Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 18
"Bij het naderen van een mensch of van een anderen vijand", zegt Drayson, "blijft hij rustig in zijn leger; bewegingloos, stijf als een beeld, kijkt hij naar de indringers, tot hij op het denkbeeld komt, dat men hem opmerkt, dan springt hij plotseling op en rent weg, maakt een aantal "scherpe haken" (volgt een zigzagvormigen weg), springt over struiken of sluipt er doorheen, "duikt" (gaat op den grond liggen) en kruipt, zoodra hij zeker meent te zijn, dat zijne vervolgers hem uit het oog verloren hebben, door het lange gras of tusschen de struiken zoo stil weg, dat het den schijn heeft, alsof hij in den grond gezonken is, of zich neergelegd heeft. Dit laatste gebeurt echter nooit, integendeel hij gaat onder de bladen steeds verder, tot hij een flinken voorsprong heeft: dan staat hij op en spoedt zich voort. Zelfs de verstandigste jager en de beste Hond worden door den Duikerbok vaak genoeg gefopt; wanneer men echter den weg, dien hij bij 't loopen gevolgd heeft, nagaat, en de plaats, waar hij begonnen is te kruipen, ontdekken kan, is het niet moeielijk hem onder den wind te naderen. De buks kan men bijna niet gebruiken, omdat hij bij zijn onregelmatig heen en weer springen, slechts door een buitengewoon behendig schutter getroffen kan worden. Van het vel van den Duikerbok snijdt men de riemen, waarvan aan de Kaap de lange zweepen gevlochten worden, die bij het rijden met de ossenwagens noodig zijn; ook wordt van dit dier een voortreffelijke soep gekookt. Gewoonlijk is het vleesch van de Zuid-Afrikaansche dieren zeer middelmatig van kwaliteit, droog en smakeloos; alle fijnproevers kan ik echter de lever van deze kleine Antilope als een buitengewoon lekker hapje aanbevelen. De Boeren lardeeren een gevilden en schoongemaakten Duikerbok met spek van de Eland-antilope of van het Nijlpaard, en bereiden op deze wijze een hoogst smakelijk gerecht."
In de groep van de _Dwerg_-_antilopen_ (_Neotragus_) vereenigt men de kleinste soorten van de onderfamilie: buitengewoon sierlijk gebouwde diertjes, die zeer veel op elkander gelijken; _alleen de mannetjes_ van dit geslacht dragen _hoornen_; deze zijn zeer klein en dun en staan overeind; bovendien zijn deze dieren gekenmerkt door den rondachtigen kop en den spits toeloopenden neus met kleinen neusspiegel. Alle bekende soorten gelijken op elkander door haar levenswijze en haar inborst, zoodat ik wel volstaan kan met een Dwerg-antilope, die ik zelf heb waargenomen, als voorbeeld te kiezen, en met deze beschrijving al wat over de andere soorten bekend is, te verbinden.
De _Windhond_-_antilopen_, welke door de bewoners van Massoea, _Beni Israël_ ("kinderen Israëls"), door die van Tigre _Edro_ worden genoemd (_Neotragus Hemprichii_), behooren tot de sierlijkste Herkauwers, die er bestaan. De bok heeft een paar kleine hoornen met 10 of 11 halve ringen aan de buitenzijde van de onderste helft, en met naar voren gebogen spitsen, die door de sterk ontwikkelde haarkuif bijna bedekt en door de zeer lange ooren geheel in de schaduw gesteld worden. De romp is gedrongen, de staart een kort, behaard stompje; de pooten zijn middelmatig lang, maar buitengewoon zwak, de hoeven lang, smal en toegespitst, de bijhoeven ternauwernood zichtbaar. Zeer fijne, tamelijk lange haren bedekken den romp. De vacht is voskleurig en blauwachtig grijs. Op den rug gaat de kleur in roodbruin over; de voorschenkels zijn dikwijls gevlekt, de onderdeelen van den romp en de binnenzijde der pooten wit; de ooren zijn met een zwartachtigen zoom omgeven; de hoornen en de hoeven zijn zwart.
