Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 17
De Oryx-antilopen worden bij voorkeur te paard gejaagd. Gordon Cumming beschrijft zulk een jacht en verhaalt, dat hij den ganschen dag een reeds gewonden Passan nagereden heeft, vóórdat het dier door uitputting niet verder kon gaan. Geen Antilope levert een prachtiger schouwspel op dan een vluchtende Oryx-bok. Zoodra hij bemerkt, dat hij vervolgd wordt, laat hij een doordringend geschreeuw hooren, heft den kop op, zoodat de hoornen hem op den rug komen te liggen strekt den staart naar achteren en ijlt nu in wilde haast over de vlakte, alles wat hem in den weg komt neerwerpend of doorborend. Struiken die hem den weg versperren, overschrijdt hij met een kolossalen sprong, door de Zebra-kudden breekt hij heen, Struisvogel-kudden jaagt hij in dolle vaart voor zich uit. Eerst na een vervolging van vele uren kan men hem onder schot krijgen.
De nomaden der steppe vangen nu en dan een der bij hen inheemsche Spiesbokken en brengen hem naar de stad om hem aan de voornamen des lands of aan de Europeanen te koop te bieden. Op deze wijze heb ik er gedurende mijn verblijf in Afrika verscheidene gekregen. Ik kan deze gevangen dieren niet roemen. Zij zijn traag, vervelend en onverdraagzaam. De gevangenschap kunnen zij gemakkelijk doorstaan, ook leeren zij hun oppasser kennen en geraken aan hem gewend; deze kan hen echter nooit vertrouwen, daar zij hunne hoornen soms, als 't ware uit scherts, op hoogst gevaarlijke wijze gebruiken. Men kan ze niet in gezelschap van andere dieren laten blijven, daar zij zich in korten tijd van de heerschappij meester maken en dan hunne metgezellen op afschuwelijke wijze mishandelen. Ook onderling twisten zij nu en dan en stooten elkander terdege. Bovendien zijn zij zoo onhandelbaar, dat het groote moeite kost ze van de eene plaats naar een andere te brengen.
In den laatsten tijd is de "Steppenkoe" dikwijls naar Europa vervoerd; in de dierentuinen heeft men haar zeer goed in 't leven kunnen houden en heeft zij zich zonder bijzondere voorzorgen voortgeplant. Zeldzamer ziet men hier de Beisa en nog veel zeldzamer de Passan.
Het vleesch en het vel van de Oryx-antilopen worden op de gewone wijze gebruikt. De rechte hoornen van den Passan en den Beisa doen dikwijls dienst als lansspitsen. De Europeanen aan de Kaap laten deze hoornen ook wel polijsten en met zilveren knoppen voorzien, om ze daarna als wandelstokken te gebruiken.
De _Mendes_-_antilopen_ (_Addax_) zijn het naast verwant aan de Oryx-bokken; alleen door de lichte, slanke en lange _hoornen_ (eveneens _bij beide geslachten_ aanwezig), die schroef- of liervormig gewonden en over het grootste deel van hun lengte geringd zijn, verschillen zij van de leden der vorige groep. Op de Oud-Egyptische gedenkteekenen treft men veelvuldig afbeeldingen van de Mendes-antilope aan. _Mendes_ is de naam van een Egyptische godheid, welke min of meer met den Griekschen god _Pan_ overeenkomt. De _Mendes_hoornen, die de hoofden der afgodsbeelden, der priesters en der koningen van Oud-Egypte versieren, zijn gevormd naar de hoornen van deze Antilope. Van Egypte uit heeft zich de roem van dit dier verder verbreid. Het was bij de Grieken en Romeinen goed bekend.
De _Mendes_-_antilope_ (_Addax nasomaculatus_) is tamelijk plomp gebouwd. De beharing is dicht en op verreweg de meeste lichaamsdeelen kort en grof. Vóór den wortel van de hoornen staat een kuif, die over het voorhoofd naar beneden hangt; van het oor naar het achterhoofd strekt zich een strook langere haren uit; het voorste gedeelte van den hals is met lange manen versierd. Gedurende het koele jaargetijde gaat de geelachtig witte kleur allengs in grijs over. Jonge dieren zijn zuiver wit van kleur. De lichaamslengte bedraagt 2 M., de schofthoogte ruim 1 M.
