Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels
Chapter 12
De Loophoenderen (Megapodidae) onderscheiden zich door hun wijze van broeden niet slechts van hunne verwanten, maar van alle Vogels der aarde. Zij leggen hunne buitengewoon groote eieren in een uit aarde en bladen samengesteld heuveltje, dus in een aan alle zijden gesloten nest, waarin de temperatuur door de rotting van de plantaardige stoffen tot zulk een hoogte stijgt, dat de eieren tot ontwikkeling komen. De jongen banen zich na het verlaten van de eierschaal een weg door den afval, die hen omgeeft; zij zijn bedekt met een dicht, donzig kleed, hebben volkomen ontwikkelde vleugels, maar geen staart; reeds op den eersten dag kunnen zij vliegen en zich zonder hulp van hunne ouders redden. De Loophoenderen vormen een uit 27 soorten bestaande familie, welker gebied zich van Celebes en Lombok over de Filippijnen, een deel van Polynesië en het Australische vasteland uitstrekt. Door hun lichaamsbouw zijn zij aan de Fazantvogels verwant, hoewel zij, althans eenige van hen, door hunne bewegingen en vooral door hun wijze van vliegen op de Ralvogels gelijken. Zij zijn middelmatig groot en kenmerken zich vooral door de hooge, langteenige, met stevige klauwen gewapende en dus in alle opzichten goed ontwikkelde voeten. Hun geraamte wijkt in enkele opzichten van dat der overige Hoendervogels af; vooral valt de wijdte van het bekken in 't oog, hetwelk met den buitengewonen omvang van het ei in verband schijnt te staan. De geringe grootte van de hersenen en de zeer eigenaardige wijze van uitbroeding der eieren wijzen op een lagen trap van ontwikkeling.
De Eigenlijke Loophoenderen (Megapodius) vertoonen een zekere overeenkomst met de Rallen en Waterhoenderen. Hun romp is slank, de hals middelmatig lang, de snavel meestal korter dan de kop, recht, aan den wortel laag, vóór de spits gewelfd, de vleugels breed en stomp, de uit tien pennen samengestelde staart kort en afgerond, de loop zeer forsch en nog iets langer dan de lange, krachtige middelste voorteen, die, evenals alle overige teenen, met krachtige, lange, slechts weinig gebogen nagels voorzien is. De omgeving van het oog, de keel en de hals zijn naakt; de veeren van het achterhoofd zijn een weinig bij wijze van een kuif verlengd. Het vederenkleed is gewoonlijk goed voorzien, zwartachtig of bruinachtig. In grootte evenaren zij een middelmatige kip.
Het Gewone Loophoen (Megapodius tumulus) van Noord-Australië houdt zich voornamelijk op aan het dicht met struiken en boomen begroeide zeestrand. Weinige Vogels zijn zoo schuw en moeilijk te naderen als deze; hij leeft paarsgewijs of eenzaam; zijn voedsel bestaat uit wortels, die zonder moeite met de krachtige klauwen worden losgekrabd, ook wel uit zaden en Insecten, vooral groote Kevers. Zijn stem gelijkt op het klokken van de Huishen en eindigt met een geschreeuw, gelijkend op dat van den Pauw.
De nesthoopen zijn zeer verschillend van vorm, grootte en bestanddeelen. De meeste zijn dicht bij den waterkant gelegen en bestaan uit zand en schelpen, eenige bevatten slib en vermolmd hout. De nesthoopen van de Loophoenderen op Nieuw-Guinea zijn, volgens Haacke, doorgaans uit bladen samengesteld. Gilbert vond er een van bijna 5 M. hoogte en 27 M. omtrek; terwijl van een tweede de omtrek ongeveer 50 M. bedroeg. Hoogst waarschijnlijk worden de kolossaalste van deze heuvels door verscheidene opeenvolgende geslachten gebruikt en ieder jaar vergroot. De eieren liggen 2 M. diep onder den top en staan altijd loodrecht, met het dikke einde naar boven; zij zijn tamelijk verschillend van grootte, maar ongeveer gelijk van vorm.