In Abessinië zal men van het zeestrand tot op een hoogte van 2000 M. onze Beni Israël zelden missen in de voor hen geschikte oorden. Bijna alle Dwerg-antilopen zijn bewoners van de kreupelhoutbosschen waaraan Afrika zoo rijk is. Wildernissen, die voor andere, groote Antilopen zoo goed als ondoordringbaar zijn, verschaffen uitmuntende woonplaatsen aan deze Lilliputters. Voor haar is zelfs tusschen de dichtst opeengedrongen takken nog een weg en tusschen de ergste doornen nog een poortje te vinden. De Edro geeft duidelijk de voorkeur aan het dal boven de hoogten. Het meest houdt hij van de groene woudzoomen der regenstroombeddingen. Hier zijn prachtige schuilplaatsen te vinden. Mimosas, Christusdoornen, eenige wolfsmelkstruiken en andere groote planten zijn als 't ware door een netwerk van slingerplanten aaneenverbonden. Men vindt er kostelijke prieeltjes en gewelven onder het struikgewas, die, van de buitenwereld geheel afgesloten, veilige woningen opleveren; voorts zijn hier smalle strooken kreupelhout over groote afstanden onafgebroken aaneengeschakeld. Dit alles komt voor in de nabijheid van de vruchtbaarheid verschaffende wateraderen. Verder op ontmoet men meer afgezonderde boschjes van struikgewas, welker omgeving vaak met groen, saprijk gras bedekt is. Hier zal men den Edro stellig aantreffen. Evenals de meeste van zijne verwanten, welker gewoonte ons bekend zijn, leven de Edro's streng paarsgewijs, nooit in troepen, tenzij het paartje een spruit bezit, dat de moederlijke zorg nog noodig heeft. In dit geval loopt ook deze met de ouders mede.
Aanvankelijk kost het den jager moeite deze kleine diertjes te ontdekken; wanneer hij met hunne zeden en gebruiken meer vertrouwd geworden is, kan hij ze vinden, omdat hij ze op de juiste wijze heeft leeren zoeken. De kleur van het vel, welke met die van de omgeving overeenkomt en met deze volkomen ineenvloeit, draagt er veel toe bij, deze dwergachtige wezens te verbergen. "Een zeer geoefend oog", zegt Drayson terecht, "is noodig om een _Blauwbokje_" (de Zuid-Afrikaansche _Neotragus coerulea_) "te ontdekken; zijn vel gelijkt zoo volkomen op het flauw verlichte onderhout, dat men het beestje niet bemerken zou, zonder de beweging van de takken, die het aanraakt, terwijl het loopt. Gewoonlijk is het bokje al opgestaan en weggeloopen, lang voordat de jager zich heeft kunnen vergewissen, wat hij gezien heeft. Bij voorkeur eten deze dieren de bladen van de struiken, te midden waarvan zij wonen. Waarschijnlijk krijgen de Beni Israël hun voedsel grootendeels van de mimosa's. Behalve de gevinde bladen van deze heesters--die, naar men zou kunnen meenen, juist zoo fijn verdeeld zijn opdat zij bij deze kleine lekkerbekken in den smaak zouden vallen--, zijn ook de groene spruiten en de knoppen van hun gading."
Over de voortplanting der Dwerg-antilopen zijn de mededeelingen tot dusver nog zeer onvolledig. Ehrenberg zegt, dat de Beni Israël in de maand Mei jongen werpen; ik heb evenwel reeds in Maart, vaker nog in April, jongen bij het paartje gezien.
De Kaffers plaatsen op den weg van de Dwergbokjes van hun vaderland strikken, die door een der pooten van het dier dichtgetrokken worden, of maken, als zij geen levenden buit verlangen, gebruik van strikken met een veerenden tak er aan, die het dier worgen, als zijn hals in de lus geraakt.
Het vleesch van de Dwerg-antilopen, hoewel tamelijk hard en taai, kan nog wel een bruikbaar gerecht opleveren; het is beter geschikt om er soep van te koken dan voor gebraad. Volgens Drayson's raad heb ik mij hoofdzakelijk van de lever van dit wild bediend en de ervaring opgedaan, dat deze aan alle eischen voldoet.