Het verbreidingsgebied van de Mendes-antilope omvat het ten zuiden van 18° N.B. gelegen binnenland van Noord-Afrika van de Nijllanden tot aan het Tsad-gebied. Zij bewoont ook de dorste gewesten, waar volgens de verzekering der nomaden wijd en zijd geen druppel water te vinden is; als men deze lieden geloof mag schenken, is zij in staat om maanden lang het water te ontberen. Zij is even schuw en vreesachtig als de overige Antilopen, even behendig en volhardend bij 't loopen, en niet minder dan deze aan vele vervolgingen blootgesteld. De machthebbers der nomaden en Bedoeïnen zien in haar een van de edelste jachtdieren: zij "hitsen" haar, deels om haar vleesch te gebruiken, deels om de snelheid van hunne Paarden en Windhonden te beproeven, deels ook om jongen buit te maken, die zij dan groot brengen.
Levende Mendes-antilopen zijn herhaaldelijk naar Europa gebracht, waar zij in verschillende diergaarden geleefd hebben en nagegaan werden. Door hare handelingen toonen zij haar nauwe verwantschap met de Oryx-bokken, want zij zijn even nukkig en onverdraagzaam als deze. Er zijn echter ook uitzonderingen op dezen regel. Een exemplaar, dat de hertog van Toskane uit Egypte ten geschenke had gekregen, was volstrekt niet schuw in het bijzijn van menschen. Zij liet zich streelen en liefkoozen en likte de hand van haar oppasser. Soms wilde zij spelen en werd dan lastig; want dikwijls toonde zij onverwachts hare hoornen en trachtte den persoon, dien zij zooeven geliefkoosd had, te stooten en te slaan. Bij de geringste achterdocht spitste zij de ooren en stelde zich in staat van tegenweer. Op Honden en andere vijanden liep zij met achterwaarts gerichte hoornen toe, drukte de voorpooten tegen den grond aan, richtte de horens naar voren en stiet dan snel van onderen naar boven; ook met de pooten sloeg zij zoowel voor- als achteruit. Haar stem was soms een geknor, soms een zacht geloei; door het loeien gaf zij haar verlangen naar voedsel te kennen. In gevangenschap gedijen deze Antilopen bij eenvoudig voedsel goed en leven lang; ook haar voortplanting levert geen bezwaren op.
_Draaihoorn_-_antilopen_ (_Strepsiceros_) noemt men eenige groote Antilopen met schroefvormig gewonden, samengedrukte en gekielde _hoornen_, _die alleen bij het mannetje_ aangetroffen worden; haar vel is gestreept of op een andere wijze met een teekening van lichtere kleur versierd.
Een vertegenwoordiger van deze groep is de statige _Koedoe_ (_Strepsiceros kudu_), die ons Edelhert aan grootte overtreft. Oude bokken zijn 3 M. lang, gemeten van den neus tot aan de spits van den ongeveer 50 cM. langen staart; de schoft is dan 1.7 M. hoog, terwijl het gewicht 300 KG. of meer bedraagt. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner. Door zijn lichaamsbouw herinnert de Koedoe in vele opzichten aan ons Hert. De grondkleur is een moeilijk te beschrijven roodachtig bruingrijs, dat op de achterste gedeelten van den buik en de binnenzijde van de pooten in witachtig grijs overgaat.
Witte strepen, meestal ten getale van 7 of 9, van welke sommige zich vorkswijs vertakken, steken sterk bij deze grondkleur af. Onderling evenwijdig strekken zij zich van den rug naar den buik, langs de zijden uit. Tusschen de beide oogen bevindt zich een witte, halvemaanvormige vlek, welker bolle zijde naar de spits van den snuit gekeerd is. De hoornen zijn een prachtig sieraad voor den bok; zij behooren tot de grootste, die bij eenige Antilope voorkomen. Volgens een rechte lijn gemeten, bereiken zij een hoogte van 90 à 100 soms zelfs van 105 cM.; de afstand tusschen de beide spitsen bedraagt 70 à 80 cM. Met verbazing merkt men op, hoe gemakkelijk en fier het dier de last van deze hoornen draagt.