Gould's Loophoen (Megapodius Gouldii) werd door Wallace op Lombok waargenomen. "Het is ongeveer zoo groot als een kleine kip en vertoont slechts donker olijfkleurige en bruine tinten. Zijn voedsel is van gemengden aard, daar het uit afgevallen vruchten, Aardwormen, Slakken en Duizendpooten bestaat. Zijn vleesch is, als het goed wordt toebereid, blank en smakelijk." "De meeste dezer Vogels houden zich op in het schrale kreupelhout langs het strand, waar de bodem zandig is en overblijfselen van takjes, bladeren, schelpen, zeewier en dergelijke in overvloed gevonden worden. Van al die vuilnis maken de Loophoenderen ontzaglijke hoopen." "Toen ik deze hoopen op het eiland Lombok voor het eerst zag, kon ik nauwelijks gelooven, dat zij het werk waren van zulke kleine Vogels; ik heb ze later dikwijls ontmoet en één- of tweemaal verrast, terwijl zij bezig waren nesten te maken. Zij verwijderen zich eenige schreden, grijpen een bundel afval met één poot en werpen dien een heel eind achter zich. Zijn de eieren eens naar behooren begraven, dan schijnen zij er niet meer naar om te zien."
"Ik had het geluk," zegt Wallace, een nieuwe soort (Megapodius Wallacei) te ontdekken, die Halmaheira, Ternate en Boeroe bewoont. Het is de fraaiste Vogel van dit geslacht, op rug en vleugels rijk getooid met banden van roodachtig bruin. Zijn levenswijze verschilt van die der andere soorten; hij houdt zich op in de bosschen van 't binnenland en begeeft zich naar het strand om eieren te leggen, die echter niet geborgen worden in een door hem bijeengekrabde hoop aarde, maar op den bodem van een in het zand gegraven gang, die omstreeks 1 M. in schuinsche richting naar beneden loopt. Na het bedekken van de opening van de gang verbergt hij, naar het zeggen der inlanders, de sporen van zijn voetstappen, die van en naar de opening voeren, door in den omtrek op verschillende plaatsen den grond open te krabben of er indruksels van voetstappen te maken. Hij legt zijne eieren alleen 's nachts; op Boeroe werd eens 's morgens vroeg een Vogel van deze soort betrapt, juist toen hij te voorschijn kwam uit zijn hol; hierin werden verscheidene eieren gevonden. Naar het schijnt, zijn deze Hoenderen halve nachtvogels: laat in den avond en lang voor den morgenschemering hoort men hunne klaaglijke kreten. De eieren hebben een roestroode kleur en zijn naar verhouding van de grootte van den Vogel kolossaal, daar zij 75 à 85 mM. lang en 50 à 58 mM. breed zijn. Zij zijn goed eetbaar en worden door de inboorlingen ijverig gezocht."
Met den naam Brush-turkey of Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami) duidt de Australische kolonist het Loophoen aan, dat hij het best heeft leeren kennen. Het vertegenwoordigt het geslacht der Talegallas (Catheturus), dat o. a. kenbaar is aan de ringvormige opzwelling van de huid, die van den voorhals naar beneden hangt; de kop en de hals dragen slechts weinige haarvormige veeren. De genoemde soort is op de bovenzijde fraai chocoladebruin, op de onderzijde lichtbruin met zilvergrijze vederzoomen, die dwarsbanden vormen. Het oog is lichtbruin, de nagenoeg naakte huid van kop en hals karmijnrood, de halslel oranjegeel, de snavel loodkleurig grijs, de voet licht chocoladebruin. Totale lengte 80, staartlengte 25 cM.
"Hoe ver zich het verbreidingsgebied van dezen Vogel uitstrekt," zegt Gould, "is nog niet op voldoende wijze bepaald. Men heeft hem in verschillende gedeelten van Nieuw-Zuid-Wales, van Kaap Howe tot aan de Moretonbaai gevonden. Naar ik vermoed, is hij het veelvuldigst in de dichte, nog weinig bezochte kreupelwouden langs de oevers van den Clarence en den Manning.