Buiten haar vaderland bezwijken de Dwerg-antilopen weldra onder den invloed van het vreemde klimaat; het is daarom zeer moeielijk ze levend naar Europa te brengen. Alleen aan de Kaap en in andere deelen van Afrika heeft men ze een geruimen tijd binnenshuis of op het erf in 't leven kunnen houden. Naar men zegt, toonen jong gevangen dieren zich weldra gehecht aan hun verzorger: zij luisteren naar zijn stem, laten zich gaarne aanraken, krauwen, op de armen dragen enz., kortom zij onderwerpen zich aan den wil van den mensch zonder weerstand te bieden; daarom worden hun groote goedaardigheid, zachtmoedigheid en beminnelijkheid toegeschreven.
Na den mensch is de Luipaard vermoedelijk overal de ergste vijand van de Dwerg-antilopen. Kleinere Katten zullen misschien de weerlooze dwergjes evenzeer vervolgen; hoogst waarschijnlijk neemt ook de Arend af en toe een van hen, althans een kalfje, mede. Jakhalzen, Vossen en ander gespuis behooren eveneens tot de vijanden van de Beni Israël en van hunne verwanten.
Alle Berg-antilopen onderscheiden zich van de overige leden der groep door haar gedrongen, krachtigen lichaamsbouw. Zij zijn betrekkelijk diklijvig en kortpootig; hare hoeven zijn zoo geplaatst, dat hun top het geheele gewicht van het dier draagt. Niet minder eigenaardig is het meer of minder dicht en stijf haarkleed van deze bewoners der koelere hoogte. In deze opzichten komen zij alle overeen; ten aanzien van de hoornen bestaat echter verschil, daar _soms beide geslachten, soms alleen de mannetjes gehoornd zijn_. Het eerstgenoemde geval doet zich voor bij de _Boschgeit-antilopen_ (_Nemorhoedus_), welker hoornen op die van Geiten gelijken. Tot dusver kent men slechts weinige soorten van dit geslacht en ook deze nog niet nauwkeurig.
Buitengewoon bekwaam in het beklimmen van bergen is de _Goral_, (_Nemorhoedus goral_), die de grootte van een Geit bereikt. Zijn verbreidingsgebied is beperkt tot den Himalaja en, wel tot den gordel, die tusschen 1000 en 2600 M. hoogte gelegen is. Volgens Kinloch leeft hij gezellig, dikwijls in groote troepen, gewoonlijk echter over een groote oppervlakte verstrooid in kleine gezelschappen, ook wel afzonderlijk en paarsgewijs. Hij bewoont zoowel de bosschen als de kale rotsen en steenachtige hellingen; het liefst echter houdt hij verblijf op steile klippen, die met ijl kreupelhout en groepen van dicht bijeengeplaatste boomen begroeid zijn. De bewoners van Nepal beschouwen hem als het snelvoetigste van alle wezens. Tot dusver is de Goral nog niet levend naar Europa overgebracht; zelfs de huiden van deze dieren behooren in de musea tot de zeldzaamheden.
Op deze uitheemsche Berg-antilopen kunnen wij de bevallige, fel vervolgde bewoners der Europeesche bergen, de _Gemzen_, laten volgen. Zij worden tot een afzonderlijk geslacht (_Capella_) gerekend, welks voornaamste kenteeken gelegen is in de loodrecht bovenwaarts gerichte, met de spits haakvormig naar achteren gekromde hoornen.
