Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels
Chapter 13
Wat men van de levenswijze van den Kiwi weet, geldt waarschijnlijk voor alle Snipstruisen. Zij zijn nachtvogels, die zich over dag in gaten van den grond, bij voorkeur onder de wortels van groote boomen in het woud, verborgen houden en niet anders dan 's nachts op voedsel uitgaan. Dit bestaat uit Insecten en hunne larven, Wormen en zaden van verschillende gewassen. Zij leven paarsgewijs en kunnen buitengewoon snel loopen en springen. Na den mensch zijn Honden en Katten hunne gevaarlijkste vijanden. De inboorlingen lokken hen (natuurlijk 's nachts) door het nabootsen van hun geschreeuw. De Vogels worden door het fakkellicht van de jagers zoo in de war gebracht, dat deze hen met de handen grijpen of met een stok doodslaan kunnen. Voor deze jacht worden ook wel Honden afgericht. Aan de vervolging, die hij te verduren had, is het toe te schrijven, dat de Kiwi in bewoonde streken sinds lang niet meer gevonden wordt.
Den Kiwi wordt de onbruikbaarheid van de vleugels tot op zekere hoogte vergoed door de snelheid zijner voeten. In het nachtelijk halfdonker beweegt hij zich voorzichtig en zoo stil als een loopende Rat, waaraan zijn verschijning dan eenigszins herinnert. Als hij staan blijft, trekt hij den hals in en schijnt dan geheel rond te zijn. Soms laat hij tot steun in deze houding de spits van den snavel op den grond rusten. Wanneer men hem over dag stoort, gaapt hij herhaaldelijk, spert althans op zeer vreemdsoortige wijze den snavel wijd open. Een uitdaging beantwoordt hij door een rechtstandige houding aan te nemen, den eenen voet tot aan de borst op te tillen en met dit wapen, zijn eenig, maar niet onbeduidend verdedigingsmiddel, even snel als behendig naar voren en naar achteren te slaan. Terwijl hij zijn voedsel zoekt, brengt hij aanhoudend een snuffelend gedruisch voort met de neusgaten, alsof hij speuren wil; het is echter niet uitgemaakt, of hij zich door het tastzintuig dan wel door het reukzintuig laat leiden; waarschijnlijk doen beide in dit geval dienst. Het is een zeer aardig schouwspel een Kiwi jacht te zien maken op de Wormen, die zijn voornaamste voedsel uitmaken. De Vogel beweegt zich hierbij zeer weinig, steekt echter zijn langen snavel telkens weer in den weeken grond, waarin deze meestal tot aan den wortel doordringt, en trekt hem daarna onmiddellijk terug, al of niet met een tusschen de spitsen van de snavelhelften vastgeklemden Worm; steeds geschiedt dit door een langzame beweging van den kop, zonder eenige medewerking van den romp. Nooit scheurt hij den gevangen Worm met een snellen ruk uit zijn schuilplaats naar boven; integendeel de meest mogelijke voorzichtigheid wordt in acht genomen om den buit ongeschonden te doen blijven. Als het lange dier eindelijk boven aarde gekomen is, brengt hij het door een plotselingen ruk in het keelgat en zwelgt het door. Af en toe eet hij ook verschillende Insecten en enkele bessen; bovendien slikt hij steentjes in.
Over de voortplanting van de Snipstruisen waren een tijdlang wonderbaarlijke berichten in omloop; door waarnemingen aan gevangen exemplaren is men echter achter de waarheid gekomen. Waarschijnlijk heeft Webster van het broeden de eerste duidelijke beschrijving gegeven. "Voor ongeveer 14 jaren," schrijft hij aan Layard, "vond een inboorling het ei van een Kiwi in een kleine holte onder de wortels van een kauripijnboom (Dammara australis); hij trok, na het ei, uit het diepste van het hol ook den ouden Vogel naar buiten. De Nieuw-Zeelander, die den Kiwi scheen te kennen, verzekerde, dat deze altijd slechts één ei legt en dat het nest altijd een door den Vogel zelf gegraven hol is, dat gewoonlijk in drogen grond onder een boomwortel gemaakt wordt. Het ei wordt, naar zijn zeggen, met bladen en mos bedekt; de broeiing van deze plantaardige stoffen zou de noodige hoeveelheid warmte leveren om het ei te doen uitkomen; dit deel van de ontwikkelingsgeschiedenis zou 6 weken duren. Als het jong het ei verlaten heeft, zou de moeder komen om het te helpen."