"Het merkwaardigste verschijnsel in de levenswijze van dezen Vogel is, dat hij zijne eieren niet op de wijze van de andere Vogels uitbroedt. In 't begin van de lente krabt hij een zeer grooten hoop doode plantendeelen bijeen om als nest te dienen en laat de ontwikkeling van de jongen over aan de warmte, die ten gevolge van de rotting dezer plantaardige stoffen ontstaat. De voor dit doel dienende hoop wordt verscheidene weken voor den legtijd opgeworpen, heeft de gedaante van een kegel, welks middellijn de hoogte ver overtreft, maar is zeer verschillend van grootte; soms bestaat hij uit 2, soms uit 4 wagenvrachten bouwstoffen. De grootte van het nest en de volledige verrotting van de bestanddeelen der onderste laag schijnen recht te geven tot de onderstelling, dat het verscheidene jaren achtereenvolgens dienst doet en telkens door toevoeging van nieuwe stoffen weer bruikbaar wordt gemaakt. De heuvel komt tot stand, doordat de Vogels een zekere hoeveelheid materiaal met de voeten loskrabben en achter zich naar een middelpunt werpen. Zij ontblooten op deze wijze den omgevenden grond zoo volkomen, dat er nagenoeg geen blad of grashalm op blijft liggen. Als de hoop groot genoeg is, en de temperatuur daarbinnen een voldoende hoogte heeft bereikt, worden de eieren er in gelegd; deze worden om 't midden in een kring gerangschikt, op een onderlingen afstand van 25 à 30 cM., ongeveer op armdiepte, maar zoo, dat zij rechtop staan met het breede eind naar boven; vervolgens worden zij met bladen bedekt en aan zich zelf overgelaten. Zoowel van geloofwaardige kolonisten als van inboorlingen vernam ik, dat men in één hoop soms wel een schepel eieren kan vinden; ik zelf heb een vrouw gezien, die de helft van deze hoeveelheid in een naburig boschje gevonden had en naar huis droeg. Eenige van de inboorlingen beweerden, dat het wijfje zich voortdurend in de nabijheid van den hoop ophoudt, om de blootliggende eieren weder te bedekken en de uit den dop komende jongen bij te staan; andere daarentegen zeggen, dat de hen zich niet meer om de eieren bekommert na het leggen en dat de jongen zonder eenige hulp hun weg vinden. Eén punt is voldoende opgehelderd: zoodra de jongen uit het nest komen, zijn hunne vleugels genoeg ontwikkeld om hen in staat te stellen op de twijgen der boomen te vliegen; op even flinke wijze kunnen zij hunne pooten gebruiken; zij verkeeren dus in 't zelfde geval als een pas uit de pophuid gekropen Vlinder, nadat zijne vleugels gedroogd zijn."
"De haan," zegt Sclater, "begint, als de broedtijd nadert, alle plantaardige stoffen, die binnen de grenzen van de voor 't nest bestemde plek liggen los te krabben, en achteruit te werpen, telkens een voet vol te gelijk. Daar hij zijn arbeid steeds aan den buitensten omtrek van het terrein aanvangt, ontstaat er in 't midden allengs een kegelvormige verhevenheid. Zoodra deze ongeveer 1.5 M. hoog geworden is, beginnen de Vogels haar effen te maken en daarna in 't middelpunt een holte te graven. Hierin worden met vaste tusschentijden eieren gelegd, die ongeveer 40 cM. onder den top van den heuvel in een kring gerangschikt zijn. Het mannetje houdt zorgvuldig toezicht op den voortgang van de ontwikkeling en let vooral op de warmte van den broedoven. Gewoonlijk heeft hij de eieren op zulk een wijze bedekt, dat boven deze slechts een ronde opening overblijft, waardoor de noodige luchtverversching plaats heeft en de overmaat van warmte ontwijken kan; bij warm weer neemt hij twee- of driemaal per dag bijna de geheele bekleedende laag weg.
"Het jong blijft na het verlaten van het ei minstens 12 uur in den heuvel, zonder de geringste poging te doen om er uit te kruipen; het wordt gedurende dezen tijd door het mannetje even diep bedolven als de overige eieren. Op den tweeden dag komt het te voorschijn; het heeft dan goed ontwikkelde veeren; deze waren bij het verlaten van den dop nog verborgen in de kort daarna openbarstende scheeden. Het jong schijnt nu nog geen neiging te hebben om zijne vleugels te gebruiken, maar beweegt zich uitsluitend met behulp van de krachtige pooten. Des namiddags keert het naar het nest terug en wordt door den zorgvuldigen vader weder begraven, hoewel op geringere diepte dan vroeger; op den derden dag is het voor het vliegen volkomen geschikt."
Het Hamerhoen, de Maleo (Megacephalon maleo), is kenbaar aan een harden, rondachtigen knobbel, die boven de neusgaten begint, het geheele voorhoofd bedekt en voorbij den achterkop uitsteekt. Zijn verbreidingsgebied is beperkt tot het noordelijke schiereiland van Celebes. Met tusschenpoozen van 10 à 12 dagen legt de hen, die de grootte heeft van een kleine kip, in gaten van den grond, die zij aan 't zeestrand uitkrabt, 6 à 8 steenroode eieren, welke zoo groot zijn als die van een Gans; de jongen ontwikkelen zich op dezelfde wijze als de overige Loophoenderen.