De _Gems_ (_Capella rupicapra_), de eenige soort van haar geslacht, bereikt een lengte van 1.1 M., waarvan 8 cM. op den staart komen; de hoogte van de schoft bedraagt 75, die van het kruis 80 cM., het gewicht 40 à 45 KG. De hoornen zijn, volgens de kromming gemeten, ongeveer 25 cM. lang; zij staan bij den bok verder van elkander af en zijn ook dikker en sterker gekromd dan bij de Geit. Voor 't overige gelijken het mannetje en het wijfje volkomen op elkander, hoewel de bokken in den regel iets forscher zijn dan de Geiten. Al naar het jaargetijde verschilt het haarkleed van de Gemzen. In den zomer gaat de vuil-roodbruine of roestroode hoofdkleur aan de onderzijde in lichtroodachtig geel over; over het midden van den rug loopt een zwartbruine streep; de keel is vaalgeel, de nek geelachtig wit; op de schouders, de schenkels, de borst en de flanken wordt deze kleur donkerder; een streep op de achterzijde toont een bijna op wit gelijkende nuance van geel. Van de ooren tot over de oogen loopt een smalle, zwartachtige, overlangsche streep, die bij de vale grondkleur scherp afsteekt. Gedurende den winter is de Gems van boven donkerbruin of glanzig bruinzwart, aan den buik wit; de pooten zien er van onderen lichter uit dan van boven en hebben een roodere tint; de voeten zijn geelachtig wit, evenals de kop, die op de kruin en aan den snuit een weinig donkerder van kleur is. De overlangsche streep van de spits van den snuit tot aan de ooren is donker zwartbruin. De haarwisseling heeft zoo langzaam plaats, dat het zuivere winterkleed, zoowel als het zuivere zomerkleed steeds slechts gedurende zeer korten tijd gedragen wordt. De jonge dieren zijn roodbruin en lichter van kleur in de omgeving van de oogen. Zelden ontmoet men lichtkleurige verscheidenheden of albino's.
De Alpen zijn het eigenlijke vaderland van de Gemzen. Wel strekt haar verbreidingsgebied zich nog aanmerkelijk verder uit; daar zij ook gevonden worden in de Abruzzen, Pyreneeën, de gebergten van de kusten van Cantabrië, Dalmatië en Griekenland, de Karpathen, vooral op de toppen van den Hoogen Tatra, in de Transsylvanische Alpen, en eindelijk in den Kaukasus, in Taurië en Georgië. In de Zwitsersche Alpen is zij tegenwoordig zeldzaam, althans veel minder talrijk dan in de oostelijke Alpen, vooral in Opper-Beieren, Salzburg, Salzkammergut, Stiermarken en Karinthië, waar zij, beschermd en gespaard door welvarende en jachtkundige groote grondeigenaars of jachtpachters, in zeer grooten getale leeft. Ook zijn zij veelvuldig op de steile, ontoegankelijke hoogten van de middelste Karpathen, hoewel hier geen maatregelen ter harer bescherming genomen worden.
De algemeen verbreide meening, dat de Gems een Alpendier zou zijn in den engsten zin van het woord, d. w. z. uitsluitend boven den woudgordel, in de onmiddellijke nabijheid van de gletschers zou leven, is onjuist, daar zij eigenlijk tot de Woud-antilopen behoort. Overal waar zij ontzien wordt, bewoont zij met duidelijk merkbare voorliefde jaar in jaar uit den bovensten woudgordel. Van hier begeven deze dieren zich wel is waar in den zomer in meer of minder grooten getale naar de hoogere gedeelten van het gebergte, om weken en maanden lang in de nabijheid van de firnsneeuw en van de gletschers te blijven, en tijdelijk de hoogst gelegen weiden en boomlooze rotsen te bewonen; de meeste Gemzen van een gebied worden echter ook nog gedurende den zomer in den bovensten woudgordel aangetroffen. Zelfs zij, die in dit seizoen op de bergkammen en in het gletschergebied verblijf houden, treft men bij hevig onweder in het woud aan; vooral ook is dit het geval, wanneer zware stormen in aantocht zijn, die zij dikwijls reeds twee dagen te voren schijnen te voorzien, voorts in den na-herfst en in den winter. Steeds echter keeren zij ten spoedigste weder naar hare hoogere woonplaatsen terug, omdat de sneeuw hier bijna altijd vroeger verstuift of wegdooit dan in het dal.
