Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

Chapter 29

Chapter 293,730 wordsPublic domain

Wat de uitwendig waarneembare verschijnselen betreft, onderscheidt het Nijlpaard zich van de overige Zoogdieren meer door den kop dan door eenig ander lichaamsdeel. Eigenaardig zijn de bijna vierhoekige vorm van den kop, de kleine oogen en ooren, alsmede de scheef aan den elkander tegenovergestelde, groote, op boogvormige spleten gelijkende neusgaten, die met de ooren en de oogen de hoogste punten zijn van een vlak, waaronder het voorhoofd en het daarvóór gelegen deel van 't aangezicht trogvormig afdalen. Voorts is hij gekenmerkt door den wanstaltigen snuit, welks glad en dik, van achteren bovendien tamelijk smal bovenste gedeelte zich naar voren verbreedt en verheft, vervolgens echter in de gedaante van een dikke bovenlip langs de zijden steil afdaalt, om den ontzaglijken muil aan alle kanten te bedekken en te sluiten. De hals is kort en krachtig, de romp hoewel langwerpig toch bovenmatig dik en daarom buitengewoon plomp, de rug in 't kruis hooger dan in de schoft, in het midden benedenwaarts gebogen, de buik vol en rond, in 't midden zoo diep afgezakt, dat hij den bodem aanraakt bij 't gaan op den slijkerigen grond; de staart is kort en dun, bij de spits zijdelings samengedrukt; de onevenredig korte, vormelooze pooten hebben breede, vierhoekige voeten, welker teenen door korte zwemvliezen verbonden en alle naar voren gericht zijn. Alleen aan de spits van den staart staan korte, op draden gelijkende borstels; overigens bemerkt men op de meer dan 2 cM. dikke huid, die vooral aan den hals en voor aan de borst eenige diepe plooien vormt, slechts hier en daar eenige borstelvormige haren. Door groeven, die elkander kruisen, wordt de huid in velden verdeeld die op schubben gelijken, en nu ééns grooter dan weer kleiner zijn. Hun kleur is koperbruin en heeft een eigenaardige tint, die aan de bovenzijde in vuil donkerrood, aan de onderzijde in licht purperbruin overgaat. Tamelijk regelmatig geplaatste, bruinachtige en blauwachtige vlekken geven aan de overigens eenvormige massa een zekere afwisseling. De kleur van het Nijlpaard verandert trouwens, al naar de huid droog is of nat. Wanneer het dier zoo juist uit het water komt, zijn de bovendeelen bruinachtig blauw en de onderdeelen bijna vleeschkleurig; daarentegen is het, wanneer de huid droogt, donkerder, bijna zwartbruin of leikleurig, of, als de zon op zijn rug schijnt, gelijkmatig blauwachtig grijs.--De totale lengte van een volwassen mannetje bedraagt, met inbegrip van den 45 cM. langen staart, 4.2 à 4.5 M., bij 1.5 M. schouderhoogte. Het gewicht van het dier zal gemiddeld 2000 à 2500 KG. bedragen en bij vele oude mannetjes waarschijnlijk boven de 3000 KG. stijgen; alleen de kop van zulk een reus weegt ruim 200 KG.

Het gebit van het Nijlpaard komt nog het meest overeen met dat van het Zwijn, waarvan het, minder door het aantal dan door den vorm der tanden, verschilt. In ieder kaakhelft bevinden zich 2 snijtanden, 1 hoektand en 7 maaltanden; het gebit bestaat dus uit 40 tanden. De beide middelste onderkaaks-snijtanden zijn door een tandelooze tusschenruimte van elkander gescheiden; zij zijn aanmerkelijk grooter dan de zijdelingsche snijtanden en gelijken in sommige opzichten op hoektanden, maar hebben een horizontalen stand; die van de bovenkaak zijn kleiner, gekromd en verticaal benedenwaarts gericht. De hoektanden van de onderkaak zijn reusachtig groot; gemiddeld zijn zij bij groote dieren 50 cM. lang en 4 KG. zwaar; zij zijn driezijdig, half cirkelvormig gebogen, aan de spits scheef afgesneden en met diepe, overlangsche groeven voorzien; de bovenkaaks-hoektanden zijn benedenwaarts gericht, aanmerkelijk korter en dunner, maar op dezelfde wijze gekromd en scheef afgeknot. Alle deelen van het geraamte zijn buitengewoon zwaar gebouwd: de schedel is bijna vierzijdig, plat en benedenwaarts gedrukt; het deel dat de hersenen bevat, is klein; de oogkas heeft een vooruitstekenden rand, die door het voorhoofdsbeen en het jukbeen gevormd wordt; alle overige beenderen zijn eveneens dik, plomp en zwaar.

