bij sommige werkzaamheden hinderen; zelfs leveren zij middellijk wel eens gevaar op voor de gezondheid van de menschen in de door hen bewoonde streek, n.l. wanneer zij in grooten getale te gelijk om 't leven komen en hunne rottende overblijfselen de lucht verpesten. Ook in grootere plassen ziet men ze volstrekt niet gaarne, daar hun vraatzucht de vermeerdering van het aantal nuttige Visschen zeer in den weg staat; op plaatsen, waar zij zich eens genesteld hebben, kan men ze moeielijk uitroeien. De oorzaken van de groote talrijkheid dezer dieren, zijn min of meer dezelfde als voor de Muizen: het eene of andere troepje broedt ongestoord; de jongen worden schielijk geslachtsrijp, vermenigvuldigen zich eveneens en zoo kan het voorkomen, dat het na korten tijd van Stekelbaarzen wemelt op plaatsen, waar men ze vroeger niet opmerkte, totdat eindelijk een groote sterfte onder hen een opruiming houdt.
In Holstein en Sleeswijk, Zweden en Engeland worden de Stekelbaarzen in sommige jaren in grooten getale gevangen en als voedsel voor Zwijnen, Hoenderen en Eenden gebruikt, tot traan verkookt of als mestspecie op den akker gebracht. Hoewel men algemeen de Stekelbaarzen voor oneetbaar houdt, leveren zij, volgens sommigen, na behoorlijke toebereiding een smakelijke soep.
Bij de Fluitbekvisschen of Pijlvisschen (Fistulariidae) is het lichaam buitengewoon lang en vormen de voorste beenderen van den kop een lange buis, die aan haar voorste uiteinde de kleine mondopening heeft; de tusschenkaaks- en onderkaaksbeenderen dragen kleine tanden. De schubben zijn klein of ontbreken. Het stekelige deel van de rugvin bestaat uit zwakke, vrije stralen of ontbreekt geheel. De buikvinnen worden door geen andere dan zachte stralen gesteund en zijn borststandig of buikstandig, maar in 't laatstgenoemde geval gescheiden van de bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel verbonden blijven.
Bij het geslacht der Fluitbekken (Fistularia) komt slechts één enkele, korte, ver naar achteren geplaatste rugvin voor en heeft de in 2 lobben verdeelde staartvin een eigenaardig verlengstuk; de beide middelste stralen zijn n.l. vergroeid tot een borstelachtige draad, die bij sommige soorten het overige lichaam in lengte evenaart; de huid is wegens het ontbreken der schubben glad.
De meest bekende vertegenwoordiger van de familie en van het geslacht is de Tabakspijp (Fistularia tabaccaria), die meer dan 1 M. lang kan worden, waarvan trouwens de helft op de staartdraad komt. De bovenzijde is op bruinen grond met 3 reeksen van blauwe vlekken bezet; de onderzijde heeft een zilverwitte kleur.
De Fluitbekken zijn beperkt tot de zeeën tusschen de keerkringen, bewonen zoowel den Atlantischen als den Indischen Oceaan en komen ook in de Stille Zuidzee voor. De Tabakspijp wordt binnen de genoemde grenzen langs de oost- en westkust van Amerika aangetroffen. In haar maag vond Commerson kleine Visschen; volgens andere onderzoekers voedt zij zich ook met verschillende Schaaldieren.
De kleine onderorde der Schildbuiken (Gobiesociformes) omvat slechts één gelijknamige familie (Gobiesocidae) met een 20-tal soorten. Zij is kenbaar aan de afwezigheid van het stekelige deel van de rugvin, welker geleedstralig deel, evenals de aarsvin, geheel tot den staart beperkt blijft; de keelstandige buikvinnen omsluiten een in twee opeenvolgende stukken gesplitste hechtschijf van andere samenstelling dan die der Snottolven, daar zij niet door vervorming van de buikvinnen ontstaat, maar door een kraakbeenig uitgroeisel van het onderste been van den schoudergordel gesteund wordt.
De Slakdolf, Kringbuik of Zeeslakvisch [Lepadogaster (Liparis) barbatus] heeft een samengedrongen, langwerpig eivormig lichaam van ongeveer 15 cM. lengte. De borstvinnen strekken zich tot onder de keel uit en zijn hier tot een punt verlengd. De rugvin en de aarsvin zijn laag, lang en met de kleine afgeronde staartvin vereenigd; de rugvin begint boven de borstvinnen, de aarsvin is een derde korter. De kleur is lichtbruin, op de onderdeelen lichter, op de bovendeelen afgebroken door fijne, bruine, overlangsche strepen en op de vinnen door bruine, veelal op dwarsrijen geplaatste stippen.