De Gems is gewoon des nachts te rusten. Als de morgenschemering aanvangt, verheft zij zich van haar leger en gaat op voedsel uit, waarbij zij in den regel langzaam in benedenwaartsche richting loopt. De voormiddag-uren brengt zij herkauwend in de schaduw van overhangende rotsen of onder de takken van oude dennen door; gewoonlijk ligt zij dan op de saamgebogen pooten zoo gemakkelijk mogelijk uitgestrekt. Tegen den middag klimt zij langzaam naar boven en rust des namiddags weder eenige uren onder boomen, op vooruitstekende en gladde rotsterrassen, op firn-sneeuw en dergelijke, meestal vrije plaatsen; deze worden niet geregeld telkens weder opgezocht, maar zijn willekeurig gelegen, nu eens hier, dan weer daar. Tegen den avond gaat zij nogmaals voedsel zoeken en na het begin van de schemering legt zij zich te ruste. Naar men zegt, wijkt zij in den zomer, wanneer de maan 's nachts helder schijnt, soms van deze tijdverdeeling af.
De Gemzen zijn zeer gezellige dieren; zij vereenigen zich tot troepen, die soms uit een zeer groot aantal individuën bestaan. Deze gezelschappen worden gevormd door de Geiten, hare jongen en de jongste bokken tot in het tweede of hoogstens derde levensjaar. De oude bokken leven buiten den paartijd afzonderlijk of vereenigingen zich misschien met een, twee of drie van huns gelijken; met deze blijven zij echter, naar het schijnt, nooit gedurenden langen tijd in innige gemeenschap. In elken troep treedt een oude ervaren geit als aanvoerster op. Deze regelt meestal de bewegingen van den troep; zij doet dit echter op lange na niet altijd, evenmin als hare gezellen zich eenig en alleen op haar waakzaamheid verlaten. Bij iederen rustenden troep merkt men geregeld een of meer dieren op, die rechtopstaan en om zich heenkijken; deze zijn het meestal, die de overige kennis geven van de nadering van een gevaarlijk wezen. Zij oefenen echter geen ambt uit, dat hun opgedragen werd, maar volgen eenvoudig een aandrift, die alle gelijkelijk beheerscht en zich op gelijke wijze openbaart. Iedere Gems, die een verdacht verschijnsel opmerkt, geeft dit te kennen door een op grooten afstand hoorbaar gefluit; zij stampt tevens met den eenen voorpoot op den grond. Zoodra de troep zich overtuigd heeft van het werkelijk bestaan van een gevaar, nemen alle onmiddellijk de vlucht.
De Gems staat bij de ons reeds bekende bergbewoners uit haar familie niet achter, wat hare bewegingen betreft. Zij klimt behendig, springt zonder haar doel te missen, kortom zij is een koene en wakkere bergbestijger, die zich snel en flink voortrept op plaatsen die zoo gevaarlijk zijn, dat geen Alpengeit het wagen zou ze te beklimmen. Als zij zich langzaam beweegt, is haar gang eenigszins log en onbeholpen en haar houding niet fraai; zoodra echter haar aandacht getrokken wordt door een dreigend gevaar en zij op de vlucht gaat, is zij als 't ware een geheel ander dier geworden. Zij ziet er frisscher, stoutmoediger, edeler en krachtiger uit; met snelle sprongen spoedt zij zich voort en verraadt in elk harer bewegingen zoowel kracht als bevalligheid. Over haar buitengewone vaardigheid in 't springen zijn eenige bepaalde waarnemingen gedaan: de door Von Wolten gemeten sprongwijdte van een Gems bedroeg 7 M. De genoemde onderzoeker zag een tamme Gems boven op een 4 M. hoogen muur en aan den anderen kant er weer afspringen; zij kwam juist op den rug van een boerenmeid terecht, die daar aan 't grasmaaien was. Overal waar slechts een klein uitsteeksel zichtbaar is, kan de Gems een steunpunt vinden; in weinige sprongen bereikt zij een hoog gelegen punt, alsof zij vliegen kan; zij neemt hiertoe een aanloop en tracht in schuinsche richting op te stijgen. Zij springt gemakkelijker den berg op, dan er af; met buitengewone behoedzaamheid zet zij de bijzonder lenige voorpooten neer, opdat er geen steen zal losraken. Als zij zwaar gewond is, rent zij nog vlug over de gevaarlijkste paden voort, zelfs door het stukschieten