Dat het Nijlpaard den Ouden goed bekend was, blijkt duidelijk uit de Egyptische gedenkteekenen en sommige bijbelteksten. Door de Grieksche en Romeinsche schrijvers, en wel het eerst door Herodotus en Plinius, wordt dikwijls melding gemaakt van dit dier; zij beschrijven het zoo goed zij kunnen, en schilderen zijne zeden en gewoonten. Alle latere auteurs ontleenden hun kennis hoofdzakelijk aan de berichten der Ouden; eerst door Gesner worden hieraan nieuwe, door Belon medegedeelde feiten toegevoegd; voor latere onderzoekers bleef de taak weggelegd, om de natuurlijke geschiedenis van dit dier op te helderen.

Tegenwoordig moet men van 't noorden af tamelijk ver in het binnenland van Afrika doordringen, om Nijlpaarden te ontmoeten. Vooral in het stroomgebied van den Nijl hebben de van oudsher beroemde dieren zich meer en meer teruggetrokken naar het hartje van Afrika. Hier echter ziet men de gestalten, die op de vier duizend jaar oude Egyptische tempels afgebeeld zijn, in levenden lijve liggen: dezelfde dieren te midden van menschen, die aan hunne voorouders gelijk gebleven zijn. Naast den Baviaan en den Krokodil, naast de heilige Ibis en den Tantalus, ontmoet men hier de laatst overgebleven, reusachtige land-Zoogdieren: den Olifant, den Neushoorn en het Nijlpaard--wezens, die aan vormen uit den voortijd herinneren. Overal waar de mensch alleenheerscher is geworden, zijn deze schepsels voor zijne vreeselijke vuurwapens bezweken; daar, waar hij ze alleen met den speer en den boog bestrijdt, staan zij ook thans nog vijandig tegenover hem. In geheel Egypte en ook in Nubië, waar Rüppell nog in den aanvang dezer eeuw het Nijlpaard in vrij grooten getale aantrof, is het thans uitgeroeid.

In de rivieren van Oost-, Zuid- en West-Afrika vindt men de Nijlpaarden veel nader bij de kust, dan in de noordelijke helft van dit werelddeel; zelfs zwemmen zij daar niet zelden op korten afstand van den riviermond in de zee. Stroomopwaarts gaan zij, zoover de strooming het hun veroorlooft; daarom zijn zij nog inheemsch in het Tana-meer in Abessinië, dat 1940 M. hoog gelegen is.

Het Nijlpaard is meer dan eenige andere Dikhuidige aan het water gebonden; eigenlijk verlaat het dit slechts bij uitzondering om zich aan land te begeven. Daar, waar de stroom zelf niet rijk aan planten is, geschiedt dit geregeld 's nachts, met het doel om voedsel te zoeken; bij uitzondering echter verlaat het ook wel over dag den stroom, om zich op de zandbanken door de zon te laten koesteren.

Op plaatsen, die hiervoor gunstig gelegen zijn, zal de deskundige de aanwezigheid van het reusachtige dier spoedig bemerken. Met tusschenpoozen van ongeveer 3 (hoogstens 4) minuten zal een (bij stil weder duidelijk zichtbare) nevelstraal zich ongeveer een halven meter boven den waterspiegel verheffen; te gelijker tijd wordt dan een bruischend gesnuif of gesnork gehoord; beide verschijnselen worden veroorzaakt door de ademhaling van een Nijlpaard, dat zooeven boven gekomen is. Als men niet te veraf staat, kan men ook een deel van zijn kop zien: een vormlooze, roode of bruinachtig roode massa, waaraan men twee spitsen, de ooren, en vier verhevenheden, de oogen en neusgaten, onderscheidt. Meer dan het bovenste deel van den kop krijgt men van een Nijlpaard, dat zich in 't water ophoudt, zelden te zien; hij die het voor de eerste maal aanschouwt, zal het waarschijnlijk niet herkennen. Als men onder den wind blijft en iedere storing vermijdt, kan men het op- en neerzwemmende dier, dat in 't water als 't ware speelt, gemakkelijk nagaan; men ziet dan ook op het ingedrukte voorhoofd, tusschen de oogen en de ooren, een kleine plas overblijven, die genoeg water bevat om tot verblijfplaats te dienen van een Goudvischje of een paar Bermpjes. Hoogst zelden blijft een van de waterreuzen een weinig langer onder water dan hierboven aangegeven werd; hij moet alle 4 of 5 minuten ademhalen. De mededeelingen van sommige reizigers, die het dier 10 à 15 minuten onder water zagen vertoeven, berusten waarschijnlijk op onjuiste waarnemingen. Zoodra n.l. een Nijlpaard ongerust is, rijst het zeer behoedzaam omhoog, zoodat alleen de neusgaten boven de oppervlakte komen; het ademt dan zeer zachtjes, zoodat de uitgeblazen lucht gemakkelijk onopgemerkt kan blijven. Ook gebeurt het wel, dat het zich onder water zwemmend verwijderd, om elders omhoog te stijgen, terwijl zijn vroegere plaats misschien door een ander individu wordt ingenomen.