Deze Visch bewoont de IJszee tot aan de kusten der Noord- en Oostzee. Hij wordt bij ons zoowel langs de kust als in de Zuiderzee en de Zeeuwsche stroomen aangetroffen, maar is er alles behalve gemeen. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en kleine vischjes. Naar men zegt, heeft het kuitschieten vroeg in het jaar plaats. (Schlegel.)
Van de Slangenkopvisschen (Ophiocephalidae), die een afzonderlijke onderorde (Channiformes) vertegenwoordigen, zijn een dertigtal soorten bekend; deze hebben een tamelijk langen, van achteren weinig samengedrukten, van voren bijna ronden romp, een breeden en platten, van boven met schilden bekleeden kop met ver naar voren gelegen oogen en een diep gespleten muil; de kaken en het gehemelte dragen borstelvormige tanden en eenige grootere grijptanden; de kieuwdeksels zijn geschubd, ongetand en ongedoornd. In geen der vinnen komen ongelede vinstralen voor. Hoewel zij (in tegenstelling met de leden der volgende onderorde) geen eigenlijken "doolhoftoestel" hebben ten behoeve van de ademhaling gedurende het verblijf op het land, staat hun kieuwholte met een voor 't zelfde doel dienende, bijkomende holte in gemeenschap. De rugvin strekt zich bijna over de geheele lengte van den romp uit; ook de aarsvin is zeer lang, de staartvin afgerond; de borst- en buikvinnen wijken niet van den gewonen vorm af. Een zwemblaas is aanwezig.
"De Slangenkopvisschen," zegt F. Day, "kunnen wegens de holten in hun kop op de wijze der Amphibiën ademen en langen tijd buiten het water verkeeren. Zij wagen zich tamelijk ver op het land, vooral wanneer dit eenigszins vochtig is, bewegen zich hier door de borstvinnen en den staart achtereenvolgens te verplaatsen en het lichaam slangsgewijs te krommen. Zij leven, naar het schijnt, steeds bij paren. Eenige soorten bewonen grasrijke moerassen of de met gras begroeide randen van de waterreservoirs, die voor de besproeiing der akkers dienen; andere houden zich op in bronnen en met water gevulde kuilen, ook wanneer deze met steenen wanden zijn voorzien, nog andere in gaten aan de oevers van rivieren. De soorten, die in moerassen of in de voor de irrigatie dienende watervergaarplaatsen leven, vestigen zich bij voorkeur op de ondiepe en met hooge grassen begroeide gedeelten dezer plassen. Onder de Visschen, die ik uit het slijk van uitgedroogde waterreservoirs heb zien uitgraven, bevonden zich eenige Slangenkoppen; de inboorlingen van Indië meenen, dat deze Visschen gedurende plasregens uit de lucht komen vallen.
"Het verbreidingsgebied van deze zoetwatervisschen omvat Beloetsjistan, Afghanistan, Britsch-Indië, Birma, Ceylon, China, Siam en de Maleische Eilanden; zij bewonen vijvers en rivieren in hooge en ver van de zee gelegen gewesten zoowel als wateren, die het verschijnsel van ebbe en vloed vertoonen. De Moerrels, zooals men ze in het noorden van Indië noemt, worden als voedsel gebruikt; de uit rivieren afkomstige smaken beter dan die, welke in langzaam stroomend of stilstaand water buitgemaakt zijn."
Tot het geslacht der Slangenkoppen (Ophiocephalus), op Java Ikan-gaboes genoemd, behooren eenige soorten, van welker levenswijze men iets weet.
De Slangenkop, de Waral der Indiërs (Ophiocephalus punctatus), die het vasteland van Indië en vooral ook Ceylon bewoont, bereikt een lengte van 30 à 40 cM.; van boven is hij groenachtig grijs, van onderen witachtig grijs; op den romp ziet men donkerder dwarsbanden scheef van boven en voren naar achteren en onderen loopen.
De Keitsjel, die door de Europeanen Grondvisch, door de inboorlingen van Boetan (het zuidwestelijkste deel van het Himalaja-gebied) Boratsjoeng wordt genoemd (Ophiocephalus striatus), heeft een nog uitgestrekter verbreiding dan de vorige soort, daar men hem in Bengalen, Pegoe, Koromandel, op Java en de Philippijnen, waarschijnlijk ook op Celebes (hier nog op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte der zee) aangetroffen heeft. Hij kan meer dan 1 M. lang worden. De bovendeelen zijn dof groenachtig grijs, de onderdeelen geelachtig wit; de teekening bestaat uit onafgebroken strepen, die zich over de vinnen als stippels en vlekken voortzetten.