van een poot, wordt haar geschiktheid om te vluchten slechts weinig verminderd. Hoe bekwaam en behendig de Gemzen ook zijn, gebeurt het, volgens Schinz, toch wel eens, dat zij zich begeven hebben naar plaatsen, waar zij zoomin vooruit, als achteruit kunnen komen, waar zij geen voet meer kunnen verzetten en van honger bezwijken of in den afgrond storten moeten. Tschudi vult deze mededeeling aan met de opmerking, dat de Gems ook in dergelijke gevallen het onmogelijke mogelijk tracht te maken, door in den afgrond te springen, al zou zij verpletterd beneden aankomen. "De Gems geeft nooit den moed verloren, d.i. zij blijft nooit radeloos staan zonder een uitweg te zien, zooals b.v. de Geiten, die blatend wachten, totdat de herder haar met gevaar voor zijn eigen leven komt halen. De Gems zal eerder den dood te gemoet springen. Dit zal echter vermoedelijk zeer zelden geschieden, daar het vermogen om te oordeelen bij haar veel sterker ontwikkeld is dan bij de Geit. Als zij op een smallen rotskam geraakt is, en niet verder kan komen, zal zij een oogenblik bij den afgrond staan blijven en dan pijlsnel den terugweg aanvaarden, waarbij zij dikwijls de vrees voor de haar volgende menschen overwint. Als het dier langs een bijna loodrechten rotswand naar beneden gejaagd wordt, maakt het gebruik van iedere uitstekende punt, al is deze niet grooter dan een vuist, teneinde de snelheid van den val te vertragen door althans een oogenblik stil te staan. Als het geen kans ziet, zulk een steunpunt te bereiken, begeeft het zich toch omlaag maar buigt hierbij den hals en den kop naar achteren om het gewicht van het lichaam zooveel mogelijk op de achterpooten te laten rusten, die dan sterk langs de rotsen schuren en de vaart van het dier zooveel mogelijk verminderen. Zelfs bij het naar beneden glijden toont het dier zijn tegenwoordigheid van geest, door met den romp en pooten te roeien en te werken en zoo gedurende den val een kromme lijn te beschrijven, wanneer het onderweg een redding belovend uitsteeksel heeft opgemerkt, dat het op deze wijze tracht te bereiken."
Hoogst voorzichtig is de Gems bij het overtrekken van met sneeuw bedekte gletschers, steeds vermijdt zij zorgvuldig de met sneeuw bedekte spleten, hoewel zij deze met de oogen niet kan waarnemen. Even behoedzaam en langzaam schrijdt zij langs rotshellingen voort. Eenige leden van den troep vestigen hun aandacht op de paden, de overige speuren onverpoosd naar andere gevaren. "Wij hebben gezien," verhaalt Tschudi, "hoe een troep Gemzen een gevaarlijke, zeer steile, met rolsteenen bedekte rotshelling overtrekken wilde, en het geduld en de schranderheid dezer dieren bewonderd. Eén hunner ging vooraan en klauterde voorzichtig naar boven; de overige wachtten tot het zijn doel volkomen bereikt had; eerst als er geen steen meer rolde, volgde het tweede, daarna het derde en zoo voort. Die, welke boven aangekomen waren, verstrooiden zich niet onmiddellijk over de weide, maar bleven op den uitkijk staan aan den rand van de helling, totdat de laatste kameraad zonder ongeval de reis volbracht had." Haar buitengewone plaatskennis komt de Gems bij hare vermetele tochten uitmuntend te stade. Zij herinnert zich iederen weg, al heeft zij dien slechts éénmaal begaan; in haar gebied is haar bij wijze van spreken iedere steen bekend; juist hierom toont zij zich evenzeer te huis in het hooge gebergte, als zij onbeholpen schijnt, wanneer zij het verlaat. "In den zomer van 1815," bericht Tschudi verder, "vertoonde zich plotseling, tot niet geringe verbazing der ooggetuigen, een waarschijnlijk gehitste Gemsbok op de weide bij Arbon. Zonder door vervolging hiertoe genoopt te zijn, sprong zij over alle omheiningen en daarna in het meer, waar zij lang dwalend rondzwom, en eindelijk, het verdrinken nabij, met behulp van een schuit gevangen werd. Eenige jaren te voren werd in het Rijndal een jonge Gems, die in het moeras was blijven steken, levend gevangen."