Het Nijlpaard leeft gezellig; slechts oude mannetjes ontmoet men afzonderlijk. Dikwijls vindt een gezelschap reeds in een grooten vijver gedurende geruimen tijd een voldoende verblijfplaats. Als het een klein, minder diep water bewoont, waar in het droge jaargetijde vele droogten ontstaan, merkt men op, dat de dieren den geheelen dag door op bepaalde plaatsen blijven. Waarschijnlijk hebben zij daar te midden van het rivierbed kuilen gegraven: lange, diepe, trogvormige groeven, welker richting met de strooming van het water overeenstemt; hier kunnen zij gemakkelijk onderduiken en zich verbergen, wanneer zij vervolgd worden. Verscheidene zulke kuilen staan soms door straten, die op grachten gelijken, met elkander in gemeenschap; deze zijn als 't ware de onder water gelegen wissels der Nijlpaarden.

Slechts in streken, waar zich in 't geheel geen menschen vertoonen, verlaat het gezelschap over dag het water om zich in de nabijheid van den oever, hetzij op ondiepten of op het land zelf, door de zon te laten koesteren en op een droomerige wijze in te dommelen. Nu toonen de op hun gemak liggende dieren hetzelfde welbehagen als de Zwijnen, die zich in een plas wentelen, of als de Buffels, die in een stroom baden. Van tijd tot tijd knorren de mannelijke Nijlpaarden op soortgelijke wijze als de Zwijnen; nu eens licht deze dan weer gene den kop op om de omgeving te bespieden. Overigens bekommeren zij zich niet veel om hetgeen er om hen heen gebeurt en slechts daar waar zij den mensch en zijn vreeselijke vuurwapen leerden kennen, nemen zij zich meer in acht voor hun gevaarlijksten, ja zelfs eenigen vijand.

Tegen den avond komt er leven in het gezelschap. Het knorren der mannetjes neemt toe en de geheele kudde duikt spelende op en neder in den stroom; af en toe begint zelfs een dartel gestoei. Vooral in de nabijheid van schepen vertoonen zij zich gaarne, naar het schijnt; ook begeleiden zij booten, die des avonds varen, over een grooten afstand. Soms maken zij een helsch leven in 't water door hun gesnuif en gegrom, gebrul en gegorgel, zoodat men er werkelijk vermoeid van zou kunnen worden. Zij zwemmen met bewonderenswaardig gemak op elke diepte onder den waterspiegel, rijzen omhoog of duiken onder, bewegen zich bij rukken of zetten, wenden met verrassende behendigheid in alle richtingen en wedijveren bij het doorklieven van de golven met de beste roeiboot. Nooit heb ik het dier, dat bedaard voortzwemt, een hevige, roeiende beweging zien maken: het water blijft glad en onbeweeglijk; juist het tegendeel van hetgeen men opmerkt, als het woedend op een vijand aanvalt of, na gewond te zijn, als een razende in den stroom te keer gaat. Dan slaat het de achterpooten buitengewoon hevig naar achteren, schiet met echte sprongen vooruit; het brengt het water van een geheel meer in beroering, zoodat er hooge golven op ontstaan; het maakt zelfs zulke geweldige bewegingen, dat het, zooals gebleken is, middelmatig groote vaartuigen oplichten en verbrijzelen kan.