Volgens de berichten der Boetaneezen vindt men dezen Visch niet in rivieren, maar op volkomen droge plaatsen te midden van met gras begroeide wildernissen, soms op een afstand van 2 of meer Engelsche mijlen van het water. Door in de hier voorkomende kuilen te graven, bereikt men de waterhoudende laag, waarin deze dieren, in den regel bij paren, zich bevinden. Als men den Boratsjoeng uit zijn schuilplaats haalt en op den grond werpt, beweegt hij zich met slangsgewijze kronkelingen merkwaardig snel. Campbell geeft een eenigszins andere voorstelling van de zaak. Volgens hem zijn de holen, die de Boratsjoeng bewoont, uitsluitend aan den oever van een langzaam vloeienden stroom of van een meer, en is hun ingang gewoonlijk verscheidene cM. onder den waterspiegel gelegen, zoodat de Visch onmiddellijk uit verblijf te water kan gaan. Deze holen worden door Landkrabben gegraven en door den Boratsjoeng in bezit genomen. Toch is het bericht der Boetaneezen, dat de Boratsjoeng ook ver van het water in holen voorkomt, verre van onwaarschijnlijk, daar men de Slangenkoppen meer dan eens op het droge heeft waargenomen, waar zij als Slangen van het eene water naar het andere kropen. Misschien hadden de droge plaatsen, waar de Boratsjoeng in Boetan gevangen wordt, gedurende den regentijd onder water gestaan, en bleef hem bij 't invallen van de droogte, niets anders over, dan in gaten van den grond, die vroeger met het water in gemeenschap stonden, betere tijden af te wachten. Hij is althans uitmuntend geschikt om geruimen tijd op het droge te leven.
Volgens Buchanan heeft deze Visch een buitengewoon taai leven; sommige exemplaren kruipen meer dan een half uur lang zonder ingewanden rond; hun vleesch is wit en gemakkelijk verteerbaar, hoewel niet zeer smakelijk. De meeste Europeanen op Java zijn afkeerig van deze slangachtige Visschen; door de Chineezen en inlanders worden zij met graagte gegeten.
Aristoteles spreekt van Visschen in de omstreken van Heraclea Pontica, die zich, als het water van de rivieren en meren verdampt, het vocht volgend, in den modder begraven, hier, terwijl de bovenste aardlaag verhardt, als 't ware in slapenden toestand verkeeren, maar zich bij aanraking krachtig bewegen. Diep in het slijk, aldus vult Theophrastus het bericht van zijn meester aan, laten deze Visschen hunne eieren achter, die zich ontwikkelen, zoodra de bodem weer met water bedekt is. Bovendien zeggen de genoemde uitmuntende schrijvers der oudheid, dat er in Indië Visschen leven, die soms de rivieren verlaten en als Vorschen over land naar een ander water trekken. Waarschijnlijk berusten deze volkomen juiste mededeelingen op persoonlijke ervaringen van Grieken, die aan den krijgstocht van Alexander den Grooten naar Indië deelnamen. Zij leiden tot het vermoeden, dat de bedoelde Visschen met eigenaardige, bij andere leden hunner klasse niet voorkomende ademhalingswerktuigen voorzien zijn. Longen hebben zij niet, maar wel organen, die een soortgelijken dienst kunnen vervullen. Visschen, die uit het water genomen worden, sterven, omdat hunne kieuwen verdrogen en voor de ademhaling ongeschikt worden, hetwelk een storing in den bloedsomloop veroorzaakt: zij stikken, evenals een hooger Gewerveld Dier, dat men den hals dichtbindt. Hoe grooter de kieuwspleet, hoe fijner de vertakking der kieuwen, des te spoediger volgt de dood. Sommige Visschen sterven bijna oogenblikkelijk nadat zij boven water gebracht zijn; anderen kunnen uren lang buiten water verkeeren: onze Karpers verdragen een mijlenverre verzending over land, wanneer zij in vochtige doeken ingepakt zijn. Dezelfde werking als de natte doeken heeft het door de bovenste keelbeenderen gevormde "doolhoftoestel", waaraan de Doolhofkieuwigen (Labyrinthibranchii) hun naam danken. Dit orgaan bestaat uit buitengewoon dunne, oorschelpvormige, concentrisch bijeengevoegde beenplaatjes, welker aantal mettertijd toeneemt. Zij begrenzen een zeer uitgebreid stelsel van fijne tusschenruimten, die bij het ademen met water gevuld worden en dit bij kleine hoeveelheden tegelijk aan de kieuwplaatjes afgeven, die hierdoor vochtig en voor het opnemen van zuurstof (ook uit de lucht) geschikt blijven. Met uitzondering van een enkele soort van kleine, op Borneo, Bankan en Billiton voorkomende zoetwatervisschen, die de familie van de Snoekkopvisschen (Luciocephalidae) vormen, worden alle Doolhofkieuwigen in de familie der Doolhofvisschen (Labyrinthici) vereenigd. Ook deze behooren in zoetwater thuis. Alle leden van deze familie bewonen de Oude Wereld; zij zijn het talrijkst gevonden in Oost-Indië (met de omliggende landen) en Zuid-Afrika.