"Een opmerkelijk heesch geschreeuw en gekras klonk mij van den met bosch begroeiden oever te gemoet," verhaalt Schomburgk. "Voorzichtig naderbij komend zag ik een verbazend grooten troep Vogels. Het waren Kuifhoenderen; de kolonisten noemden ze Stinkvogels. Hoewel de eerste naam wegens de lange veeren op den kop karakteristiek mag heeten, is toch de eigenschap, waarop de tweede naam gegrond is, nog duidelijker merkbaar: reeds op een vrij groote afstand, voordat deze Vogels zichtbaar zijn, wordt men op een zeer onaangename wijze van hun nabijheid onderricht. Zelfs de Indianen willen het Kuifhoen, hoe goed gevleescht het ook is, volstrekt niet eten, zoo afschuwelijk is deze reuk; het meest komt hij overeen met dien van verschen paardenmest; hij is zoo doordringend, dat men hem zelfs na jaren nog aan de gedroogde huid opmerkt. De troep, die ik zag, bestond stellig uit honderden Vogels; voor een deel zaten zij elkander tusschen de struiken door achterna, voor een deel vlogen zij juist op. Naar het scheen, was het hun paartijd."
Eenige dierkundigen hebben het Kuifhoen een plaats aangewezen onder de Pisangvreters, waarmede het eenige overeenkomst vertoont. "Er is echter," zegt Desmurs, "een bovenmenschelijke werking van de phantasie of een echte afkeerigheid van eenvoudige, gemakkelijk verstaanbare feiten noodig om deze handelwijze te rechtvaardigen." Ook onder de Hoendervogels staat het Kuifhoen zeer geïsoleerd; het gelijkt echter op hen, vooral op de Sjakoehoenderen, meer dan op de Pisangvreters. Volgens Fürbringer vertegenwoordigt het een afzonderlijke familie (Opisthocomidae), die niet met de drie vorige in één groep kan worden geplaatst, maar in de onderorde der Hoenderen een afzonderlijke groep (Opisthocomi) moet vormen, welke met die der Hoenderen in engeren zin (Galli), op één lijn staat.
De eenige soort, die hiertoe gerekend kan worden, is het Kuifhoen of Zigeunerhoen, ook wel Hoactzin en Sasa genoemd (Opisthocomus cristatus). Zijn ondersnavel is merkwaardig door den duidelijk waarneembaren kinhoek, de bovensnavel door een viertal inkervingen aan de achterhelft van den zijrand; de (bruine) voet heeft een korten loop en lange, niet door spanvliezen vereenigde teenen met lange, dikke, tamelijk gekromde, spitse nagels; de tamelijk lange (bruine) vleugels reiken in rust tot voorbij het midden van den langen, aan de spits afgeronden, uit 10 pennen bestaanden staart. Op den boven- en achterkop vindt men een uit smalle, spitse, witachtig gele veeren samengestelde kuif. De omgeving van het (lichtbruine) oog, de teugel en de wang zijn naakt en vleeschkleurig. De hoofdkleur van de bovendeelen is bruin, op de achterste armpennen groen iriseerend; de onderdeelen zijn lichter en valer; de vleugel heeft twee witte dwarsbanden, de staart een lichten eindband. Totale lengte 62, staartlengte 29 cM.
Men weet zeer weinig van de levenswijze van dezen Vogel, die aan den bovenloop van den Amazonenstroom zeer veelvuldig is; men zegt, dat hij in polygamie leeft, in het bosch op boomen nestelt en slaapt, maar zich over dag aan moerassige rivieroevers ophoudt, waar hij zijn voedsel zoekt, dat uit jonge spruiten, bloemen en zaden van waterplanten bestaat. Misschien ontleent hij zijn onaangename lucht aan de vruchten van een soort van boomachtige aronskelk. Wegens deze eigenschap maakt mensch nog roofdier jacht op hem.