"Woorden zijn onvoldoende," zegt Von Heuglin zeer terecht, "om van de stem van deze reuzen een eenigermate duidelijke voorstelling te geven. Hun gebrul zou men des noods met dat van de Buffel-stieren kunnen vergelijken; het is een zware, ver hoorbare basstem, die den indruk maakt, alsof zij uit een grooten, hollen ton afkomstig is. Het gebrul van verscheidene, met elkander wedijverende, mannelijke Nijlpaarden, dat plotseling in de eenzaamheid door den stillen nacht weerklinkt, verbonden met het plassen, en blazen plompen der duikende monsters, maakt een ontzaglijk grootschen indruk, die, naar het schijnt, ook door dieren van de wildernis wordt ondervonden: want de Jakhals, de Hyena en zelfs de Leeuw zwijgen en luisteren, als Behemot's donderende stem, met het gerommel van een aardbeving vergelijkbaar, over den waterspiegel rolt en, door het verafgelegen oerwoud gedempt, tot op grooten afstand zich voortplant." In allen gevalle overtreft de stem van het Nijlpaard door zijn geweldige kracht die van alle andere dieren; in haar vollen omvang wordt zij echter betrekkelijk zelden gehoord.

In de op meren gelijkende gedeelte van den Boven-Nijl, die zoo rijk zijn aan planten, verlaat het Nijlpaard ook 's nachts het stroombed niet of slechts hoogst zelden. Het vreet zoowel des daags als des nachts de waterplanten die daar groeien.

In andere gewesten moet het op het land gaan laveien. Ongeveer één uur na zonsondergang verlaat het den stroom, voortdurend uiterst voorzichtig luisterend en rondkijkend, om zich, als er bewoonde plaatsen in de nabijheid zijn, naar de bebouwde velden te begeven. Hier richten de Nijlpaarden groote verwoestingen aan; in één enkelen nacht worden dikwijls vele akkers vernield. Hun vraatzucht is zoo groot, dat zij, ondanks de vruchtbaarheid van hun vaderland, een ware landplaag worden, overal waar zij eenigermate talrijk voorkomen. Veel meer gewassen dan zij verslinden, worden tot gruis gestampt onder hunne logge pooten, of worden vernield, wanneer zij zich, na verzadigd te zijn, op de wijze van de Zwijnen, behagelijk in een ondiepen kuil heen en weer wentelen. Alle soorten van graan en groenten, die in hun vaderland verbouwd worden, zijn van hun gading, o.a. ook watermeloenen; hoewel deze vruchten de groote hebben van pompoenen, maakt elk daarvan voor hen slechts één enkelen hap uit.

Terwijl het Nijlpaard aan 't laveien is, doet het trouwens niet alleen schade door het vernielen van planten, maar bedreigt soms ook het leven van menschen en dieren. De vier kolossale hoektanden zijn vreeselijke wapens: Rüppell bericht, dat een Nijlpaard vier trekossen doodbeet, die rustig bij een scheprad stonden. "Aan den Kingani," verhaalt Böhm, "werden twee vrouwen, die 's avonds, luid met elkander sprekend, dicht bij eenige laveiende Nijlpaarden langs gingen, door een dezer dieren, dat hen plotseling overviel, met eenige beten zoo hevig gewond, dat zij kort daarna stierven." Niet overal echter worden de Nijlpaarden beschouwd als dieren, die buitengewoon te duchten zijn, en altijd geneigd zijn om onheil te stichten; in sommige gewesten vreest men ze op het land niet, maar wel in het water. Groote vaartuigen loopen zelden gevaar; lichte schuiten worden echter dikwijls, hetzij toevallig of opzettelijk, leelijk toegetakeld. "Luitenant Vidal," bericht Owen, "had in een lichte boot juist zijn vaart op de rivier Tembi in Zuidwest-Afrika aangevangen, toen plotseling een buitengewoon hevige schok van onderen tegen het vaartuig den achtersteven bijna boven het water ophief en den stuurman overboord slingerde. In het volgende oogenblik kwam een kolossaal Nijlpaard boven water, zwom met geopenden muil woest en dreigend op de boot af, greep haar met zijne vreeselijke kaken en rukte zeven planken te gelijk los; hierop verdween het, maar kwam terug om zijn aanval te hernieuwen, die men evenwel kon keeren, door het dier in 't aangezicht te schieten. De boot, die onmiddellijk vol water liep, was gelukkig zoo dicht bij den oever, dat men dezen nog kon bereiken, vóór zij zonk. Waarschijnlijk had het vaartuig den rug aangeraakt van het dier, dat, hierdoor vertoornd, zich door den aanval op de boot had willen wreken."

