Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 30
De vangst van het ondier geschiedt op dezelfde wijze als de jacht. Hoe de Romeinen het aanlegden om Nijlpaarden te vangen en te vervoeren, weten wij niet; volgens de mededeelingen der oude schrijvers brachten zij niet alleen jonge en onvolwassene, maar ook oude dieren naar de hoofdstad van hun wereldrijk, om met hen hunne kampspelen en triomftochten op te luisteren. Die, welke wij thans in Europa kunnen zien, werden bijna zonder uitzondering jong gevangen. Het spreekt van zelf, dat de moeder gedood moet worden, voordat men er aan denken kan op het jonge dier jacht te maken. De blinde gehechtheid van het kleine, plompe dier aan zijn moeder maakt echter de vangst gemakkelijk. Het jong volgt de geharpoeneerde moeder overal na en verlaat zelfs haar lijk niet. Men vangt het in een net, of werpt het een harpoen in het lichaam op een plaats, waar dit wapen geen gevaarlijke wonde veroorzaakt, en tracht het aan land te trekken. In den beginne doet het zijn best zich los te rukken, laat een gillend, doordringend geschreeuw hooren, evenals een Zwijn, dat gekeeld zal worden, en geeft den jagers volop werk; het geraakt echter spoedig aan den mensch gewoon en volgt hem na.
De ervaring heeft geleerd, dat het Nijlpaard het leven in de gevangenschap, zelfs in Europa, gemakkelijk en gedurende langen tijd verdragen kan. Als men een paar van deze dieren een verblijfplaats verschaft, die naar hun aard is ingericht, d. w. z. waar zij zich nu eens in 't water, dan weer op 't droge kunnen begeven, bestaat er groote kans, dat zij nakomelingen zullen verkrijgen. Zij nemen den kost voor lief, dien men gewoonlijk aan het Varken geeft. Het eerste gevangen Nijlpaard, dat sedert den ouden tijd naar Europa werd gebracht, en in 1850 in de Londensche diergaarde werd opgenomen, heb ik te Kaïro gezien. Het had zich aan zijn verzorger zoozeer gehecht, dat het hem als een Hond naliep en zich gemakkelijk liet regeeren.
Later kwamen twee Nijlpaarden te Parijs. In het jaar 1859 kreeg men voor 't eerst twee jonge dieren van deze soort in Duitschland te zien (een mannetje en een wijfje, het eigendom van den dierenhandelaar Casanova, wiens echtgenoote er mede rondreisde). Deze zelfde exemplaren werden in 1860 voor f 12.960 voor den Amsterdamschen dierentuin aangekocht. In 1862 werd van dit paar een jong geboren, dat echter van zijn moeder van den beginne af een ruwe en harde behandeling ondervond; zij liet het niet zuigen, wierp het heen en weer en toonde zich zeer opgewonden, toen zij van het mannetje gescheiden werd. In weerwil van alle pogingen om het kunstmatig te voeden, stierf het reeds twee dagen na de geboorte.