Onze bekendheid met den Koedoe dagteekent eerst van de laatste helft der vorige eeuw. Wel is waar hebben reeds de schrijvers der oudheid een tamelijk juiste beschrijving van den "Strepsiceros" gegeven; zij kenden hem echter slechts van hooren zeggen. Ook onze voorouders wisten niets te vertellen van de dragers der schroefvormige horens, die dikwijls naar Europa gezonden werden en er sterk de aandacht trokken. Eerst tegen het einde van de vorige eeuw werd een Koedoe levend naar Holland gebracht; hiermede neemt de geschiedenis van dit prachtige dier voor ons een aanvang; nog altijd echter is men niet in staat een volledige beschrijving van zijn levenswijze te geven.
De Koedoe, in Abessinië _Agasén_ en in Tigre _Garoea_ genaamd, is in Afrika verbreid, daar hij van het Kaapland af door de oostelijke helft van het werelddeel tot in de Nijllanden voorkomt. In de meer binnenwaarts gelegen gewesten van de westelijke helft van Afrika en dus ook in het Congo-gebied, ontbreekt hij, naar het schijnt, geheel. De Koedoe bewoont, misschien bij voorkeur, rotsachtige en bergachtige landstreken, hoewel hij, althans in Zuid-Afrika, ook in de vlakte gevonden wordt; hij houdt van de met struiken of met boomen begroeide steppen en is ook nog thuis in de bij wijze van dsjungels opeengedrongen doornstruikbosschen; een bewoner van het woud, in de beteekenis die wij aan dit woord hechten, kan men hem echter niet noemen. In het gebied der Bogos troffen wij hem eerst aan op een hoogte van 600 M. boven den zeespiegel en tot op een hoogte van 2000 M., steeds op berghellingen, waar wij hem met statigen tred tusschen de groene mimosa's zagen loopen. De volwassen bokken leven afzonderlijk, de overige dieren vereenigen zich gaarne tot kleine troepen van 4 tot 6 stuks.
In alle landen waar de fiere, fraai geteekende Koedoe voorkomt, is hij aan hevige vervolgingen blootgesteld. Zijn vleesch is, gelijk ik zelf ondervonden heb, uitmuntend van smaak; deze herinnert aan dien van 't vleesch van ons Edelhert. Het merg uit de beenderen wordt bij sommige volken van Zuid-Afrika als een buitengewone lekkernij beschouwd. De Kaffers o.a. zullen telkens, als zij een Koedoe hebben gedood, zich haasten om het vleesch van de beenderen los te maken, deze door te breken en daarna het merg, zoo rauw als het is, uit de beenderen zuigen. Ook het vel wordt in het zuiden van Afrika hoog geschat en voor sommige doeleinden zelfs onontbeerlijk geacht. In Abessinië looit men het vel; men gebruikt de hoornscheeden--waaruit men, door de hoornen te laten rotten, de beenpit heeft verwijderd--als bergplaatsen voor honig, zout, koffie en dergelijke waren.
De jacht op den Koedoe heeft op zeer verschillende wijzen plaats. Filippini gaf aan het "bekruipen" van het dier de voorkeur boven iedere andere wijze van jagen. Hij kende de plaatsen waar het wild zich het liefst ophield en trachtte, voorzichtig sluipend, de op verren afstand zichtbare, hooge gestalten te naderen. Het liefst ging hij des namiddags ter jacht, omdat de Agasén zich dan naar de dalen begeeft om te drinken. Ook de "aanstand" op den "wissel" zou goed gelukken, omdat de Agasén trouw hetzelfde pad blijft volgen.
De groep van de _Rund_-_Antilopen_ (_Buselaphus_) vormt in zekeren zin een overgang tusschen de Antilopen en de Runderen. De romp van de leden dezer groep is plomp en zwaar gebouwd, de hals kort en gedrongen, de kop groot; de staart gelijkt op dien van van een Rund; de huid van het voorste deel van den hals is tot een ver naar beneden hangende kossem verlengd; de _hoornen_, die _bij beide geslachten_ voorkomen, zijn achterwaarts gericht in het verlengde van de aangezichtslijn, tamelijk recht of zwak gebogen en sterk gedraaid, gelijk uit de schroefvormig er omheen loopende kiel blijkt.