De tweede onderorde van de Hoendervogels wordt gevormd door de Kortstaart-hoenderen of Tinamoe's (Crypturiformes). Zij hebben een kleinen en platten kop, met langen, dunnen, weinig gebogen snavel, een langen, dunnen hals, voeten met langen loop en zeer oneffen zool; de achterteen is altijd klein en aanmerkelijk hooger ingeplant dan de onderling niet vereenigde voorteenen; bij enkele soorten is hij zoo weinig ontwikkeld, dat alleen de nagel er van over is; de korte, ronde vleugels reiken niet verder dan tot op den benedenrug; de staart bestaat 10 à 12 korte en smalle pennen, die geheel verborgen zijn onder de lange dekveeren; soms echter ontbreken de stuurpennen geheel.
De Kortstaarthoenderen zijn over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid en bewonen de meest verschillende terreinen: eenige soorten steeds open gewesten, andere alleen de wildernissen van de wouden, sommige de vlakte, andere het gebergte; enkele komen uitsluitend op hoogten van 4000 M. voor. Zij leven bijna voortdurend op den grond, vliegen zelden, loopen daarentegen op de wijze van onze Kwartels snel te midden van de struiken of in het hooge gras, drukken zich bij dreigend gevaar plat op den bodem neer of verbergen zich in een graspol; alleen de in 't woud levende soorten zoeken 's nachts op de onderste dikke takken van boomen een veilige slaapplaats. Hunne lichamelijke en geestelijke vermogens zijn gering. Zij loopen buitengewoon snel, vliegen echter op logge wijze en doen het daarom ongaarne; in tijd van nood geraken zij geheel van streek. Hun stem bestaat uit verscheidene opeenvolgende, fluitende geluiden van verschillende hoogte, die soms in regelmatige verhouding onderling afwisselen en zich zoozeer onderscheiden van de stemmen van andere Vogels, dat zij onmiddellijk de aandacht trekken van vreemden zoowel als van inboorlingen. Hun voedsel bestaat uit zaden, vruchten, jonge spruitjes en Insecten. Sommige vinden, naar men zegt, in de vruchten van den koffieboom, van eenige palmen enz. hun voornaamste voedsel.
Voor den jager nemen de Tinamoe's in Zuid-Amerika de plaats in van onze Veldhoenderen; zij worden door hen "Patrijzen" of "Kwartels" genoemd en ijverig gejaagd. Alle Roofdieren, de loopende zoowel als de vliegende, wedijveren in dit opzicht met den mensch; zelfs de Jagoear versmaadt de jacht op dit wild niet; gevaarlijk voor de jongen zijn bovendien nog eenige Insecten, b.v. Mieren, die in dicht opeengedrongen hoopen van de eene plaats naar de andere trekken. De mensch doodt deze Vogels met het geweer, zet vallen voor hen uit, jaagt ze te paard achterna, vangt ze met den werpstrik of brengt Honden op hun spoor. Deze worden, naar Tschudi verhaalt, door de Indianen opzettelijk voor deze jacht afgericht. De door hen opgespoorde Tinamoe vliegt omhoog, maar gaat spoedig weer op den grond zitten; de Hond jaagt hem ten tweeden male op; de derde keer springt hij op den vluchteling toe en bijt hem dood.--In gevangenschap ziet men deze Vogels dikwijls bij de Indianen, enkel ook wel in Europa; veel genoegen kunnen zij hun eigenaar niet verschaffen; het zijn vervelende dieren.
Een der veelvuldigst voorkomende soorten van deze groep is de Inamboe of Ynamboeï (verbasterd tot Tinamoe) (Rhynchotus rufescens); hij onderscheidt zich door den betrekkelijk langen snavel (zoo lang als de kop) en een vrij aanzienlijke grootte; een korte staart en een kleine achterteen zijn hier aanwezig. De hoofdkleur is roestroodachtig geel; iedere veer van de bovenzijde, behalve de handpennen, heeft breede zwarte dwarsstrepen; de keel is witachtig. Oog, snavel en voet zijn bruin. Totale lengte 42, staartlengte 5 cM.
De Inamboe behoort thuis in het Campos-gebied van Middel-Brazilië, vooral in de provinciën Minas Geraes en Goyaz, maar komt ook in vele gewesten van Argentië veelvuldig voor. Men vindt hier deze Vogels nooit tot troepen vereenigd, altijd alleen, op sommige plaatsen echter in zeer grooten getale. Zij zijn hier algemeen bekend, het meest gezochte wild van den jager, aan voortdurende vervolging blootgesteld en daarom schuw en voorzichtig. Den naderenden mensch ontvluchten zij loopend in 't hooge gras; slechts in den uitersten nood maken zij van hunne vleugels gebruik. Zij zijn zoo onbeholpen, dat zelfs knapen er vele van buit maken met een hoogst eenvoudigen lazo of werpstrik. Zij behooren tot het beste wild, dat den reiziger in Brazilië of Argentië wordt voorgezet. Het nest, dat zich op den bodem in het dichte struikgewas bevindt, bevat 7 à 9 donkergrijsachtige, naar paars zweemende eieren, welker schaal buitengewoon glanzig is.