Westerman, de directeur van den Amsterdamschen dierentuin, heeft mij later mondeling medegedeeld, dat hetzelfde wijfje nog andere jongen ter wereld bracht, en wel steeds zeven à acht maanden na de paring; de meeste van deze jongen werden door de moeder slecht behandeld. De vader scheen steeds ijverzuchtig te zijn op zijn spruit; hij ging als een dolleman te keer, bracht hierdoor ook het wijfje van streek en gaf op deze wijze indirect aanleiding tot de verwijdering van het jong, dat in de drie eerste gevallen niet lang leefde. Wel trachtte men het diertje met koemelk groot te brengen, die in groote zuigflesschen werd toegediend; ook kon men het er aan gewennen dit voedsel te gebruiken; in het gunstigste geval echter bleef het hierdoor slechts twee à drie weken op een armoedige wijze in 't leven. Eerst met het vierde jong, dat in Augustus 1865 geboren werd, was men gelukkiger. Wel werd ook nu gedurende de eerste weken de zuigflesch gebruikt, weldra echter leerde men een eenvoudiger middel kennen om de zuigeling te voeden, n.l. door de lauw-warme melk eenvoudig in een nap te gieten, het jonge Nijlpaard er bij te lokken, de hand in de melk te steken en het dier zijn voedsel te laten opleppen, terwijl het aan de vingers zoog. Op deze wijze ledigde het den eenen nap na den anderen en groeide als kool. Zeer dikwijls zorgde Westerman zelf voor deze voedering, die om de drie of vier uur, 's nachts zoowel als over dag, herhaald moest worden; dank zij deze toewijding gelukte het den jongen kolossus groot te brengen. Na de tweede levensmaand begon het dier reeds nu en dan salade, gras en ander plantaardig voedsel te gebruiken; toen het zes maanden oud was, gedroeg het zich als een volwassene. Het werd toen verkocht voor f 12.000, en op reis naar zijn toekomstige woonplaats, New-York, eenigen tijd in het Kristallen Paleis te Sydenham tentoongesteld. Dit geschiedde kort vóór den brand, die dit gebouw vernielde, bij welke gelegenheid het dier om 't leven kwam. Een ander jong werd in 1877 voor f 9.600 verkocht en heeft jaren lang in den Londenschen dierentuin geleefd. In 't geheel werden van 1862 tot 1876 van dit paar 14 jongen geboren. Een van de beide Amsterdamsche Nijlpaarden ontsnapte eenigen tijd later aan een groot gevaar. Bij een bezoek van de weeskinderen aan Artis, had een der jongens de aardigheid het wijfje een ledige flesch in den bek te werpen. Deze werd verbrijzeld en ingeslikt, maar bracht geen nadeelige gevolgen te weeg. Het mannetje stierf in 1884 aan verval van krachten; het wijfje, dat sedert dien tijd het bassin alleen bewoonde, bezweek in 't begin van Oct. 1896.--Herhaaldelijk zijn ook in andere diergaarden jonge Nijlpaarden geboren en groot gebracht.
Behalve den mensch ontmoet Behemot zelden een vijand, die voor hem gevaarlijk kan worden. Daar waar de mensch niet komt, zal het Nijlpaard waarschijnlijk een hoogen leeftijd bereiken. Hoewel het betrekkelijk snel groeit, verloopen er toch vele jaren, voordat het zijn volle grootte heeft bereikt. Vermoedelijk is het reeds in het tweede, stellig in het derde levensjaar voor de voortplanting geschikt. Aan gevangen exemplaren heeft men duidelijk kunnen waarnemen, dat het dier, ook nog nadat het jongen heeft voortgebracht, gedurende verscheidene jaren in grootte toeneemt. Als het later geheel volwassen is, groeien zijne tanden nog steeds aan. Op welken leeftijd het verval van krachten begint en hoe oud het dier kan worden, is nog niet uitgemaakt.
De tweede, nog levende vertegenwoordiger van de familie der Nijlpaarden--het _Liberische Rivierpaard_ of, zooals men het ook zou kunnen noemen, het _Dwergrivierpaard_ (_Hippopotamus liberiensis_) is zeer veel kleiner dan de zooeven beschreven soort, en, naar het schijnt, tot een klein verbreidingsgebied in Opper-Guinea beperkt. Van zijn reusachtigen verwant onderscheidt het zich behalve door zijn veel geringere grootte, ook door het ontbreken van één snijtand in elke onderkaakshelft. Büttikofer, die versch gedoode dieren zag, verzekert, dat hun rug leikleurig zwart, de buik vuil grijsachtig wit, de zijden groenachtig leikleurig zijn. Een volwassen wijfje, dat hij kreeg, woog volgens zijn schatting niet meer dan 400 KG. en had bij een schouderhoogte van 76 cM. een totale lengte van 185 cM., waarvan 17 cM. op den staart komen.