De _Eland_-_antilope_ (_Buselaphus oreas_) bereikt eene totale lengte van bijna 4 M., waarvan 70 cM. op den staart komen, een schofthoogte van 1.5 à 1.9 M. en een gewicht van 500, volgens Harris zelfs van 1000 KG. Zij is dus de grootste van alle Antilopen. Haar kleur is verschillend al naar den ouderdom, maar ook naar de streek waarin de dieren leven. Volwassen bokken zijn aan de bovenzijde lichtbruin of geelachtig grijs, met een roestrood waas overtogen, aan de zijden witachtig geel, van onderen en aan de buitenzijden van de onderschenkels geelachtig wit, aan den kop licht-geelachtig bruin. Sommige exemplaren zijn duidelijk, andere flauw gestreept, nog andere ongestreept; de strepen zijn meestal dwars gericht. De grootste hoornen, die Selous gemeten heeft, waren bij 't mannetje, waar zij sterk afslijten, 76, bij 't wijfje 86 cM. lang.
Het verbreidingsgebied van de Eland-antilope omvat een veel grooter deel van Afrika, dan men vroeger had gemeend. Voordat de onderzoekingen van Von Heuglin en Schweinfurth plaats hadden, onderstelde men, dat dit dier alleen in Zuid-Afrika zou voorkomen; thans weet men, dat het in alle voor zijn levenswijze geschikte gewesten van de zuidelijke en van de oostelijke helft, zelfs nog ver ten noorden van den evenaar aangetroffen wordt. In de vorige eeuw leefde het nog in het Kaapland; tot in het begin van deze eeuw hield het zich, in tamelijk groote kudden van 20 à 30 stuks nog aan de grenzen der volksplantingen op; tegenwoordig is het verder naar het binnenland teruggedrongen. Zijne meest gezochte weidegronden zijn de met mimosas spaarzaam begroeide grasvlakten, van waar het in tijden van droogte naar de waterrijke, lager gelegen landen afdaalt. Opmerkelijk is het, dat men het ook in bergachtige streken vindt en wel op zeer woeste, moeilijk toegankelijke plaatsen. Op de hoogvlakte van den Kilima-ndsjaro, niet minder dan 4400 M. boven den zeespiegel, zag Hans Meyer eenige troepen van deze statige dieren; hij vond nog op een hoogte van 4700 M. indruksels van hunne hoeven. Van verre gezien gelijkt eene kudde Eland-antilopen zoozeer op een kudde Runderen, dat men zich er in zou kunnen vergissen. Als deze dieren vervolgd worden, loopen zij in een wel niet snellen, maar toch zeer flinken draf; zeer in 't nauw gebracht, vervallen zij in een gestrekten galop, dien zij lang kunnen volhouden. Jonge stieren en koeien loopen veel sneller en toonen meer volharding dan de oude dieren; zij overtreffen dikwijls het beste Paard, terwijl daarentegen oude, vette bokken in den regel slechts korten tijd in galop blijven.
De Eland-antilopen waren in de Europeesche diergaarden een gewone verschijning geworden, maar zijn hier thans op weg om uit te sterven. Al deze exemplaren stammen, naar Weinland bericht, van twee paren af, die in de jaren 1840 en 1851 in Engeland ingevoerd werden. Van Londen kwamen deze dieren eerst in de diergaarden en parken van Groot-Brittannië en van hier weder naar de diergaarden van het overige Europa. Zij toonen de goedaardigheid en domheid van het Rund; hun voortplanting levert geen bezwaar op.
Het vleesch van een uitgezochten jongen stier van deze soort viel, zoowel op de koninklijke tafel te Windsor als op een tafel in de Tuileriën te Parijs en ook op een tafel van Lords en van leden van het Huis der Gemeenten zeer in den smaak; vooral de juiste afwisseling van vet en mager in het spiervleesch werd toen zeer geroemd.
Het voordeel, dat een gelukkige jacht op Eland-antilopen afwerpt, is zeer belangrijk. Het vleesch wordt gedroogd of ingezouten; het vet, dat niet zelden in groote hoeveelheid aanwezig is, wordt, gemengd met eenige rundertalk en een weinig aluin, voor het maken van goede kaarsen gebruikt; de buitengewoon dikke, taaie huid eindelijk wordt tot uitmuntende riemen verwerkt.