Dergelijke verhalen, op velerlei wijzen opgesierd en vermenigvuldigd, zijn in omloop in vele, hoewel niet in alle gewesten, die door onze Dikhuidigen bewoond worden. Zij zouden den hoorder tot het denkbeeld kunnen brengen, dat zulke ongevallen zeer alledaagsch zijn. Deze meening is echter even onjuist als de voorstelling, dat ongelukken bij de spoorwegdienst tot de zeer gewone gebeurtenissen behooren. Daar waar Nijlpaarden aangetroffen worden, komen zij vaak in betrekkelijk groot aantal voor; indien de Nijlpaarden werkelijk zoo gevaarlijk waren, zou het verkeer op rivieren, die zoo bevolkt zijn, ten slotte geheel moeten ophouden, of althans veel belemmering ondervinden. Hiervan is echter niets te bespeuren. Tallooze malen varen booten, die uit één uitgeholden boomstam vervaardigd zijn en gemakkelijk omkantelen, langs de reusachtige dieren en tusschen hen door, zonder van hen last te ondervinden. Indien echter een Nijlpaard, misschien toevallig bij het bovenkomen, een schuit aanraakt of omwerpt of zelfs beschadigt, omdat het geschrokken is en aangevallen meent te zijn, dan wordt van zulk een voorval--zoo is nu eenmaal de aard van den mensch--zooveel ophef gemaakt, dat de zeer zeldzame uitzondering ten slotte als regel wordt beschouwd.

Het gevaarlijkst is het Nijlpaard, als het een jong heeft te beschermen. Over de voortplanting, de geboorte der jongen en den duur van den draagtijd, heeft men in den laatsten tijd waarnemingen gedaan bij gevangen exemplaren; daar het reeds eenige malen is voorgekomen, dat Nijlpaarden in een dierentuin het eerste levenslicht aanschouwden. Van de voortplanting van het in vrijheid levende dier weet men alleen, dat het wijfje ongeveer in het eerste derde gedeelte van het regenseizoen één jong werpt; in dezen tijd is het meeste en het saprijkste voedsel te vinden; de maand waarin de jongen geboren worden, is dus voor vele landen van Afrika verschillend, in verband met het tijdstip, waarop hier de lente der keerkringsgewesten aanvangt. De moeder, bezield met teedere zorg voor haar kind, ziet reeds in de onbeduidenste verschijnselen gevaar; misschien houdt ook de vader een wakend oog op zijn spruit. De moeder is gemakkelijk te herkennen: zij houdt haar kind voortdurend in 't oog en let met moederlijke trots en liefderijke bekommering op al zijne bewegingen. Soms stoeit het onbehouwen dier vroolijk met zijn lieveling: beide duiken spelend onder, komen weer boven en onderhouden zich met elkander door gebaren. Met zekerheid weet men, dat het jong in het water gezoogd wordt. Volgens Von Heuglin gebeurt het echter ook wel, dat het wijfje haar jong ter wereld brengt in een zoo goed mogelijk verborgen leger op het land of in een moeras; zij neemt het niet altijd onmiddellijk mede naar de rivier, maar verbergt het soms in een kuil, dien het jong, zonder de hulp van het volwassen dier niet verlaten kan. In het water draagt de moeder haar kind gewoonlijk op den nek; zij licht het, om het te laten ademen, vaker boven den waterspiegel op, dan zij zelf de neusgaten er boven verheft.

De blinde woede van een vertoornd Nijlpaard toont duidelijk genoeg, dat de jacht op dit dier vuurwapenen vereischt, waarmede zeer zware ladingen geschoten kunnen worden; zij is dus voor zondagsjagers geen geschikte uitspanning. Lichte bukskogels hebben, zelfs wanneer zij van nabij afgeschoten worden, zoogoed als geen uitwerking. "Met één van de Nijlpaarden, dat wij doodden," verhaalt Rüppell, "streden wij gedurende vier uren. Er scheelde maar weinig aan, of het logge beest had onze groote schuit en met haar ons allen vernield. De 25 geweerkogels, waarmede wij op een afstand van ongeveer 2 M. den kop van het monster troffen, hadden slechts de huid en de beenderen van den neus doorboord. Alle andere kogels waren in de dikke huid blijven zitten. Telkens als het ademhaalde, spoot het dier flinke stralen bloed op de schuit. Eindelijk maakten wij gebruik van een draaibas, wat wij aanvankelijk wegens den geringen afstand onnoodig hadden geoordeeld. Maar eerst nadat wij hieruit vijf kogels op een afstand van weinige meters hadden geschoten, waardoor een vreeselijke vernieling in den kop en in den romp van den reus was teweeggebracht, gaf deze den geest. De duisterheid van den nacht vermeerderde nog de afgrijselijkheid van dezen strijd."