De Klimbaarzen (Anabas) kenmerken zich door een langwerpig ronden, zijdelings zwak samengedrukten romp; het voordeksel is gaafrandig, het kieuwdeksel aan den rand getand; de rugvin en de aarsvin zijn lang, haar voorste gedeelte wordt gesteund door vele dikke, spitse stralen; de borst- en de buikvinnen en de staartvin zijn betrekkelijk kort.
De Indische Klimbaars, op Java Ikan-betokh genaamd, de Pannei-eri of Sennal der Tamils, de Kaweja der Singalezen, de Koi van andere Indiërs (Anabas scandens), bereikt soms een lengte van meer dan 20 cM.; hij is op den rug bruinachtig groen, op den buik geelachtig; de rugvin en de aarsvin zijn paars, de buikvinnen en de borstvinnen roodachtig; de staartvin heeft dezelfde kleur als de rug. Enkele exemplaren zijn met donkerder strepen en lichtere vlekken geteekend, andere vrij wel effenkleurig.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Indië, Birma, Ceylon, de Maleische eilanden en de Philippijnen. Haar woonplaats heeft zij in de stroomende en stilstaande wateren dezer landen; stroomafwaarts ontmoet men haar echter tot dicht bij den mond der rivier, waar bij vloed zeewater binnenstroomt; zij schuwt derhalve het brakke water niet.
Twee Arabische reizigers, die tegen het einde van de 19e eeuw Indië bezochten, hoorden hier spreken over een Visch, die, zijn element verlatend, zich over land naar de kokospalmen begeeft, deze beklimt, om palmwijn te drinken en vervolgens naar het water terugkeert. Een zendeling, die in de laatste helft van de vorige eeuw Indië doorreisde, nam verscheidene exemplaren van de bedoelde soort naar Europa mede en bevestigde het bericht, dat deze Visch met de als een zaag getande kieuwdeksels en scherpstekelige vinnen de langs den oever groeiende palmen beklimt, terwijl het regenwater bij hun stam neervloeit. Verscheidene uren kan hij op het droge leven en door vreemdsoortige krommingen van den romp vooruitkomen. Hij houdt zich gewoonlijk in modderpoelen op, wordt gevangen en als spijs gebruikt.
De reizigers en onderzoekers uit lateren tijd spreken volstrekt niet over een boomen-beklimmenden Pannei-eri; wel bevestigen zij het bericht, dat deze Visch nu en dan over land tochten onderneemt en zich gedurende het droge jaargetijde in het slijk der uitgedroogde wateren verbergt. Hierover heeft Tennent nauwkeurige mededeelingen gedaan, die op persoonlijke waarnemingen en op berichten van betrouwbare ooggetuigen berusten. Zoo schreef hem o.a. een zekere Morris, regeeringsbeambte te Trinkonomali op Ceylon: "Onlangs bezichtigde ik den rand van een grooten vijver, welks dam hersteld moest worden. Het water was nagenoeg geheel verdwenen; een kleine kolk was al, wat er van overbleef. Terwijl wij op een hooger gelegen plek stonden, om het voorbijtrekken van een onweer af te wachten, zagen wij aan den rand van den ondiepen kolk een Pelikaan, die druk aan 't eten was. Dit trok de aandacht van onze Indische begeleiders, die er op afgingen en "Visschen, Visschen!" riepen. Ter rechter plaats gekomen, zagen wij in de geulen, die de zooeven gevallen regen gevormd had, een menigte Visschen voortkrabbelen en door het gras naar boven kruipen. Hoewel het water nauwelijks toereikend was om hen te bedekken, kwamen zij snel vooruit. De lieden uit ons gevolg raapten er ongeveer 2 schepels van op, de meeste op een afstand van 30 M. van den vijver. Alle deden hun best om den dam op te klauteren, welks kruin zij waarschijnlijk bereikt zouden hebben om zich langs de andere helling naar een geschikte waterplas te begeven, indien de Pelikaan en later wij hen niet gestoord hadden. Het waren blijkbaar Visschen van dezelfde soort als die, welke wij in de uitgedroogde vijvers aantroffen."