In den laatsten tijd wordt een Indische Antilope, waarvan de reizigers dikwijls melding maken onder den naam _Blauwe Bul_--de _Nylgau_, (_Portax pictus_)--veelvuldig naar Europa gebracht; in vroegere eeuwen zag men haar zelfs in Indië, haar vaderland, niet dikwijls in gevangenschap. De Nylgau, door gedaante en kleur een der opmerkelijkste soorten van de geheele onderfamilie, houdt wat het uitwendige betreft, tot op zekere hoogte het midden tusschen een Hert en een Rund. De overeind staande kegelvormige, flauw halvemaanswijs gebogen, 20 à 25 cM. lange _hoornen_, die bij _beide geslachten_ gevonden worden, zijn bij het wijfje veel korter dan bij het mannetje en kunnen bij eerstgenoemde ook wel geheel ontbreken. Donkerbruin aschgrauw met een zweem naar 't blauw-achtige is de algemeene kleur. Het voorste deel van den buik, de voorpooten en de buitenzijde van de achterschenkels zijn zwartachtig grijs, de achterpooten zwart; het middelste en het achterste deel van den buik en de binnenzijde van den schenkels zijn wit. Twee dwarsstrepen van dezelfde kleur loopen over den voetwortel en omgeven ringvormig het kootgewricht; een groote, halvemaanvormige vlek bevindt zich aan de keel. Oude wijfjes hebben een meer vale, dikwijls grijsbruine kleur, met die van ons Hert overeenkomend. Volwassen bokken bereiken een totale lengte van 2.4 à 2.6 M., waarvan 45 à 50 cM. op den staart vallen, en een schouderhoogte van 1.3 à 1.4 M. Het vaderland van dit dier is Vóór-Indië, aan den voet van den Himalaja tot aan den Meisoer.
De Nylgau houdt niet van bergachtige streken; toch neemt hij deze als verblijfplaats voor lief, wanneer zij niet anders dan ijle bosschen en niet te dichte dsjungels bevatten; af en toe bezoekt hij ook terreinen, die met eenig struikgewas bezet, doch overigens open zijn; steeds bepaalt hij zich tot landschappen, die geen gebrek aan water hebben, want, naar Sterndale verzekert, drinkt hij iederen dag. Gewoonlijk ziet men troepen van 6 à 20 stuks; oude bokken gaan ook wel alleen. Overigens is van het leven dezer dieren in de vrije natuur alleen nog bekend, dat zij minder des nachts dan wel in de morgen- en avonduren op voedsel uitgaan, gedurende het heetste deel van den dag echter rusten.
De bewegingen van den Nylgau zijn zeer eigenaardig wegens de zonderlinge houdingen, die hij soms aanneemt. In gewone omstandigheden stapt hij op soortgelijke wijze als de andere Antilopen; zoodra hij echter in opgewonden toestand verkeert, kromt hij den rug, trekt den hals in en sluipt langzaam voort, terwijl hij de omstanders loensch aanziet en sombere blikken op hen werpt. De staart wordt dan tusschen de pooten geknepen. De vluchtende Nylgau's hebben een fiere, waardige houding; het is een merkwaardig schouwspel een kudde van deze dieren met loodrecht omhoog geheven staart pijlsnel voorbij te zien stuiven.
Gewoonlijk leeft dit dier bij paren, het liefst in de randen der dsjungels, waarin hij uit vrees voor den Tijger niet durft doordringen. Overtallige bokken moeten een eenzaam leven leiden; zij leveren echter dikwijls hevige gevechten aan hunne meer bevoorrechte mededingers. De Nylgau is veel stoutmoediger en boosaardiger dan zijne verwanten. Door den jager vervolgd, keert hij zich woedend om, valt op de knieën, doet in deze houding onder hevig gebrul eenige schreden voorwaarts, springt daarna bliksemsnel op zijn vijand toe, en tracht hem door het snel opheffen van den kop met de hoornen te kwetsen. Geheel op dezelfde wijze strijden de bokken onderling om het bezit van de wijfjes; menige edele kampioen komt om 't leven door een goed gerichten stoot met de hoorns. Zelfs na lange gevangenschap verliest de Nylgau zijn boosaardigheid niet; om zijn valschheid wordt bij door alle oppassers gevreesd. Wel neemt hij den schijn aan van zachtaardig en tam te zijn; vooral gedurende den bronsttijd is hij echter nooit geheel te vertrouwen.