Reeds sinds den overouden tijd trouwens gaat men het monster te lijf met werpspiesen en lansen; deze jacht had en heeft plaats zoo goed en zoo kwaad, als zij met zulke wapens kan geschieden. In hoofdzaak deed en doet men dit nog steeds op de wijze van de oude Egyptenaren, wier jacht op Nijlpaarden wij door de afbeeldingen op gedenkteekenen en door de berichten van eenige oude schrijvers kennen. De lans en een bepaaldelijk voor dit doel bestemde werpspies met lijn en drijver, zijn ook nog in dezen tijd de eenige wapenen, die de bewoners van de gewesten aan den Boven-Nijl bij de jacht op het Nijlpaard gebruiken. Omstreeks middernacht sluipt de spieswerper langs den oever tot aan een plaats, waar de waterreuzen den stroom verlaten, verschuilt zich hier in struiken onder den wind, en wacht, totdat een van zijn weideplaats terugkeerend dier ongeveer met de helft van 't lichaam te water is gegaan. Op dit oogenblik slingert de jager met al zijn kracht het Nijlpaard den harpoen in 't lijf en vlucht, in de hoop, dat het door den aanval verschrikte dier zich onmiddellijk te water zal begeven. Dit gebeurt dan ook gewoonlijk, terwijl daarentegen het monster, wanneer het de rivier verlaat om aan land te komen, in den regel zijn tegenstander aanvalt. Onmiddellijk na dezen worp of den volgenden morgen begeeft de jager zich met zijne helpers in een der hiervoor gereedliggende booten, en zoekt het gewonde dier op, of liever in de eerste plaats het drijvende uiteinde van den speerschacht of het als drijver dienende blok hout. Zoodra zij deze merkteekens gevonden hebben, roeien zij hoogst voorzichtig met gereed gehouden werpspiesen en lansen nader en palmen de lijn in. Bij de geringste trekking aan de lijn komt het Nijlpaard in razende woede aan de oppervlakte van 't water, en stormt op de boot toe, waar het met een hagelbui van lansen en spiesen ontvangen wordt, die het dikwijls nopen den terugtocht te aanvaarden. Het komt echter niet zelden voor, dat het dier de schuit bereikt en met zijne kolossale tanden vernielt. In het gunstigste geval echter bestookt men het met alle wapens zoolang, totdat het sneuvelt.

Het voordeel dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Het vleesch van het monster wordt op prijs gesteld en evenals het spek overal gegeten. In den goeden ouden tijd kenden de kolonisten van het Kaapland bijna geen grooter feest dan de jacht op Nijlpaarden. Op de plaats waar de strijd beslecht werd, sneed men het vleesch en het spek van den gedooden reus af en nam het bij wagenvrachten mede naar huis. Naar gezegd wordt, is het vleesch van de jonge dieren zeer smakelijk en wordt aan het spek van de oude dieren de voorkeur gegeven boven dat van het varken; de tong wordt, versch of gerookt, als een lekkernij beschouwd. Dit laatste wordt door bijna alle jagers bevestigd, over de waarde van het vleesch zijn velen echter van een andere meening, daar zij het sponsachtig en smakeloos vinden. In Oost-Afrika wordt nijlpaardenvet als de beste zalf voor het haar en het lichaam beschouwd. Van de dikke huid vervaardigt men voortreffelijke rijzweepen, stokken en schilden. De tanden zijn, volgens Westendorp, voor vele fijn draaiersartikelen uitmuntend geschikt, daar de specie, waaruit zij bestaan, door fijnheid, hardheid en witheid het eigenlijke ivoor nog overtreft. Tegenwoordig worden de kromme tanden met f 2.40 à f 3.90, de rechte met f 3.60 à f 3.90 per KG. betaald.