In de Europeesche dierentuin treft men soms Inamboe's aan; zij verdragen de gevangenschap uitmuntend, zijn niet veeleischend en planten zich, als zij behoorlijk verzorgd worden, ook wel in de kooi voort.
De Snipstruisen (Apterygiformes), die de laatste onderorde van de Hoendervogels vormen, hebben uitwendig weinig overeenkomst met hunne ordegenooten. Hun romp is betrekkelijk ineengedrongen, de hals kort maar dik, de kop niet bijzonder groot, de snavel lang en dun, de voet betrekkelijk kort en vierteenig; de vleugels zijn zoo gebrekkig ontwikkeld, dat hun aanwezigheid eigenlijk eerst bij de beschouwing van het skelet blijkt; daar tusschen de veeren slechts korte stompjes te vinden zijn, die eenige onvolkomen, maar dikke schaften dragen; de staart ontbreekt geheel. De huid is met lange, lancetvormige, los afhangende veeren bekleed, die van de hals af naar onderen in de lengte toenemen; zij hebben een losbaardige vlag en een zijde-achtigen glans. Bij oppervlakkige beschouwing zou men den snavel met dien van een Ibes kunnen vergelijken; hij onderscheidt zich echter van dezen en van iederen anderen vogelsnavel door de plaatsing der neusgaten aan de spits. Aan het achterste uiteinde komt een washuid voor en van hier naar de spits strekken zich groeven uit. De pooten zijn zeer dik en kort, de drie voorteenen lang en forsch, met krachtige, voor 't graven geschikte klauwen gewapend; de dikkere en kortere achterteen, die een bijna verticalen stand heeft en bij het gaan den bodem niet aanraakt, draagt een nog forscheren klauw en gelijkt meer op de spoor van een Huishaan dan op een teen. Harde schilden bekleeden netsgewijs den loop, schubben de bovenzijde der teenen; aan de zijden hebben deze een smallen huidzoom.
In het skelet onderscheidt men een bovenarm van 3, een voorarm van 2 en een hand van 1 cM. lengte, de laatste voorzien met een scherpen klauw. In verband met de uiterst geringe ontwikkeling der voorste ledematen ontbreekt de kam op het borstbeen. Alle Vogels, die in 't laatstgenoemde opzicht overeenstemmen, werden vroeger onder den naam van "Gladborstigen" aan de overige Vogels (de "Kamborstigen") tegenovergesteld.
De eerste Snipstruis, wiens overblijfselen in 1812 naar Europa werden overgebracht, kreeg den naam Apteryx australis (australis = zuidelijk), omdat hij, naar gezegd werd, in de wouden bij de Duskybaai op de zuidwestkust van het Zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland gedood was; een tweede exemplaar, dat van dezelfde plaats afkomstig heette te zijn, kwam in het Britsch Museum; andere voorwerpen van deze soort schijnen niet bekend te zijn geworden. (Zij hebben de grootte van een Huishen; lengte 67 cM.) Bijna alle Snipstruisen, die thans in de verzamelingen voorkomen, zijn van het Noordelijke eiland afkomstig en behooren tot een tweede soort (Apteryx Mantelli); deze zullen wij aanduiden met den naam Kiwi, waaronder hij bij de inboorlingen bekend is. Volgens Bartlett is zij iets kleiner dan de vorige, heeft naar verhouding een langeren loop met kortere teenen en klauwen en vertoont ook eenig verschil in kleur en bevedering. Een nog iets kleinere soort (Apteryx Oweni) werd in het noordelijke gedeelte van het Zuidelijke eiland gevonden; hiervan zijn de exemplaren zeer zeldzaam. Ook onderscheidt men nog een vierde soort (Apteryx maxima). Sommige onderzoekers erkennen echter slechts twee soorten. De Kiwi wordt in de onbewoonde, boschrijke streken van het Noordelijke eiland ook thans nog gevonden; in de bewoonde gewesten is hij echter geheel uitgeroeid; het is dus niet gemakkelijk er een exemplaar van te verkrijgen.