De jacht op den Nylgau valt, naar 't schijnt, bij de Europeesche jagers niet zeer in den smaak: men zoekt de dieren op om den grootsten bok neer te vellen; ook worden zij wel te paard gehitst, daar het niet zeer moeilijk is ze tot staan te brengen, als men ze van den beginne af met de grootst mogelijke snelheid vervolgt en daardoor schielijker buiten adem brengt. Reeds sedert lang zijn de onderhoorigen van de Indische vorsten gewoon gevangen Antilopes van deze soort aan hunne meesters en gebieders te brengen; men ziet ze daarom bij de grooten des rijks hier en daar in parken. Niet vóór het jaar 1767 is het eerste paar in Engeland aangekomen; in het einde van dezelfde eeuw kwamen andere naar Frankrijk, de Nederlanden en Duitschland. Thans ziet men den Nylgau in alle diergaarden, waar hij zich geregeld voortplant. In Italië heeft men een aantal van deze dieren in de bosschen van het koninklijk domein losgelaten; sedert 1866 hebben zij zich in vrijheid voortgeplant en aan de winterkoude weerstand geboden. Wegens hun uitmuntend vleesch en voortreffelijke huid zijn zij als jachtdieren zeer gezocht.
Voordat wij uit Indië terugkeeren naar Afrika, waar verreweg de meeste Antilopen inheemsch zijn, gedenken wij nog een van de merkwaardigste soorten van de geheele onderfamilie, ja zelfs van alle Herkauwers: de _Vierhoornige Antilope_ (_Tetraceros quadricornis_). Bij de getemde Herkauwers komen soms exemplaren voor, die vier, ja zelfs acht hoornen dragen; zij vormen echter nooit een afzonderlijke soort, maar moeten als zonderlinge uitzonderingen beschouwd worden. Geen enkel in 't wild levend dier echter vertoont een dergelijke ontwikkeling van de hoornen als deze Antilope. Zij staat dus, voor zoover onze tegenwoordige ervaringen reiken, geheel op zichzelf.
De _Vierhoornige Antilope_ is een klein, sierlijk dier. Haar lengte bedraagt 70 à 80 cM. met inbegrip van den 12 cM. langen staart, de schofthoogte 60 à 65 cM. Alleen het mannetje draagt hoornen: het voorste paar zit boven den voorsten ooghoek en is een weinig naar achteren gebogen: het achterste paar ontspruit boven den achtersten ooghoek, kromt zich een weinig naar voren en is van onderen geringd, naar de spits toe echter glad; de achterste hoornen worden 10 à 12.5 cM., de voorste slechts 3 à 3.7 cM. lang. Het dier komt, naar het schijnt, in Vóór-Indië overal voor; op sommige plaatsen is het zeer overvloedig, n.l. daar, waar de met bosschen of met kreupelhout begroeide heuvels het een aangename verblijfplaats verschaffen. Het leeft steeds eenzaam of bij paren.
De groep der _Kuif_-_antilopen_ (_Cephalolophus_) omvat kleine soorten met korte, rechte of zwak naar voren gebogen _hoornen_, die _in den regel alleen bij het mannetje_ gevonden worden, _dikwijls_ echter _ook bij het wijfje_ tot ontwikkeling komen; zij hebben een groeve tusschen het oog en den neus, tusschen de hoornen een kuif van lange haren, die overeind gezet kunnen worden.
De _Duikerbok_ (_Cephalolophus mergens_), een van de grootste soorten van de groep, bereikt een lengte van 1.1 M. (waarvan omstreeks 20 cM. op den staart komen) en een schouderhoogte van 55 cM. Zijne rechte, priemvormige, vier- à zesmaal vlak geringde hoornen, die 7 à 10 cM., in zeldzame gevallen 12.5 cM. lang worden, komen bijna niet boven de haren van de kuif uit. De dikwijls varieerende kleur is aan de bovenzijde meestal grijsachtig olijfkleurig, bij het mannetje ook wel donker geelbruin en gaat aan de onderzijde in wit over. Het verbreidingsgebied van dit dier strekt zich hoofdzakelijk uit over Zuid-Afrika, waar het in alle met struikgewas bedekte streken ook thans nog gemeen is.
De Duikerbok is een van de eerste Antilopen, waarmede de nieuweling in het Kaapland kennis maakt, daar dit dier in de kreupelhout-wildernissen van de zeekust bijna nog talrijker is dan in de bosschen van het binnenland. Evenals alle kleine en dwergachtige Antilopen ontmoet men hem uitsluitend afzonderlijk of bij paren. Nooit vertoont hij zich buiten de hem beschuttende struiken.