Gelukkig zijn wij in staat om deze mededeelingen tot op zekere hoogte te bevestigen, op grond van hetgeen men in den Londenschen dierentuin aan gevangen Snipstruisen waargenomen heeft. Sedert het jaar 1852 heeft men hier herhaaldelijk één of meer van deze zonderlinge Vogels verpleegd. Het eerst aangekomen exemplaar was een wijfje; deze heeft verscheidene malen eieren gelegd, het eene ongeveer drie maanden na het andere; meermalen trachtte zij het ei uit te broeden en liet zich slechts met moeite van haar nest verdrijven. In 1865 kreeg dit wijfje een mannetje tot gezelschap; in 1867 gaven beide het voornemen te kennen om een paar te worden; het eerst maakte men dit op uit een luid geroep van het mannetje, waarop het wijfje met een korter en zachter geluid antwoordde. Den 2en Januari legde het wijfje het eerste ei, waarop zij een dag of iets langer bleef zitten. Toen zij het nest verlaten had, nam het mannetje haar plaats in en broedde van nu af onophoudelijk door. Den 7en Februari legde zij een tweede ei en verliet het nest onmiddellijk daarna. Bartlett, aan wien wij de bovenstaande berichten te danken hebben, vond de eieren in een kuil van het stroo op den vloer van het hok; zij lagen dicht bij elkander. Het mannetje zat er niet overlangs, maar overdwars op; zijn smal lichaam zou anders niet voldoende geweest zijn om de eieren, welker spitsen men naar buiten zag steken, te bedekken. IJverig bleef hij in dezelfde houding broeden tot aan den 25en April; toen hij eindelijk uitgeput het nest verliet, waren de eieren bedorven. Deze zijn buitengewoon groot, want hun gewicht bedraagt ongeveer het vierde gedeelte van het lichaamsgewicht der moeder.
Van de Snipstruisen onderscheiden zich de Reuzenvogels (Dinornithidae) door de nog geringere ontwikkeling (of de volslagen afwezigheid) der voorste en de kolossale afmetingen der achterste ledematen, voorts door den korten snavel, welke aan dien van den struis herinnert. Sommige (Dinornis) missen den achterteen, andere (Palapteryx) niet. Uit sommige feiten blijkt, dat deze thans geheel uitgestorven dieren tijdgenooten waren van den mensch en met hem in het gemeenschappelijk bewoonde gebied in aanraking zijn geweest. De heldensagen van de Maoris of oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Zeeland hebben tot onderwerp den strijd van hunne voorouders met Reuzenvogels, die zij Moa's noemen. Nevens de overblijfselen van deze dieren, die in groote hoeveelheid in de holen, alluviale gronden en moerassen van Nieuw-Zeeland voorkomen, vindt men soms steenen werktuigen, asch en andere sporen van de werkzaamheid van menschen uit vroegere tijdperken. De grootste skeletten, die men gevonden heeft (Dinornis maximus, ingens etc.), hebben een hoogte van 3 à 4 M. met scheenbeenderen van 80 cM. lengte en teenkootjes zoo groot als die van een Olifant. Deze skeletten zijn zoo veelvuldig, dat Julius von Haast bijna alle groote verzamelingen in Europa met volledige exemplaren heeft kunnen voorzien. Soms zijn alle beenderen nagenoeg in hun natuurlijken stand bijeen blijven liggen; eenige malen vond men daarnevens veeren en deelen van de huid, zelfs eieren, die een kuiken bevatten en op welker schaal de kleuren nog niet verbleekt zijn.
AANTEEKENING
[1] De Javaansche of Groenhalzige Pauw (Pavo muticus), die soms ook getemd voorkomt, verschilt van den Gewonen vooral door den vorm van de kuifveeren; deze zijn aan 't einde niet verbreed, maar over haar geheele lengte met een smalle vlag voorzien. Bovendien is de naakte huid van den kop, in plaats van zwart, om het oog lichtblauw, om de oorstreek fraai geel; de hals is groen in plaats van blauw. "De met oogen gesierde staart," schrijft Wallace, "is even groot en even schoon" als die van den Gewonen Pauw. Hij wordt op Java menigvuldig langs de boschkanten aangetroffen.